De Galatische Oorlog: Het Jaar 189 BCE

Samenvatting

  • Stichting van de Latijnse kolonie Bononia;
  • De nieuwe praetor van Hispania Ulterior, Lucius Baebius Dives, wordt gedood op weg naar zijn provincie; Lucius Aemilius Paullus zet zijn operaties tegen de Lusitani voort en behaalt een grote zege;
  • De pontifex maximus Publius Licinius Crassus verbiedt de praetor en flamen Quirinalis Quintus Fabius Pictor om naar zijn provincie Sardinië te vertrekken;
  • Titus Quinctius Flamininus en Marcus Claudius Marcellus worden tot censor gekozen; Manius Acilius Glabrio trekt zich terug uit de verkiezing na een beschuldiging van verduistering;
  • De Senaat en het Romeinse volk keuren de vredesovereenkomst van Scipio Africanus met Koning Antiochos van het Seleucidenrijk goed; er worden decemviri naar Azië gestuurd om de nieuwe consul Gnaeus Manlius Vulso bij te staan;
  • Lucius Aemilius Regillus mag een triumphus navalis houden voor zijn overwinning bij Myonnesos; Lucius Cornelius Scipio krijgt een gewone triomftocht toegekend vanwege zijn overwinning bij Magnesia; ook krijgt hij de bijnaam ‘Asiaticus’;
  • De consul Marcus Fulvius Nobilior belegert Ambrakia; de stad geeft zich uiteindelijk over en wordt van al haar kunst beroofd;
  • Einde van de oorlog tussen Rome en de Aetolische Bond;
  • De praetor Quintus Fabius Labeo zorgt ervoor dat Romeinse en Italiaanse krijgsgevangen die op Kreta werden vastgehouden vrijkomen;
  • De consul Vulso begint een veldtocht tegen de Galaten; hij verslaat de Tolistobogii en de Trocmi in de Slag bij de Berg Olympus en de Tectosages en hun Cappadocische bondgenoten in de Slag bij de Berg Magaba.

De nieuwe consuls Marcus Fulvius Nobilior en Gnaeus Manlius Vulso hadden lootjes getrokken voor de verdeling van de provincies. Aetolië was aan Fulvius toegevallen. De wapenstilstand van zes maanden die voor deze streek gold, was nu afgelopen en het was de taak van de nieuwe consul om de Aetolische Bond op de knieën te dwingen. Vulso werd naar Klein-Azië gestuurd. Ten tijde van de verkiezingen en de loting om de provincies (vermoedelijk november van het vorige jaar) was Koning Antiochos nog niet verslagen, dus de nieuwe consul mocht nog even hopen dat hij roem kon behalen met een zege op de Seleuciden. Die hoop vervloog echter al snel toen het gerucht begon te circuleren dat de koning in een grote veldslag was verslagen. Vermoedelijk eind januari arriveerde een legaat die door Lucius Scipio naar Rome was gestuurd. Hij verkondigde dat het leger van de koning bij Magnesia was vernietigd en dat Antiochos de hardvochtige Romeinse vredesvoorwaarden had aanvaard. Als Vulso nog roem wilde behalen, dan zou hij dat ergens anders moeten doen.

Italië en Spanje

Dit jaar werd in voormalig gebied van de Boii de Latijnse kolonie Bononia gesticht. 3.000 mensen werden hier gevestigd. Tegenwoordig heeft de stad een bevolking van meer dan 380.000 inwoners en luistert zij naar de naam Bologna, bijgenaamd La Dotta (De Geleerde, vanwege haar universiteit), La Grassa (De Vette, vanwege haar keuken) en La Rossa (De Rode, vanwege de kleur van haar gebouwen en haar links georiënteerde politieke geschiedenis). Livius vermeldt dat de stad werd gesticht op 28 december, maar omdat de Romeinse kalender van die tijd ver voorliep op de onze, was het vermoedelijk eind augustus of begin september.

