De Annalist: De Jaren 242-241 BCE

Samenvatting

  • Het aantal praetors wordt verhoogd van één naar twee (242 of 241 BCE);
  • De Romeinen bouwen nogmaals een nieuwe vloot (242 BCE);
  • De consul Gaius Lutatius Catulus belegert Drepana met zijn leger en vloot;
  • Catulus behaalt een beslissende overwinning op de Carthagers in de Zeeslag bij de Egadische Eilanden (241 BCE);
  • Rome en Carthago sluiten een vredesverdrag; einde van de Eerste Punische Oorlog;
  • Sicilië wordt de eerste Romeinse provincie.

Op 15 maart 242 BCE begonnen twee nieuwe consuls aan hun ambtstermijn. Hun namen waren Gaius Lutatius Catulus en Aulus Postumius Albinus. Het lijkt erop dat aanvankelijk de laatstgenoemde, een patriciër, de leiding had gekregen over de oorlog op Sicilië, maar er was een probleem met zijn religieuze status. Albinus was namelijk ook de flamen Martialis, de priester van Mars. Het betrof hier een oeroud priesterschap dat uitsluitend kon worden bekleed door mannelijke leden van patricische Romeinse families. Bij de functie hoorden verschillende religieuze verboden. De belangrijkste van deze taboes was dat de flamen Martialis de stad Rome niet mocht verlaten. De pontifex maximus, Lucius Caecilius Metellus (de consul van 251 BCE), was niet bereid dispensatie te verlenen, zelfs niet in oorlogstijd. Het commando over de Romeinse legers ging daarom over op Catulus, een plebejer en een ‘nieuwe man’ (homo novus).

Een nieuwe man en een nieuwe vloot

Het was waarschijnlijk ook rond deze tijd dat de Romeinen besloten het aantal praetors te verhogen van één naar twee. De magistraten die we ‘consuls’ noemen, heetten oorspronkelijk ook praetors, maar het praetorschap waarop ik hier doel werd ingesteld door de Lex Licinia Sextia van 367 BCE. De praetor was een magistraat die belast was met de rechtspleging in de stad. Later kreeg hij er ook militaire taken bij, bijvoorbeeld als de Romeinen een extra bevelhebber nodig hadden. We zien hem dan vaak één legioen en één ala van de bondgenoten aanvoeren, ongeveer een half consulair leger.

Baal Hammon, een van de voornaamste goden in Carthago (Bardo Museum).

Zonaras, de excerptor van het werk van Cassius Dio, stelt dat de Carthaagse aanvoerder Carthalo ooit een raid in Italië afbrak toen de praetor urbanus met zijn leger naderde. Dit incident vond plaats in 248 BCE en geeft aan dat de tweede praetor rond deze tijd werd gecreëerd, of misschien een paar jaar later (bij Zonaras kan sprake zijn van anachronistisch gebruik van de term praetor urbanus). De tweede praetor heette de praetor peregrinus en hij was belast met de rechtspleging in zaken waarbij niet-Romeinen (peregrini; ‘vreemdelingen’) betrokken waren. In 242 BCE kreeg ook de praetor peregrinus Quintus Valerius Falto[1] een militair commando toegewezen. Hij werd als onderbevelhebber van de consul Catulus naar Sicilië gestuurd.

Op Sicilië hadden de Carthagers nog steeds Drepana, Lilybaeum en de stellingen van Hamilcar op de berg Eryx in handen. De Romeinen realiseerden zich wederom dat ze, om de patstelling te doorbreken, schepen nodig hadden. Voor de derde keer besloten ze een geheel nieuwe vloot te bouwen. De schatkist was op dat moment helemaal leeg, maar rijke Romeinse burgers waren bereid de benodigde financiële middelen of garantstellingen te verschaffen. Polybius schrijft hierover:

“Er waren (…) niet voldoende middelen in de staatskas aanwezig voor dit plan, maar door de inzet voor het algemeen belang van de vooraanstaande Romeinen en hun karaktervastheid vond men de middelen voor de verwezenlijking. Naar gelang hun materiële armslag stelden zij zich individueel of in combinaties van twee of drie mensen garant voor de levering van een volledig uitgeruste quinquereem, op voorwaarde dat zij hun kosten zouden terugontvangen als de zaken gunstig verliepen.” (vertaling: Wolther Kassies)

