De Annalist: Het Jaar 249 BCE

Samenvatting

  • De consul Publius Claudius Pulcher lijdt een beschamende nederlaag tegen de Carthagers in de Zeeslag bij Drepana;
  • Pulcher moet hiervoor terechtstaan en krijgt een boete opgelegd;
  • De andere consul, Lucius Junius Pullus, verliest het grootste gedeelte van zijn vloot in een storm;
  • Pullus slaagt erin de berg Eryx bij Drepana in te nemen;
  • Aulus Atilius Calatinus wordt tot dictator benoemd en wordt de eerste dictator die een Romeins leger buiten Italië leidt.

Het jaar 249 BCE was zonder enige twijfel voor de Romeinen het meest desastreuze jaar van de hele Eerste Punische Oorlog. Twee Romeinse vloten werden vrijwel geheel vernietigd en het verlies aan mensenlevens bij deze tragedies was simpelweg afschuwelijk. Maar ondanks deze ernstige tegenslagen wisten de Romeinen zich te herstellen en de oorlog voort te zetten.

De Zeeslag bij Drepana

Een van de consuls van dit jaar, Publius Claudius Pulcher, was betrokken bij het zich voortslepende beleg van Lilybaeum. Hij had zo’n 10.000 zeelieden als versterkingen ontvangen en besloot met de vloot een aanval te doen op de stad Drepana, die iets verder naar het noorden lag. Zonaras stelt dat Carthaagse ruiters vanuit Drepana de Romeinse bevoorradingslinies doorsneden en invallen deden in de gebieden van de Romeinse bondgenoten. Dit zou een van de redenen voor Pulcher kunnen zijn geweest om de stad aan te vallen. Ze was een van de laatste bolwerken van Carthago op het eiland en prima facie lang niet zo’n moeilijk doelwit als Lilybaeum. Als de consul erin zou slagen de omvangrijke Carthaagse vloot die hier voor anker lag te verslaan en vervolgens de stad in te nemen, dan zouden de Carthagers nog maar een klein hoekje van Sicilië beheersen. Dat zou de oorlog in elk geval verkorten en wellicht zelfs beëindigen. Zoals iedere andere Romeinse magistraat met een leger tot zijn beschikking was de consul natuurlijk ook uit op het behalen van roem.

Publius Claudius Pulcher was een telg uit een oud patricisch Romeins geslacht (gens). De mannelijke leden van deze clan stonden bekend om hun mooie gelaatstrekken – ‘Pulcher’ betekent zoiets als ‘mooie jongen’ – maar ook om hun arrogantie en minachting van het gewone volk. De consul voer langs de kust met zijn vloot van zo’n 120 schepen. Hoewel de schepen niet helemaal hun formatie wisten te behouden – Pulcher was zijn operatie kort na middernacht begonnen – slaagden de Romeinen er aanvankelijk in hun tegenstanders compleet te verrassen. Ze hadden de zege voor het oprapen, maar de Carthaagse aanvoerder Adherbal wist het hoofd koel te houden en adequaat te reageren. Het lukte Adherbal om zijn zeelieden en deksoldaten te verzamelen en ze allemaal aan boord van de schepen te laten gaan. De eerste Romeinse schepen voeren reeds de haven van Drepana binnen, maar de Carthaagse bevelhebber slaagde erin al zijn schepen juist de haven uit te krijgen door ze dicht langs de rotsen aan de andere kant van de haven te laten varen.

Drepana (het huidige Trapani; foto: ChrisO, CC BY-SA 3.0 licentie).

Nu ontstond er grote verwarring bij de Romeinen. De Carthaagse schepen konden zich buiten de haven op de open zee gemakkelijk in slagorde opstellen. Ze hadden daar immers alle ruimte om te manoeuvreren. De Romeinse situatie was daarentegen verre van ideaal. Sommige schepen bevonden zich al in de haven, andere in de havenmond en weer andere voeren nog langs de kust. De schepen in of bij de haven moesten omkeren en weer naar buiten varen om de strijd met de vijand aan te gaan. Daarbij botsten ze vaak met andere Romeinse schepen. In de chaos werden roeispanen afgerukt en scheepsrompen beschadigd.

De Romeinen probeerden nog iets van een slaglinie te formeren, maar hun positie was allesbehalve gunstig. De Carthaagse schepen waren van betere kwaliteit en hun bemanningen hadden meer ervaring. De 10.000 versterkingen aan Romeinse kant waren daarentegen nog groentjes. De Carthaagse positie stelde hen in staat de Romeinse linie binnen te varen en zich vervolgens terug te trekken richting de open zee als ze het zwaar te verduren kregen. De Romeinen hadden geen ruimte voor zulke manoeuvres. Hun schepen lagen met de achterstevens te dicht bij de kust en ze liepen het risico op zandbanken aan de grond te lopen of aan gruzelementen te worden geslagen tegen de rotsen.