Kaart van Spanje (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

De nieuwe praetor van Hispania Ulterior, Lucius Baebius Dives, werd gedood op weg naar zijn provincie. Hij had besloten over land te reizen en liep in Ligurië in een hinderlaag die plaatselijke stammen hadden gelegd. Het grootste gedeelte van zijn entourage werd gedood en de praetor zelf liep ernstige verwondingen op. Hij slaagde erin Massilia in Zuid-Gallië te bereiken, maar stierf daar binnen drie dagen. Omdat het lang kon duren voordat zijn opvolger Publius Junius Brutus in Spanje zou aankomen, had Lucius Aemilius Paullus wat meer tijd om zijn smadelijke nederlaag van het voorgaande jaar goed te maken. De praetor stelde een nieuw leger samen en slaagde erin de Lusitani te verslaan, duizenden van hen te doden en de orde in zijn provincie enigszins te herstellen.

Constitutionele kwesties

Dit jaar speelden er enkele interessante constitutionele kwesties. Quintus Fabius Pictor was tot praetor gekozen en had Sardinië als provincie toegewezen gekregen. Pictor was echter ook de flamen Quirinalis, de priester van de vergoddelijkte Romulus. Op grond van stokoude tradities was het de flamines niet toegestaan de stad te verlaten. De praetor meende dat dit verbod achterhaald was, maar de pontifex maximus Publius Licinius Crassus was het daar niet mee eens en beriep zich daarbij op een precedent uit de slotfase van de Eerste Punische Oorlog. Crassus verbood de praetor naar zijn provincie te vertrekken en na veel discussie legde Pictor zich bij die beslissing neer. Hij overwoog zelfs zijn ambt neer te leggen, maar werd als goedmakertje als praetor peregrinus aangesteld, dat wil zeggen als de praetor die zich bezighield met juridische zaken waarbij mensen zonder Romeins burgerrecht betrokken waren.

Dit jaar werden nieuwe censors gekozen. Aan de verkiezingen namen vele beroemde kandidaten deel, maar de winnaars waren Titus Quinctius Flamininus en Marcus Claudius Marcellus. Ook Manius Acilius Glabrio had zich kandidaat gesteld, maar veel mensen hadden een hekel aan hem omdat hij een ‘nieuwe man’ (homo novus) was. Bovendien werd zijn reputatie bezoedeld doordat twee volkstribunen hem ervan beschuldigden dat hij na zijn zege op Koning Antiochos bij Thermopylae een deel van de buit had verduisterd. Marcus Porcius Cato getuigde dat hij gouden en zilveren schatten in het kamp van de koning had gezien die niet waren meegevoerd tijdens Glabrio’s triomftocht van 190 BCE. Cato had als legaat onder Glabrio gediend en zijn gezag was groot. Hij was zelf echter ook kandidaat bij de verkiezing van de censors, waardoor we wel enigszins mogen twijfelen aan de onpartijdigheid van zijn verklaring. Hoewel Glabrio Cato van meineed (periurium) beschuldigde, besloot hij niettemin zich terug te trekken uit de verkiezingen.

De oorlog met Koning Antiochos beëindigd

Koning Antiochos III de Grote (foto: Uploadalt/British Museum).

De zomer was al aangebroken toen gezanten van alle partijen die betrokken waren bij de oorlog tussen Rome en het Seleucidenrijk in Rome arriveerden. Tijdens de gesprekken met de Senaat stak de oude rivaliteit tussen het koninkrijk Pergamum en de handelsrepubliek Rhodos weer de kop op. Koning Eumenes van Pergamum gaf de Romeinen een lesje geschiedenis en verhaalde hoe zijn vader Attalos tot aan zijn dood trouw was geweest aan de Romeinse zaak. Ook deed hij verslag van zijn eigen waardevolle diensten aan Rome. De koning betoogde dat de Romeinen moesten kiezen: ofwel ze annexeerden zelf de gebieden die eerder onder het gezag van Antiochos hadden gestaan, ofwel ze droegen deze gebieden aan hem over zodat hij zijn koninkrijk kon uitbreiden. De Rhodiërs gaven in hun toespraak echter aan dat ze voorstanders waren van het schenken van vrijheid en autonomie aan alle Grieken in Klein-Azië. Zeuxis en Antipatros, de gezanten van de Seleuciden, voerden maar kort het woord.

De Senaat keurde alle voorwaarden goed die Scipio Africanus in Sardis aan de Seleuciden had gedicteerd. Deze werden kort daarna ook door de volksvergadering goedgekeurd. Er werd een commissie van tien mannen (decemviri) ingesteld en naar Azië gestuurd om ter plaatse de details van de vredesovereenkomst in te vullen. Ook moesten de decemviri de consul Vulso bijstaan, die al maanden daarvoor naar zijn provincie was afgereisd. Eumenes werd beloond met gebieden die eerder tot het Seleucidenrijk hadden behoord. De Rhodiërs kregen gebieden in Lycië en Karië en die namen ze maar wat graag in bezit, dit ondanks de ronkende speech over vrijheid die ze eerder hadden gehouden.