Op deze manier werd in korte tijd een vloot van 200 quinqueremen gebouwd. Volgens Polybius waren deze nieuwe ‘vijven’ gebaseerd op het ontwerp van het schip van Hannibal de Rhodiër, dat in 250 BCE was buitgemaakt. Of dit verhaal nu waar is of niet, het is duidelijk dat de Romeinse schepen van veel betere kwaliteit was en bovendien veel sneller dan de schepen die de Romeinen in hun eerdere vloten hadden opgenomen.

De Carthagers hadden in de tussentijd juist hun vloot verwaarloosd en al hun schepen teruggetrokken naar Afrika. Ze waren dan ook compleet verrast toen Catulus in de Siciliaanse wateren verscheen en bliksemsnel de haven van Drepana en enkele dokken of ankerplaatsen bij Lilybaeum innam. Catulus begon daarop met het beleg van Drepana, maar hij hield tegelijkertijd de Carthaagse activiteiten op zee scherp in de gaten aangezien de Carthaagse vloot zeker terug zou keren. De consul liet de bemanningen van zijn schepen dagelijks oefenen en maakte van hen gedisciplineerde en ervaren zeelieden en deksoldaten.

De Zeeslag bij de Egadische Eilanden

Kaart van Sicilië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

De Carthagers maakten hun schepen klaar en voeren naar Sicilië. Veel van hun schepen waren beladen met graan en andere voorraden voor Hamilcars troepen op de berg Eryx. Dit maakte de schepen zwaar en lastiger te besturen tijdens een zeeslag. De Carthaagse bevelhebber Hanno liet zijn schepen bij het Heilige Eiland bij de Egadische Eilanden voor anker gaan. Zijn plan was om te wachten op een gunstige wind en vervolgens naar de smalle kuststrook te varen die Hamilcar als een natuurlijke haven gebruikte. Daar konden dan de voorraden worden uitgeladen, waarna Hanno Hamilcars beste soldaten als mariniers aan boord kon nemen. Pas daarna zou de Carthaagse vloot de strijd aangaan met de Romeinse schepen.

Hanno’s plan was afhankelijk van geheimhouding en verrassing, maar het werd ontdekt door Catulus. Deze voer meteen naar het eiland Aigousa, dat tegenover Lilybaeum lag. Op 10 maart 241 BCE woei er een wind die gunstig was voor de Carthagers. Catulus zat daardoor met een dilemma. Als hij de Carthaagse vloot zou onderscheppen en aanvallen, dan zou zijn vloot last hebben van de tegenwind en de ruwe zee. Maar als hij niet zou aanvallen, dan gaf hij de Carthagers de mogelijkheid zich te verenigen met Hamilcar. De voorraden konden dan van boord gehaald worden en ervaren versterkingen worden ingescheept. De Romeinse bevelhebber besloot uiteindelijk om de strijd aan te gaan en dat was een goede gok. De Romeinse bemanningen waren beter getraind en meer ervaren dan hun Carthaagse tegenstanders. De beste legioensoldaten vochten als mariniers vanaf het dek, terwijl de Carthaagse deksoldaten nog maar kort geleden in dienst waren genomen. En dan waren de Carthaagse schepen ook nog eens veel te zwaar belast vanwege alle voorraden.

De Zeeslag bij de Egadische Eilanden eindigde met een beslissende overwinning voor Rome. Polybius beweert dat 50 Carthaagse schepen tot zinken werden gebracht en 70 buitgemaakt, waarna de overgebleven schepen hun masten oprichtten en met behulp van de inmiddels gedraaide wind terug zeilden naar het Heilige Eiland. De Romeinen namen 10.000 tegenstanders gevangen. Iets andere cijfers vinden we in het beknopte verslag van de zeeslag dat Diodorus Siculus ons heeft nagelaten. Hij baseerde zich gedeeltelijk op de pro-Carthaagse historicus Philinus. De Romeinen verloren tijdens de slag natuurlijk ook schepen en manschappen, maar hun overwinning kwam nimmer in gevaar.