De Romeinen weerden zich fel, maar ze werden overklast door hun tegenstanders. Ten slotte vluchtte de consul Pulcher met slechts 30 van zijn schepen. De Romeinen verloren 93 schepen en hun verliezen aan mensenlevens moeten zwaar zijn geweest. Duizenden zeelieden en soldaten werden gedood of gevangen genomen. Diodorus Siculus beweert dat er 20.000 slachtoffers waren, maar het is niet duidelijk of hij daarbij de zeelieden en deksoldaten meerekent die gevangen werden genomen. Ook beweert hij dat de Romeinen 117 van hun 210 schepen verloren. Sommige bemanningen lieten hun schip simpelweg aan de grond lopen en probeerden dan via het land te ontkomen. We hebben geen informatie over de Carthaagse verliezen, maar het is niet waarschijnlijk dat die erg zwaar waren. Alles overziend was de Zeeslag bij Drepana een smadelijke nederlaag voor Rome. Ook was de slag de enige beslissende overwinning ter zee voor de Carthagers gedurende de gehele oorlog.

Meer rampen op zee

Asclepius, de Romeinse god van de geneeskunde (Capitolijnse Musea, Rome).

Helaas voor de Romeinen werd het allemaal nog veel erger. De Carthaagse aanvoerder Carthalo viel de Romeinse schepen aan die bij Lilybaeum deelnamen aan de belegering van de stad. Het was waarschijnlijk maar een beperkte aanval, maar groot genoeg om paniek in het Romeinse kamp te veroorzaken. Carthalo voer vervolgens naar Heraclea. Hij had geruchten opgepikt dat een Romeinse transportvloot onderweg was naar Lilybaeum met voorraden voor het Romeinse leger. Zijn orders waren om die vloot te onderscheppen. Waarschijnlijk werd het leger dat Lilybaeum belegerde op dat moment geleid van legaten van Claudius Pulcher terwijl de bevoorradingsvloot, bestaande uit honderden transportschepen en 120 oorlogsschepen, onder het opperbevel van de andere consul, Lucius Junius Pullus, viel.

Pullus had aanvankelijk besloten zelf achter te blijven in Syracuse en twee quaestors de instructie gegeven om Kaap Pachynus te ronden met de helft van de transportschepen en een klein escorte. Lichte schepen – zogenaamde lemboi – die voor de quaestors uitvoeren, stuurden hun superieuren waarschuwingen over de komst van de Carthaagse vloot. De quaestors besloten het niet op een treffen te laten aankomen en voeren een baai binnen nabij een versterkte stad die aan de kant van de Romeinen stond. Ze verzamelden enkele ballistae en wat andere stukken geschut uit het stadje en wachtten op de komst van de vijand. Carthalo slaagde erin slechts een paar transportschepen buit te maken. Vervolgens voer hij weer weg en wachtte op een veilige locatie totdat de Romeinen uit hun schuilplaats zouden komen.

De Romeinse vloot leek voorlopig veilig te zijn. Toen echter voer de consul, die in het geheel niet op de hoogte was van wat er met de quaestors en hun schepen was gebeurd, ook om Kaap Pachynus heen. Toen hij de Carthaagse schepen zag naderen, was Pullus bang voor de confrontatie en liet al zijn schepen voor anker gaan voor een gevaarlijk stuk van de kust. Carthalo en zijn kapiteins waren goed op de hoogte van de gevaren. Zij hadden grondige kennis van de zuidkust van Sicilië en wisten donders goed van de stormen die in dit gedeelte van de Middellandse Zee voorkomen. De Carthagers slaagden erin al hun schepen veilig om Kaap Pachynus heen te krijgen, maar de beide Romeinse vloten werden gegrepen door een zware storm en aan diggelen geslagen tegen de rotsen. Weer verloren de Romeinen duizenden manschappen, de meeste van hun schepen en al hun voorraden. Geen kruimel daarvan kwam ooit aan bij de troepen bij Lilybaeum.

Bronzen lever van de haruspices (ingewandenschouwers; Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

Het lot van de consuls

Volgens een latere traditie was de Romeinse nederlaag in de Zeeslag bij Drepana te wijten aan de arrogantie van Publius Claudius Pulcher en zijn gebrek aan eerbied voor de goden. Voorafgaand aan de zeeslag had de consul aan boord van zijn vlaggenschip de heilige kippen gevoederd.[1] De kippen hadden geweigerd te eten, wat als een slecht voorteken gold. De consul had deze waarschuwing in de wind geslagen en naar verluidt de kippen gegrepen en overboord gegooid. Daarbij zou hij “Als ze niet willen eten, laat ze dan maar drinken!” hebben geroepen. Of dit verhaal nu waar is of niet (Polybius noemt het in het geheel niet), er kan geen twijfel over bestaan dat Claudius Pulcher een arrogante man was. Het is echter niet erg waarschijnlijk dat andere Romeinse aanvoerders bij Drepana anders en voorzichtiger zouden hebben gehandeld.