Romeins schip op een graftombe in Classe, bij Ravenna (Archeologisch Museum van Ravenna).

Terwijl de decemviri zich klaarmaakten voor vertrek naar Azië kwamen de twee Scipio’s en Lucius Aemilius Regillus, de overwinnaar van Myonnesos, in Brundisium aan. Laatstgenoemde mocht een triumphus navalis houden, een triomftocht voor een overwinning op zee. Zo’n triomftocht was in 260 BCE voor het eerst toegekend. Lucius Scipio verzocht vanwege zijn overwinning in Azië om de bijnaam Asiaticus te mogen voeren. Hij kreeg een gewone triomftocht toegekend. Beide triomftochten werden in de herfst van dit jaar gehouden.

De oorlog in Griekenland

Griekenland was in de tussentijd, bot gezegd, een puinhoop. Twee jaar eerder hadden de Macedoniërs met Romeinse steun Athamanië bezet en Koning Amynandros verdreven. De koning was toen met zijn gezin naar Ambrakia gevlucht. Er was echter veel weerstand tegen de Macedonische overheersing en dit jaar slaagde de koning erin zijn troon te heroveren en de Macedonische garnizoenen te verjagen. De poging van Koning Philippos om de streek weer in te nemen liep op een mislukking uit. Philippos verloor tevens gebied aan de Aetoliërs, die een korte opleving kenden. Toen kregen ze echter bericht dat Koning Antiochos III bij Magnesia was verslagen. Niet veel later kwam daar het nieuws bij dat de Senaat in Rome weigerde vrede te sluiten met de Aetoliërs. De consul Marcus Fulvius Nobilior zou naar Griekenland komen om de oorlog voort te zetten. Het zag er dus beroerd uit voor de Aetoliërs.

Korinthische helm (Allard Pierson Museum, Amsterdam).

De Aetoliërs besloten nog een laatste wanhopige poging te doen het geschil met diplomatie op te lossen. Ze vroegen Rhodos en Athene om te bemiddelen en stuurden ook een nieuwe Aetolische delegatie naar Rome. Alexander de Isiër, die wijd en zijd bekendstond als de rijkste man in heel Griekenland, was één van de gezanten. Zijn persoonlijke vermogen bedroeg meer dan 200 talenten. De Aetoliërs waren in die tijd ook in oorlog met hun buren, de Epiroten. Deze wisten de gezanten gevangen te nemen en eisten een losgeld van vijf talenten per persoon. Alexander vond dat bedrag veel te hoog en weigerde te betalen. Daarop verlaagden de Epiroten het losgeld naar drie talenten, maar dat vond Alexander nog altijd excessief: hij verklaarde slechts één talent te willen betalen. Dit keer had de Isiër geluk: niet veel later hoorden de Romeinen van het lot van de gezanten en gaven hun Epirotische bondgenoten de opdracht hen vrij te laten. Er werd dus geen losgeld betaald en de hebzucht van Alexander bleek in dit geval lonend te zijn.

Het Beleg van Ambrakia

De Epiroten overtuigden de consul ervan om Ambrakia aan te vallen. Ambrakia lag formeel buiten Aetolië, maar de stad was al geruime tijd lid van de Aetolische Bond. De stad was bovendien erg rijk: in de derde eeuw had Koning Pyrrhos van Epirus er zijn hoofdstad gevestigd en hij had een fortuin uitgegeven om de stad hoofdstadwaardig te maken. Met vijf belegeringstorens zette Fulvius Nobilior de aanval op Ambrakia in. Zijn manschappen begonnen met hun stormrammen op de muren in te beuken en gebruikten sikkelvormige wapens om de kantelen af te breken. De Aetolische verdedigers vochten echter dapper terug. Ze probeerden de stormrammen uit te schakelen door er allerhande voorwerpen op te gooien en gebruikten ijzeren haken tegen de sikkels. Daarnaast deden de verdedigers regelmatig uitvallen en vochten schermutselingen uit met de belegeraars. Toen de Romeinen erin slaagden delen van de muren neer te halen, bouwden de Aetoliërs gewoon nieuwe muren achter de bressen. Ambrakia bleek een harde noot om te kraken.