Het einde van de oorlog

De Carthagers konden nu niet anders dan vrede sluiten met de Romeinen. Mogelijk sloegen ze eerst de onfortuinlijke bevelhebber Hanno aan het kruis, ontevreden als ze waren met zijn prestaties. Daarna stuurden ze gezanten naar Hamilcar op de berg Eryx, die carte blanche kreeg om eerst een wapenstilstand te sluiten en vervolgens een vredesverdrag uit te onderhandelen. Catulus was bereid vrede te sluiten op de volgende voorwaarden: de Carthagers moesten heel Sicilië ontruimen, ze mochten geen oorlog beginnen tegen Hiero en de Syracusanen of hun bondgenoten, ze moesten alle krijgsgevangen Romeinen en Romeinse bondgenoten vrijlaten zonder dat losgeld betaald hoefde te worden en ze moesten de Romeinen een schadevergoeding van 2.200 Euboeïsche talenten betalen over een periode van 20 jaar.

Het huidige Forum Romanum.

Dit waren harde voorwaarden, maar Hamilcar vond ze acceptabel. De Romeinse volksvergadering besloot echter nog een beetje meer sap uit de citroen te persen. De comitia centuriata verwierp het vredesverdrag en stuurde een commissie van tien man (decemviri) naar Sicilië om een betere overeenkomst te krijgen. Daarop werden nog enkele bepalingen aan het verdrag toegevoegd. De schadevergoeding werd verhoogd naar 3.200 talenten, die binnen 10 jaar betaald moesten worden. De Carthagers moesten voorts alle eilanden tussen Italië en Sicilië verlaten (maar Sardinië werd niet genoemd!).

De Carthagers hadden geen andere keus dan akkoord te gaan met deze voorwaarden. De comitia centuriata keurde het verdrag vervolgens goed. Daarmee was de Eerste Punische Oorlog ten einde. Sicilië – minus de gebieden van Syracuse – werd nu de eerste Romeinse provincie. Later zou het bestuurd worden door een praetor, en mede om deze reden verhoogden de Romeinen het aantal praetors in 227 BCE van twee naar vier. Hamilcar was nog steeds ongeslagen. Hij liet zijn troepen naar Lilybaeum trekken en legde daar het bevel neer. Anderen mochten de troepen terug naar hun vaderland brengen. De Carthagers zouden spoedig verwikkeld raken in een oorlog op leven en dood met deze soldaten, in een conflict dat bekendstaat als de Huurlingenoorlog.

Gaius Lutatius Catulus en de praetor Quintus Valerius Falto mochten beiden voor hun zege een triomftocht houden. Volgens een latere traditie, die we bij Valerius Maximus en Zonaras aantreffen, zou Catulus gewond zijn geraakt tijdens het beleg van Drepana en zou het eigenlijk Falto zijn geweest die het bevel voerde tijdens de Zeeslag bij de Egadische Eilanden. Falto zou daardoor de overtuiging hebben gehad dat hij de triomftocht méér verdiende dan de consul. Dit verhaal wordt echter niet genoemd door Polybius, die ook de praetor helemaal niet noemt. Hoe dit alles ook zij, beide mannen mochten een triomftocht houden voor het beëindigen van deze oorlog, die wel zonder einde leek en de Romeinen zo ontzettend veel gekost had.

Bronnen

Primair

– Cassius Dio, Roman History, Fragments of Book XII (met tekst van Zonaras);
– Diodorus Siculus, Library of History, Fragments of Book XXIV;
– Livius, Periochae, Book 19;
– Polybius, The Histories, Book 1.59-1.64.

Secundair

– Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 122-129;
– Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 195-196.

Noot

[1] In de tekst van Zonaras heet hij Quintus Valerius Flaccus. Zonaras beweert trouwens ook dat hij de praetor urbanus was.

One Comment:

  1. Pingback: De Annalist: De Jaren 241-238 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.