De Annalist: De Jaren 259-257 BCE

Carthaginian pendant.

Samenvatting

  • De Eerste Punische Oorlog sleept zich voort zonder grote gevechten te land of ter zee;
  • Eerste confrontaties tussen de Romeinen en de Carthagers bij Corsica en Sardinië (259 BCE);
  • Mislukte Romeinse aanval op Panormus op Sicilië (258 BCE);
  • De Zeeslag bij Tyndaris tussen de Romeinen en de Carthagers eindigt onbeslist (257 BCE).

De Griekse historicus Polybius was vooral geïnteresseerd in de grote gebeurtenissen die de geschiedenis van de Klassieke Oudheid vormgaven. Bij zijn bespreking van de gebeurtenissen van het jaar 259 BCE merkt hij op dat de Romeinse troepen op Sicilië in het nu volgende jaar niets noemenswaardigs verrichtten. Dit moet zeker niet zo verstaan worden dat er niet werd gevochten dat jaar. Er waren beslist nog plundertochten en schermutselingen, belegeringen en confrontaties op zee. Steden vielen in andere handen en mensenlevens gingen verloren. Anders dan in de voorgaande jaren waren er echter geen grote veld- of zeeslagen.

Sardinië en Corsica

Een belangrijke ontwikkeling was wel dat het strijdtoneel werd uitgebreid naar de eilanden Corsica en Sardinië. Er bestonden al lang Fenicische nederzettingen op de beide eilanden en deze vormden de ideale springplank voor raids in het kustgebied van Italië. Het lijkt erop dat de Carthaagse bevelhebber Hannibal een tweede kans kreeg na zijn nederlaag bij Mylae. In 259 BCE voer hij met zijn vloot naar Sardinië, vermoedelijk om een aanval op het Italiaanse vasteland voor te bereiden. De Romeinen waren echter op de hoogte van zijn manoeuvres en slaagden erin hem in een van de Sardijnse havens vast te pinnen. Het gevolg was een confrontatie tussen de twee vloten. Dit was waarschijnlijk slechts een schermutseling op beperkte schaal, maar Hannibal verloor veel schepen en dat leidde ertoe dat de Carthagers hun geduld met hem verloren. De onfortuinlijke bevelhebber werd gearresteerd en aan het kruis genageld.

Kaart van Corsica en Sardinië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Terwijl de consul Gaius Aquilius Florus de oorlog op Sicilïe tegen Hamilcar leidde, bond de andere consul Lucius Cornelius Scipio de strijd aan met de Carthagers op Corsica en Sardinië. Hij nam de belangrijke stad Aleria (Alalie) op Corsica in bezette ook het grootste gedeelte van de rest van het eiland. Na deze successen voer Scipio door naar Sardinië en joeg een Carthaagse vloot op de vlucht. De consul voer vervolgens naar de Sardijnse stad Olbia. De Carthagers hadden nu kennelijk enige versterkingen gestuurd en Scipio was afkerig van een confrontatie met hun vloot. Cassius Dio suggereert in dit verband dat de consul te weinig deksoldaten had om een grootschalige zeeslag aan te gaan.

Ondertussen lijkt er sprake te zijn geweest van problemen in Rome zelf. Een groep Carthaagse krijgsgevangenen was samen met leden van een groot contingent Samnieten die waren gerekruteerd voor de vloot bezig met het smeden van een complot. De Samnieten waren pas enkele decennia geleden na drie bloederige oorlogen volledig door de Romeinen onderworpen. De neiging om in opstand te komen was bij hen nog niet verdwenen. Het complot werd echter verraden aan de Senaat en zo werd de samenzwering de kop ingedrukt.

Patstelling

De oorlog op Sicilië sleepte zich in de tussentijd voort. De consuls van 258 BCE, Aulus Atilius Calatinus (of Caiatinus) en Gaius Sulpicius Paterculus, slaagden er niet in een doorbraak te forceren. Ze probeerden het met een aanval op het belangrijke Carthaagse bolwerk Panormus, het huidige Palermo. De consuls boden de vijand aan hier te vechten, maar omdat deze weigerde en zich verschool achter zijn muren was de hele veldtocht een mislukking. Romeinse bevelhebbers schrokken er op dit punt in de oorlog kennelijk nog voor terug zo’n zwaar verdedigde stad met een uitstekende haven aan te vallen (de naam Panormus betekent overigens ‘complete haven’).

De Romeinen slaagden er wel in kleinere steden in te nemen, zoals Myttistratus, dat in voorgaande jaren nog zo’n harde noot voor ze geweest was. Maar er waren ook tegenslagen. De consul Calatinus liet zijn leger zonder eerst behoorlijk te verkennen over het platteland trekken en bemerkte toen plots dat hij door een Carthaagse legermacht was omsingeld. Dankzij de dapperheid van een krijgstribuun genaamd Marcus Calpurnius wist de Romeinse bevelhebber met de meeste van zijn manschappen te ontsnappen. Calpurnius wist de Carthagers tegen te houden met slechts een klein detachement soldaten, en hoewel de meeste van zijn mannen sneuvelden, overleefde de krijgstribuun zelf de strijd. Het verhaal dat Calpurnius samen met 300 manschappen de strijd aanging en dat deze zich doodvochten, is natuurlijk wel een klein beetje verdacht. Zo’n verhaal klinkt wel erg als dat van de 300 Spartanen bij Thermopylae. Er is echter geen goede reden om het hele verhaal als fictief terzijde te schuiven.

Carthaagse scheepsram (foto: Sb2s3, CC BY-SA 4.0 licentie).

Calatinus’ collega Sulpicius lijkt zich vooral bezig te hebben gehouden met operaties op Sardinië en wellicht is hij daarnaast overgevaren naar Afrika voor plundertochten in de kuststreken. Dat zal maar een beperkte expeditie zijn geweest, wellicht niet meer dan een soort proefaanval. De consuls van 257 BCE, Gaius Atilius Regulus en Gnaeus Cornelius Blasio, bereikten ook niet veel. Blasio was al voor de tweede keer consul – hij was het eerder geweest in 270 BCE – en kennelijk waren zijn handelingen dit jaar van zo weinig betekenis dat ze nergens zijn opgeschreven. Zijn collega Atilius vocht nabij Tyndaris een chaotische zeeslag uit met een Carthaagse vloot onder weer een Hamilcar. Atilius verloor 9 schepen toen hij te overmoedig aanviel en hij werd zelf bijna gevangen genomen, maar de Romeinen slaagden erin het initiatief te herpakken, 8 Carthaagse schepen tot zinken te brengen en er nog eens 10 buit te maken. De Zeeslag bij Tyndaris eindigde onbeslist.

De Romeinen realiseerden zich dat ze, om de Carthagers te kunnen verslaan, de oorlog naar Afrika moesten verplaatsen. En dat is precies wat ze het volgende jaar deden.

Bronnen

Primair

– Cassius Dio, Roman History, Fragments of Book XI;
– Livius, Periochae, Book 17;
– Polybius, The Histories, Book 1.24-25;

Secundair

– Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 105 en 109;
– Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 185.

One Comment:

  1. Pingback: De Annalist: Het Jaar 249 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.