Kaart van Griekenland (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

De consul besloot vervolgens een tunnel te graven om de muren te ondermijnen. De Romeinen konden hier een flink aantal dagen aan werken zonder dat de vijand het doorhad, maar toen zagen de verdedigers ineens een steeds groter wordende hoop aarde. Onmiddellijk namen de Aetoliërs tegenmaatregelen. Ze groeven een loopgraaf die parallel aan hun muren liep en gebruikten bronzen platen (die geluid weerkaatsten) om de Romeinse graafploegen op te sporen. Toen deze waren gelokaliseerd, groeven de Aetoliërs ook zelf een tunnel en binnen korte tijd stuitten de twee graafploegen op elkaar. Hier onder de grond bevochten de Romeinen en Aetoliërs elkaar met speren en gereedschap, maar de ruimte was krap en beide partijen gebruikten grote schilden om zichzelf te beschermen. De Aetoliërs schakelden vervolgens over op chemische oorlogsvoering. Polybius vertelt ons wat er precies gebeurde:

“Op dat moment gaf iemand de belegerden het volgende advies. Ze moesten een vat met dezelfde doorsnee als de mijngang op zijn kant neerleggen, een gat in de bodem ervan boren, daar een ijzeren pijp die even lang was als de hoogte van het vat in steken, het hele vat volstoppen met fijne donsveertjes en een heel klein beetje brandend materiaal in het dons vlak onder de bovenrand van het vat leggen. Dan moesten ze een ijzeren deksel vol gaten om de opening van het vat bevestigen en zo het geheel veilig door de mijngang verder brengen met de openingen in de richting van de vijanden. Wanneer ze in de buurt van de vijanden kwamen, moesten ze de kieren rond de zijkanten van het vat overal goed dichtstoppen op twee openingen aan weerszijden na. Daar moesten ze hun speren doorheen steken om de tegenstanders te beletten bij het vat te komen. Daarna konden ze een smidsblaasbalg aan de ijzeren pijp vastmaken en daarmee het vuur dat bij de opening tussen de donsveren lag stevig aanblazen. De pijp moesten ze telkens naar zich toe trekken naarmate de veren door het vuur werden verteerd. Toen alles volgens deze instructies werd uitgevoerd, ontstond er enorm veel rook, extra prikkelend door de eigenschappen van de veren, en die trok helemaal de vijandelijke gang in. Het gevolg was dat de Romeinen het erg te kwaad kregen en in grote problemen raakten, want ze konden de rookontwikkeling in de onderaardse gangen niet tegengaan, maar de rook evenmin verdragen.”[1]

Romeinse legioensoldaten uit de Keizertijd in testudo-formatie (Zuil van Trajanus, Rome).

De Romeinen werden letterlijk uitgerookt. Toch leidde het koppige verzet van de Aetoliërs enkel tot uitstel van executie. De Achaeïsche en Illyrische bondgenoten van de Romeinen plunderden de Aetolische kust en ook Koning Philippos vormde een ernstige bedreiging voor de Aetolische gebieden. De Aetolische Bond had simpelweg niet genoeg mankracht om op zoveel fronten oorlog te voeren. De Aetoliërs stuurden daarom vanuit Ambrakia gezanten naar de consul, die aanvankelijk niet geneigd was om genadig te zijn. Gelukkig voor de Aetoliërs ontvingen ze diplomatieke hulp van de Rhodiërs en Atheners, en vooral van de halfbroer van de consul, Gaius Valerius Laevinus (de twee mannen hadden dezelfde moeder). Hij was de zoon van de beroemde Marcus Valerius Laevinus, de Romeinse bevelhebber die in 211 BCE als eerste een bondgenootschap tussen de Romeinen en de Aetoliërs had bewerkstelligd. Daardoor was ook een informele relatie ontstaan tussen de gens Valeria en de Aetoliërs die bekendstond als een patrocinium. Op grond van deze relatie waren de Valerii moreel verplicht de Aetoliërs enige vorm van bescherming te geven, hetgeen verklaart waarom de jongere Laevinus bereid was hun zaak te bepleiten.

