Tiberius Gracchus: Het Jaar 133 BCE

Het Forum Romanum anno nu.

Samenvatting

  • De volkstribuun Tiberius Gracchus lanceert een uitgebreid programma van landhervormingen;
  • Gracchus’ voorstel voor een Lex Sempronia agraria wordt getroffen door een veto van zijn collega, de volkstribuun Marcus Octavius;
  • Nadat een tweede versie van zijn voorstel voor landhervormingen wederom door Octavius met een veto wordt gedwarsboomd, spreekt Gracchus een onbeperkt veto uit over alle openbare activiteiten;
  • Gracchus laat Octavius door het concilium plebis uit zijn ambt zetten, een daad zonder precedent;
  • Nu Octavius geen problemen meer kan veroorzaken, neemt de volksvergadering eindelijk de Lex Sempronia agraria aan;
  • Tiberius Gracchus, zijn broer Gaius en zijn schoonvader Claudius Pulcher worden benoemd tot leden van een commissie van drie die toezicht moet houden op het uitwijzen van grootgrondbezitters en de herverdeling van land onder de armen;
  • Koning Attalos III van Pergamum komt te overlijden en laat zijn koninkrijk aan de Romeinse Republiek na;
  • Tiberius Gracchus probeert voor de tweede maal tot volkstribuun gekozen te worden, iets wat volgens zijn tegenstanders onder de Romeinse constitutie verboden is;
  • Tijdens een uitzonderlijke explosie van verkiezingsgeweld op de Capitolijn wordt Tiberius Gracchus door een meute onder leiding van de pontifex maximus Scipio Nasica doodgeslagen;
  • Gracchus’ aanhangers worden vervolgd, maar Scipio Nasica wordt met een onbekende missie naar Klein-Azië gestuurd;
  • Aristonikos beweert een zoon van Koning Eumenes II te zijn en eist op grond daarvan de troon van Pergamum op.

Het hier besproken jaar kan met recht turbulent genoemd worden. De consul Lucius Calpurnius Piso Frugi nam het op tegen de rebellerende slaven op Sicilië, maar slaagde er niet in de oorlog op het eiland te beëindigen. In Spanje zette Scipio Aemilianus het beleg van Numantia voort en dwong uiteindelijk de radeloze en uitgehongerde inwoners van de stad tot overgave. Deze gebeurtenissen zijn elders al besproken. We richten ons in deze bijdrage daarom op de gebeurtenissen in de stad Rome zelf. Die kreeg te maken met de zwaarste uitbraak van politiek geweld in haar geschiedenis tot dan toe.

Een hervormer: Tiberius Gracchus

Carthaagse hanger.

Tiberius Gracchus[1] was de zoon van Tiberius Sempronius Gracchus, een voormalige consul (in 177 BCE en nogmaals in 163 BCE) en censor (in 169 BCE) die roem had vergaard met zijn overwinningen in Spanje en op Sardinië. Zijn moeder Cornelia was een dochter van de grote Scipio Africanus. Ze had haar echtgenoot twaalf kinderen gebaard, maar slechts drie van hen overleefden hun kindertijd: Tiberius, zijn jongere broer Gaius en zijn oudere zus Sempronia. Sempronia trouwde met de hierboven reeds genoemde Scipio Aemilianus. Het was waarschijnlijk deze familieband die ervoor zorgde dat Tiberius tijdens de Derde Punische Oorlog met Scipio naar Afrika kon afreizen. Plutarchus schrijft dat de jonge edelman “een tent met zijn aanvoerder deelde”, hetgeen suggereert dat Tiberius een contubernalis of ‘tentmaatje’ was. Aangezien Romeinse jongens met 17 jaar dienst konden nemen in het Romeinse leger, moet Tiberius Gracchus op z’n laatst in 164 BCE geboren zijn, maar wellicht al enkele jaren eerder. Plutarchus beweert ook dat de jonge Tiberius zeer dapper meevocht en bij de beslissende aanval op Carthago als eerste man over de muur klom. Als dat klopt, dan moet hij voor zijn daad een ‘muurkroon’ of corona muralis hebben gekregen.