De nederlaag en het verlies van weer een vloot leidden er wel toe dat de Senaat het vertrouwen in de consul verloor. Claudius Pulcher werd naar Rome teruggeroepen, gedwongen zijn ambt neer te leggen en ook nog eens in rechte vervolgd. De volksvergadering veroordeelde hem tot betaling van een zware geldboete voor zijn aandeel in de ramp bij Drepana. Een paar jaar later werd zijn zuster Claudia eveneens beboet. Deze hooghartige adellijke dame zou, toen haar draagstoel vast kwam te zitten in de mensenmassa in de straten van Rome, hebben uitgeroepen: “Oh, had mijn broer nu nog maar geleefd en het bevel gevoerd over een vloot!” De opmerking paste volledig bij de houding van haar familie jegens het plebs. Ook maakt de uitspraak duidelijk dat haar broer op dat moment niet meer leefde. Mogelijk had hij kort na zijn veroordeling zelfmoord gepleegd, maar zijn uiteindelijke lot is niet geheel duidelijk.

Astarte (The British Museum).

Het lot van Pullus, de andere consul, is nog veel onduidelijker. Polybius beweert dat hij de scheepsramp overleefde en vervolgens weer deelnam aan de landoorlog op Sicilië. Pullus begon daarbij zelfs een offensief en wist de berg Eryx bij Drepana te veroveren, die strategisch bezien van groot belang was. De Fenicische stad Eryx bevond zich halverwege de helling. Op de top stond een Tempel van Aphrodite of Venus Erycina, of correcter: voor Astarte of Tanit, zoals de Carthagers de godin noemden. Polybius noemde de tempel onmiskenbaar de rijkste en mooiste van alle Siciliaanse heiligdommen. Waarschijnlijk was de tempel niet slechts een heiligdom, maar veeleer een zwaar versterkt complex van waaruit men goed zicht had op Drepana en op een heldere dag zelfs Afrika kon zien liggen. Pullus legerde garnizoenen aan de voet en op de top van de berg.

Maar wat gebeurde er met Pullus na zijn succesvolle acties bij de berg Eryx? Zijn naam verdwijnt uit Polybius’ verslag van de oorlog, maar Cicero – die zo’n 200 jaar na de gebeurtenissen schreef – beweert dat Pullus zelfmoord pleegde vanwege de ramp met zijn vloot. Diodorus Siculus beweert daarentegen dat Pullus na de verovering van de berg Eryx door Carthalo gevangen werd genomen. Deze twee versies sluiten elkaar niet noodzakelijkerwijs uit: misschien pleegde de consul wel zelfmoord in gevangenschap. Uiteindelijk weten we gewoon niet hoe het met Pullus is afgelopen.

Dictator

De toestand was voor de Romeinen na Drepana en het verlies van een volledige transportvloot dermate ernstig dat ze een dictator benoemden, een magistraat met vrijwel onbeperkte bevoegdheden die alleen in tijden van uiterste nood werd aangesteld. De Senaat en het Romeinse volk hadden geen vertrouwen meer in Claudius Pulcher, die gedwongen werd zijn ambt neer te leggen. Als laatste ambtshandeling moest hij nog een dictator benoemen. Die benoeming was immers aan de consuls voorbehouden, en daarvan was er – met Pullus nog op Sicilië – slechts één lijfelijk aanwezig. Om de Senaat een hak te zetten, benoemde Pulcher een zekere Claudius Glicia, die naar verluidt een plebejer van zeer eenvoudige komaf was. Glicia was voor de Senaat geen acceptabele keuze en hij werd gedwongen weer af te treden. Vervolgens werd Aulus Atilius Calatinus benoemd, maar onze bronnen vermelden niet expliciet wie de benoeming verrichtte. Calatinus was consul geweest in 258 en 254 BCE en was zeer ervaren. Hij werd de eerste dictator die buiten Italië een leger leidde, maar hij behaalde helaas voor de Romeinen geen succes op Sicilië.

In het verloren gegane Negentiende Boek van zijn Ab urbe condita vermeldt Livius een uitwisseling van gevangenen tussen de Romeinen en de Carthagers die dit jaar zou hebben plaatsgevonden. Er waren echter geen vredesonderhandelingen, en beide partijen besloten de oorlog voort te zetten. Rome wist duidelijk nog niet van opgeven, maar nam wel wederom de beslissing de zee voortaan te mijden en geen nieuwe vloot meer te bouwen. De Carthagers waren op hun beurt in jubelstemming na hun overwinning bij Drepana. Er zou nog heel wat meer bloed vloeien voordat de oorlog eindelijk voorbij was.

Bronnen

Primair

– Cassius Dio, Roman History, Fragments of Book XII;
– Diodorus Siculus, Library of History, Fragments of Book XXIV;
– Livius, Periochae, Book 19;
– Polybius, The Histories, Book 1.49-1.55;

Secundair

– Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 118-122;
– Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 133 en p. 191-193.

Noot

[1] Grappig genoeg is het Latijnse woord voor kip pullus, wat ook de cognomen van Pulchers collega-consul was.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.