Ambrakia gaf zich uiteindelijk over aan de Romeinen en het Aetolische garnizoen kreeg een vrije aftocht. Niettemin waren de vredesvoorwaarden die de Aetoliërs werden opgelegd bijzonder hard. Ze moesten onder meer 500 talenten betalen en alle overlopers en krijgsgevangenen overdragen. De mogelijkheden om nieuwe leden tot de Bond toe te laten werden aan banden gelegd. Vervolgens begon de consul met het systematisch leegroven van de stad waarbij alle kunstwerken werden meegenomen. Votiefgeschenken, bronzen en marmeren beelden en schilderijen werden allemaal door de Romeinen in beslag genomen en naar Italië getransporteerd. Korte tijd later keurden de Aetoliërs het vredesverdrag goed en de Romeinen deden dat later dit jaar. Om er zeker van te zijn dat de Aetoliërs zich aan het verdrag zouden houden, werden ze verplicht veertig gijzelaars naar Rome te sturen.

Kreta

Theseus vecht tegen de minotaurus. Rechtsboven zien we de personificatie van Kreta.

Dit jaar zien we het eerste Romeinse optreden op het eiland Kreta. De Romeinse praetor Quintus Fabius Labeo stond aan het hoofd van de Romeinse vloot in de regio, maar omdat Antiochos al op het land en ter zee verslagen was, had hij niet veel te doen. Toen hem bericht werd dat veel Romeinse en Italiaanse krijgsgevangenen op Kreta werden vastgehouden, besloot de praetor naar het eiland te varen, dat hij in een staat van anarchie aantrof. Kydonia (nu de bekoorlijke stad Chania) was verwikkeld in een oorlog tegen Gortys en Knossos. Het is niet helemaal duidelijk wat er vervolgens gebeurde, maar het lijkt erop dat Gortys de krijgsgevangenen vrijwillig overdroeg. De stad zou later de hoofdstad van het Romeinse Kreta worden. De andere Kretenzische steden weigerden aanvankelijk mee te werken, maar mogelijk hebben ze later de gevangenen alsnog vrijgelaten toen de praetor met geweld dreigde.

Vulso’s veldtocht tegen de Galaten

De andere consul, Gnaeus Manlius Vulso, was aan het begin van de lente in Ephesos aangekomen. Daar had hij het bevel over het leger van Lucius Scipio overgenomen en het aan een rituele reiniging onderworpen, de zogenaamde lustratio. Vervolgens begon de consul aan zijn veldtocht tegen de Keltische stammen van Klein-Azië, de Galaten. Er waren verschillende redenen voor deze veldtocht, sommige overtuigender als casus belli dan andere. De Galaten waren in de vroege derde eeuw BCE naar Klein-Azië getrokken. Koning Nikomedes I van Bithynië had ze uitgenodigd om vanuit Thracië naar Klein-Azië over te steken om als hulptroepen in zijn leger te dienen. Later hadden de Galaten zich gevestigd in de streek die naar hen Galatië werd genoemd. Al snel ontpopten ze zich tot grote lastposten. Ze terroriseerden hun buren en dwongen hen om schattingen te betalen. Het is in dit verband veelzeggend dat zowel de Seleucidische koning Antiochos I (281-261 BCE) als Koning Attalos I van Pergamum (241-197 BCE) na overwinningen op deze stammen de bijnaam Soter (“Redder”) kregen.

Kaart van Klein-Azië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Toen Vulso zijn veldtocht tegen de Galaten begon, was de Keltische dreiging waarschijnlijk al decennia voorbij. Niettemin moedigde Koning Eumenes van Pergamum de Romeinen enthousiast aan om de Galaten te bestrijden opdat ze nooit meer een bedreiging zouden kunnen vormen. Attalos en Athenaios, de broers van Eumenes, zouden de consul tijdens zijn veldtocht vergezellen. Een iets overtuigendere rechtvaardiging voor het Romeinse offensief was het feit dat de stammen troepen hadden geleverd aan Koning Antiochos en dat die bij Magnesia hadden meegevochten. Hiervoor moesten ze gestraft worden. De meest doorslaggevende reden voor de veldtocht lijkt echter te zijn geweest dat de consul roem wilde vergaren. De hele regio moest een volgende demonstratie te zien krijgen van de Romeinse militaire macht.