In 137 BCE diende Tiberius als quaestor, en in die hoedanigheid vergezelde hij de consul Gaius Hostilius Mancinus op diens rampzalige expeditie tegen de stad Numantia in Spanje. Dankzij zijn optreden werd het Romeinse leger van de ondergang gered en dat bezorgde hem thuis in Rome een enorme populariteit. Het feit dat het verdrag dat als gevolg van zijn inspanningen was gesloten door de Senaat werd afgewezen deed daar niets aan af. In 134 BCE koos Tiberius ervoor om niet met zijn zwager Scipio naar Numantia af te reizen, maar in Rome te blijven en zich kandidaat te stellen voor het ambt van volkstribuun (tribunus plebis). Dit ambt was oorspronkelijk gecreëerd om het gewone volk te beschermen tegen machtsmisbruik door patricische magistraten. In de tijd van Tiberius was het echter niet meer dan een gewone stap in de carrière van jonge plebejische edellieden en vormde het een opstapje naar andere ambten van de cursus honorum met meer prestige. Het feit dat er tien volkstribunen waren – vergeleken met, bijvoorbeeld, slechts twee consuls – zorgde ervoor dat het relatief gemakkelijk was om verkozen te worden. Het betekende echter tevens dat de macht van een individuele volkstribuun niet zo groot was. Niettemin was het ambt nog steeds belangrijk. Volkstribunen waren onschendbaar (sacrosanctus) en konden een veto uitspreken over de besluiten van andere magistraten (inclusief collega-volkstribunen). Tevens konden ze (wets)voorstellen indienen in het concilium plebis, de vergadering van het Romeinse plebs. En dat laatste was precies was Tiberius Gracchus wilde gaan doen.

Landhervormingen

Landbouwgrond in Toscane.

Dankzij zijn grote populariteit werd Tiberius zonder problemen tot volkstribuun gekozen; op de traditionele datum van 10 december van het jaar 134 BCE kon hij met de uitoefening van zijn ambt beginnen. Tiberius lanceerde een uitgebreid programma van landhervormingen. Als gevolg van de Romeinse veroveringen in het verleden behoorde een groot gedeelte van het land in Italië aan de staat toe, in elk geval op papier. Dit land was ager publicus, ‘staatsland’. Tegen betaling van een klein bedrag aan pacht mocht iedereen het in bezit nemen en bewerken. Al in de tijd van de Vroege Republiek hadden de Romeinen wetgeving aangenomen die de hoeveelheid staatsland die een burger mocht bezitten beperkte tot 500 iugera (iets meer dan 120 hectare). In de praktijk was deze wetgeving echter ineffectief. De Romeinse adel bedacht manieren om de regels te omzeilen of trok zich er gewoon niets van aan, en op Italianen die niet het Romeinse burgerrecht bezaten was de wetgeving waarschijnlijk niet eens van toepassing. Rijke Romeinen en Italiaanse aristocraten hadden enorme stukken staatsland geconfisqueerd en deze samengevoegd tot zeer productieve landgoederen die latifundia werden genoemd. Deze werden op industriële schaal gerund, waarbij de arbeid op de velden doorgaans door slaven werd verricht. Dankzij de Romeinse successen in buitenlandse oorlogen waren deze slaven goedkoop en ruimschoots beschikbaar.

De daadwerkelijke verdeling van staatsland in Italië was dus bijzonder oneerlijk en in veel gevallen ook gewoon illegaal. Gaius Laelius, de boezemvriend van Scipio Aemilianus, had tijdens zijn consulaat in 140 BCE getracht hier met nieuwe wetgeving iets aan te doen. Fel verzet van de grootgrondbezitters en hun aanhangers had er echter toe geleid dat hij zijn wetsvoorstel weer in had moeten trekken. Tiberius Gracchus was vasthoudender. Waarschijnlijk had hij verschillende redenen voor zijn voorstel voor landhervormingen. We mogen niet uitsluiten dat hij een oprechte sociale hervormer was die gerechtigheid wilde voor de armere lagen van de Romeinse bevolking. Zijn biograaf Plutarchus citeert in dit verband uit een pamflet van de hand van Tiberius’ broer Gaius, die schreef dat Tiberius op weg naar Spanje door Etrurië reisde en daar zowel de armoede van de lokale bevolking als de door buitenlandse slaven bewerkte latifundia zag. Plutarchus beweert tevens dat arme Romeinse burgers zich bij de pas gekozen volkstribuun meldden met het verzoek om staatsland te revindiceren voor hen die het het meest nodig hadden. Toen het wetsvoorstel in de volksvergadering werd besproken, zou Tiberius bovendien hebben opgemerkt dat zelfs wilde dieren tenminste nog een hol hadden om in te wonen. De mannen die het Romeinse Rijk hadden opgebouwd, hadden alleen buitenlucht en zonlicht, verder niets.

Overblijfselen van de Rostra uit de keizertijd. De Rostra uit de Republikeinse tijd bestaat niet meer.

