De Annalist: De Jaren 248-243 BCE

Samenvatting

  • Hamilcar Barcas landt op Sicilië en begint daar vanaf de berg Hercte een guerrillaoorlog tegen de Romeinen (247 BCE);
  • Stichting van Romeinse kolonies bij Fregenae en Alsium en een Latijnse kolonie bij Brundisium (245 BCE);
  • Hamilcar Barcas verovert de stad Eryx en zet zijn guerrilla van daaruit voort (244 BCE).

Tijdens de laatste jaren van de Eerste Punische Oorlog was er vooral sprake van kleinschalige gevechten en raids. De Romeinen meden de zee en richtten zich op de landoorlog, maar ze slaagden er niet in de laatste Carthaagse bolwerken Drepana en Lilybaeum in het westen van Sicilië in te nemen. De Carthagers waren op hun beurt niet in staat de Romeinen echt pijn te doen, ook al stuurden ze een van hun meest capabele bevelhebbers naar het eiland toe.

Hamilcar Barcas

De consuls voor het jaar 248 BCE, Gaius Aurelius Cotta en Publius Servilius Geminus, slaagden er niet in ook maar iets te bereiken op Sicilië. Ze beperkten zich tot prikaanvallen in de buurt van Drepana en Lilybaeum en het belemmeren van Carthaagse plundertochten in de gebieden van de Romeinse bondgenoten. De Carthaagse bevelhebber Carthalo probeerde een raid in Italië uit te voeren, maar had daarbij geen succes. Misschien kwam het door deze mislukking, maar nog veel meer vanwege problemen met de huurlingen in zijn leger dat Carthalo later vervangen werd door Hamilcar Barcas. Hamilcar stond aan het hoofd van maar een klein leger en een kleine vloot, maar zijn manschappen waren zeer ervaren en uiterst gemotiveerd. De Carthager beheerste de guerrillaoorlog tot in de finesses en de Romeinen zouden er nooit in slagen hem te verslaan. Hamilcar deed zijn bijnaam ‘Barcas’ beslist eer aan: deze naam betekent ‘bliksem’ of ‘flits’.

Monte Pellegrino (foto van Giorgio Sommer, vóór 1914).

Hamilcar nam waarschijnlijk in 247 BCE het commando over, het jaar waarin de Romeinen en Koning Hiero van Syracuse een verdrag van eeuwige vriendschap sloten. De Carthager voer eerst met zijn kleine vloot naar Italië en plunderde daar het gebied rond Locris en het gebied van de Bruttii. Vervolgens voer hij terug naar Sicilië en nam daar de berg Hercte (of Heirkte; mogelijk de huidige Monte Pellegrino) ten noorden van Panormus in. Strategisch bezien was dit een uitstekende positie. De genoemde berg is 600 meter hoog en vanaf de top heeft men een panoramisch uitzicht over Panormus (het huidige Palermo), dat in Romeinse handen was. De Carthagers konden gebruik maken van de vruchtbare weiden om hun eigen voedsel te verbouwen, zodat ze feitelijk zelfvoorzienend waren. Ten noorden van de berg was een haven, die Hamilcar en zijn mannen gebruikten voor nog meer raids in Italië. Tijdens sommige van deze tochten bereikten de Carthagers zelfs Cumae in Campania.

De consuls Lucius Caecilius Metellus en Numerius Fabius Buteo legerden troepen tegenover de Carthaagse stellingen. De partijen waren aan elkaar gewaagd: de een kon de ander niet verslaan en vice versa. Dagelijks waren er verrassingsaanvallen en tegenaanvallen, hinderlagen en schermutselingen. Dit ging zo door totdat Hamilcar zo’n drie jaar later een andere locatie voor zijn acties koos. Polybius vergeleek de oorlog bij de berg Hercte met een bokswedstrijd.

Verdere oorlogshandelingen

De Romeinen hadden zich voorlopig teruggetrokken van de zee, maar ze stonden tegelijkertijd wel particulieren toe om als kapers de kust van Afrika te plunderen. Erg veel succes lijken deze piratentochten niet te hebben opgeleverd, hoewel Zonaras een bijzonder spectaculaire aanval op de stad Hippo noemt, vermoedelijk Hippo Diarrhytos, niet ver van Carthago. De consul Buteo veroverde het kleine eiland Pelias nabij Drepana en gebruikte het voor acties om meer druk op Drepana zelf te zetten. Met het bovenstaande zijn de oorlogshandelingen van de jaren 247-245 BCE wel samengevat, waarbij Zonaras zelfs opmerkt dat “verschillende personen tot consul werden gekozen, maar niets presteerden wat de moeite van het opschrijven waard was”.

Resten van de Tempel van Venus (foto: Norbert Nagel, CC BY-SA 3.0 licentie).

De situatie veranderde toen Hamilcar Barcas in 244 BCE besloot de berg Hercte te verlaten. De Carthager verzamelde zijn leger en vloot, voer westwaarts langs de kust en slaagde erin de stad Eryx op de helling van berg Eryx in te nemen. De Romeinen hadden sterke garnizoenen aan de voet en bij het heiligdom op de top van de berg gelegerd, maar niet in de stad zelf. Hamilcar glipte gemakkelijk langs het garnizoen aan de voet, bezette de stad (waarvan de bevolking reeds in 260 BCE door de Carthagers was geëvacueerd) en vestigde er zijn nieuwe hoofdkwartier.

De Romeinen die op de top van de berg gelegerd waren, bemerkten nu plotsklaps dat ze belegerd werden. Ze hadden echter een goed verdedigbare stelling in handen en wisten iedere aanval van de Carthagers af te slaan. Op de een of andere manier slaagden de Romeinen erin voldoende voorraden bij de troepen die de tempel verdedigden te krijgen. Hamilcars troepen waren zwaar afhankelijk van een smalle strook land nabij de zee die ze beheersten. Ze verdedigden de enige weg die hierheen leidde dan ook met hun leven. Wederom bestonden de oorlogshandelingen uit raids, schermutselingen en hinderlagen. Aan beide kanten sneuvelden soldaten, vielen gewonden en werden mensen gevangen genomen, maar net als bij de berg Hercte waren de partijen aan elkaar gewaagd. Ze slaagden er niet in de ander te slim af te zijn of te overklassen. De oorlog zou zich nog eens twee jaar langer voortslepen.

Andere gebeurtenissen

Tijdens de hier besproken jaren waren er geen gewapende conflicten tussen de Romeinen en de verschillende volkeren van Italië. De Romeinen stichtten een aantal nieuwe kolonies, een belangrijk onderdeel van hun expansiestrategie. Onze bronnen maken melding van kolonies bij Fregenae in Etruria en bij Brundisium (het huidige Brindisi). Ook een kolonie bij Alsium wordt genoemd.

Bronnen

Primair

– Cassius Dio, Roman History, Fragments of Book XII (met tekst van Zonaras);
– Diodorus Siculus, Library of History, Fragments of Book XXIV;
– Polybius, The Histories, Book 1.56-1.58.

Secundair

– Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 95;
– Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 133 en p. 193-195.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.