Hoewel het moeilijk is om de route die het Romeinse leger nam te reconstrueren, is het wel duidelijk dat Vulso’s veldtocht een groot succes was. Terwijl de consul door Pisidië en Pamphylië trok, richtte hij zich zeker niet alleen op de Galaten. Zo troggelde de consul 100 talenten en 10.000 medimnoi[2] tarwe af van een zekere Moagetes, de lokale en niet zo machtige tiran van Kibyra. Vulso had de man eerst vernederd door het enorme bedrag van 500 talenten te eisen en te dreigen de gebieden van de tiran te verwoesten als hij weigerde te betalen. Moagetes had de consul moeten smeken om zijn eisen af te zwakken. De Romeinen deden wat ze deden simpelweg omdat ze het kónden doen.

De Slag bij de Berg Olympus

Vulso’s eerste contact met de Galaten was met een zekere Eposognatus. Hij was een stamhoofd van een tak van de Tolistobogii, een van de drie belangrijkste stammen van de Galaten. Anders dan veel van de andere stamhoofden was deze Eposognatus trouw gebleven aan zijn bondgenoot Koning Eumenes en had hij geen troepen geleverd aan de Seleucidische koning. Eposognatus bood aan als bemiddelaar voor de Romeinen op te treden. De Tolistobogii weigerden echter te onderhandelen en namen hun vrouwen en kinderen mee naar een berg genaamd de Olympus, waarvan de precieze locatie niet bekend is. Een aantal Galatische ruiters zocht de confrontatie op met de Romeinen, maar na enig succes tegen de Romeinse voorposten werden ze met grote verliezen teruggedreven. De Romeinen trokken nu verder naar het noorden en bereikten Pessinus, waar een beroemd heiligdom van de Moeder van de Ida stond (Mater Idaea; zie 205 BCE). De heiligdom was in handen van de Galaten en het is waarschijnlijk geen toeval dat de gecastreerde priesters (eunuchen) van de Moeder bekendstonden als Galli. Vervolgens bereikten de Romeinen Gordium, waar Alexander de Grote de spreekwoordelijke Gordiaanse Knoop zou hebben doorgehakt.

De zogenaamde Ludovisi Galliër, een Galaat die zelfmoord pleegt (Palazzo Altemps, Rome).

De onbekende Berg Olympus moet ergens in de buurt van Gordium liggen. De Tolistobogii hadden versterking gekregen van het leger van de Trocmi, de tweede grote Galatische stam, en samen hadden de stammen een zeer sterke positie ingenomen op het hooggelegen terrein. Vulso zag de confrontatie echter met vertrouwen tegemoet en was wellicht zelfs een beetje overmoedig geworden. Terwijl hij met een deel van zijn ruiterij de Galatische posities verkende, was hij namelijk verjaagd door Galatische ruiters. De consul realiseerde zich dat vanwege het terrein dit een gevecht van de infanterie zou worden. Hij liet zijn cavalerie en olifanten achter in de vallei, verdeelde zijn leger in drie delen en trok op naar de vijandelijke posities. De Romeinse lichte troepen zorgden voor grote chaos in de Keltische slaglinie. Vulso had zijn velites samen met zijn Kretenzische boogschutters en Trallische en Thracische slingeraars vooruitgestuurd. Veel Galaten vochten zonder lichaamsbescherming, dus met ontblote borst, en hun schilden boden onvoldoende bescherming tegen de Romeinse werpspiesen, pijlen en slingerkogels. De Romeinen brachten de vijand van een afstand grote verliezen toe. En als de Galaten dan hun opstelling verbraken en naar voren stormden, waren de velites meer dan bereid om hen weer terug te slaan met hun Spaanse zwaarden.

Feitelijk was de veldslag al gewonnen door de lichte troepen toen de zware infanterie van de Romeinen eindelijk de top van de berg bereikte. De Galaten hadden zich teruggetrokken in hun kamp, dat nu werd bestormd en ingenomen door de legioensoldaten. De Kelten die van de berg naar de vallei vluchtten, werden gedood of gevangen genomen door de Romeinse cavalerie. Minstens 10.000 Galaten werden gedood, en wellicht nog meer. Zo’n 40.000 mensen, vooral vrouwen en kinderen, werden gevangen genomen en als slaven verkocht. Twee van de drie Galatische stammen waren nu verslagen. De derde stam, de Tectosages, had zich teruggetrokken naar de Berg Magaba, niet ver van Ancyra (het huidige Ankara, de hoofdstad van Turkije). Het was drie dagen lopen naar Ancyra, dus de consul verzamelde snel zijn leger en rukte op richting het oosten.

De Slag bij de Berg Magaba

In dit verband vertellen Polybius, Livius en Plutarchus allemaal het verhaal van Chiomara, de beeldschone vrouw van een Galatisch stamhoofd. Zij was gevangen genomen door de Romeinen en verkracht door een Romeinse centurion. De centurion probeerde haar vervolgens aan haar eigen familie te verkopen voor het enorme bedrag van één talent. Terwijl hij onderhandelde met een aantal van haar familieleden, gaf Chiomara hun de opdracht de centurion te onthoofden. Dat deden zo ook, waarna de vrouw het afgehakte hoofd meenam naar haar echtgenoot, die zich – volgens Plutarchus – erover beklaagde dat ze te kwader trouw had gehandeld. Chiomara zou daarop hebben geantwoord dat het toch beter was dat er nog maar één man die met haar geslapen had in leven was. Polybius beweert dat hij deze Chiomara in Sardis heeft ontmoet.

Gesneuvelde Galaat (Museo Archeologico, Venetië).

Vulso had nu het gebied van de Tectosages bereikt en ontving onderhandelaars die naar zijn kamp waren gestuurd. Er werd afgesproken dat de consul de volgende dag een ontmoeting zou hebben met de stamhoofden in het niemandsland tussen hun respectieve kampen, maar uiteindelijk kwamen de Galaten niet opdagen, naar eigen zeggen om religieuze redenen. Vervolgens werd een gesprek ingepland tussen Attalos voor de Romeinen en enkele Galatische edellieden. Omdat noch de consul, noch de Galatische stamhoofden aanwezig waren, kon er echter geen overeenkomst worden gesloten. De volgende dag zou een derde ontmoeting plaatsvinden. De Galaten hadden de vertraging gebruikt om een deel van hun gezinnen en bezittingen te evacueren, maar nu hadden ze plannen gemaakt om de consul in een hinderlaag te lokken. Toen Vulso de volgende dag op kwam dagen, werden hij en zijn 500 ruiters aangevallen door een veel grotere strijdmacht van Galatische cavalerie. Aanvankelijk werden de Romeinen op de vlucht gejaagd, maar de consul werd uiteindelijk gered door 600 man aan versterkingen. Deze ruiters waren eigenlijk op pad gestuurd om de Romeinse foerageurs te beschermen die in de omgeving voorraden verzamelden, maar nu stormden ze op de Galaten af en maaiden ze neer. Ook de foerageurs keerden terug van de velden en mengden zich in de strijd. Vele Kelten sneuvelden.

De Romeinen waren woedend over het verraderlijke gedrag van de Galaten. Deze hoefden nu niet meer op genade te rekenen. Vulso rukte op naar de Berg Magaba en verdeelde zijn leger in vier aanvalsgroepen. Tegenover hem stonden niet allen de Tectosages, maar ook troepen van Koning Ariarathes IV van Cappadocië. De koning was getrouwd met een dochter van de Seleucidische koning Antiochos III en op grond daarvan had Ariarathes zijn schoonvader met troepen bijgestaan tijdens de Slag bij Magnesia. Nu steunde hij de Galaten en dat zouden de Romeinen hem betaald zetten. De Slag bij de Berg Magaba was min of meer een kopie van de Slag bij de Berg Olympus. De Tectosages werden vernietigend verslagen. De slag leverde de Romeinen vele gevangenen en grote hoeveelheden buit op en de overlevenden smeekten de Romeinse bevelhebber om vrede. Omdat het inmiddels al herfst was, besloot Vulso zich naar Ephesos aan de kust terug te trekken, waar het klimaat milder was.

Bronnen

Primaire bronnen

Noten

[1] Polybius 21.28 (vertaling: Wolther Kassies).

[2] Een medimnos is ongeveer 52 liter.

3 Comments:

  1. Pingback:Het Proces tegen Lucius Scipio: Het Jaar 187 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback:De Romeins-Syrische Oorlog: Het Jaar 190 BCE – – Corvinus –

  3. Pingback:De Vrede van Apameia: Het Jaar 188 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.