Tiberius Gracchus kan dus inderdaad nobele motieven hebben gehad. Zijn daden, die zeer populair waren bij de arme bevolking, verzekerden hem echter tevens van de publieke steun die hij nodig had om verdere stappen te zetten in zijn politieke carrière. Het staat buiten kijf dat Tiberius ambitieus was, net als de meeste andere Romeinse jongemannen uit illustere adellijke families. Een grote schare cliënten kon heel behulpzaam bij het bereiken van de hogere ambten. Zo kon hij in de voetsporen van zijn vader treden. Het zou verkeerd zijn Tiberius als een Einzelgänger af te schilderen. Politiek bezien was hij enigszins een buitenbeetje, maar daar staat tegenover dat hij tevens machtige bondgenoten binnen de Romeinse adel had. Zijn belangrijkste bondgenoot was waarschijnlijk zijn schoonvader Appius Claudius Pulcher, die in 143 BCE consul en in 136 BCE censor was geweest. Pulcher was op dat moment ook de princeps senatus en bekleedde daarmee een zeer prestigieus ereambt. Een andere steunpilaar was de zittende consul Publius Mucius Scaevola, een bekende jurist (de andere consul vocht op Sicilië tegen de slaven). Mogelijk hielp deze Scaevola Tiberius bij het schrijven van zijn wetsvoorstel. Ook Scaevola’s broer Publius Licinius Crassus Dives Mucianus behoorde tot de machtige vrienden van Tiberius. Ook hij was een beroemde jurist en hij zou later als consul en pontifex maximus dienen. De besproken hervormingspogingen liepen dus niet buiten de Romeinse adel om, maar kwamen er juist uit voort.

Er was echter nog een ander motief voor de landhervormingen van Tiberius Gracchus, en misschien was dit wel het belangrijkste motief: er waren grote problemen met het rekruteren van voldoende soldaten voor het Romeinse leger. Van oudsher werden deze geworven uit de bevolkingsklassen die over eigen bezit beschikten. De rijkste burgers dienden bij de ruiterij en de boeren uit de middenklassen namen dienst bij de infanterie van de legioenen. Burgers met weinig of geen bezit konden alleen als roeiers bij de vloot dienen (zie hier voor meer informatie over het leger van de Romeinse Republiek). Het Romeinse leger was een leger van dienstplichtige mannen. Dit systeem werkte goed tijdens de Vroege Republiek, toen de oorlogen die Rome voerde kort waren en dicht bij huis werden uitgevochten. Tijdens de Midden-Republiek had Rome echter een rijk bij elkaar veroverd dat verdedigd en bestuurd moest worden. Voor verdedigings- en politietaken waren steeds meer troepen nodig en deze soldaten moesten ook voor steeds langere perioden dienen. Hierdoor werd een zware druk gelegd op de middenklassen. Er was steeds minder animo voor dienst nemen in het leger, zeker als een buitenlandse veldtocht waarvoor werd geworven vermoedelijk geen rijke buit zou opleveren. In 193 BCE en 169 BCE waren er al problemen geweest bij het lichten van troepen. Die problemen waren weliswaar opgelost, maar recentelijk, in 151 BCE en 138 BCE, waren er nieuwe problemen geweest. De consuls die nieuwe troepen wierven waren toen zelfs gearresteerd door volkstribunen die geen vrijstellingen voor hun vrienden en cliënten hadden kunnen regelen.

Bronzen Romeinse helm (Montefortino type; Allard Pierson Museum, Amsterdam).

Tiberius Gracchus was goed bekend met de ernst van de situatie. In het verleden hadden de Romeinen bij tijd en wijle de vermogenseisen voor het dienst nemen bij de legioenen verlaagd. Burgers die niet aan deze eisen voldeden, hadden soms ook wapens en pantsers gekregen die waren gemaakt in fabricae, grote smederijen die staatseigendom waren en zich op massaproductie richtten. De traditionele Romeinse soldaat moest zelf een wapenrusting meenemen, maar mannen met weinig bezit konden zich bijna nooit een zwaard van goede kwaliteit of een helm veroorloven. De landhervormingen van Tiberius boden een duurzamere oplossing voor de gesignaleerde rekruteringsproblemen. Door de rijke grootgrondbezitters uit te wijzen en het land onder arme Romeinen te verdelen, werden die arme Romeinen weer onderdeel van de klassen met eigen bezit en voldeden ze weer aan de criteria om dienst te kunnen nemen bij de legioenen. Anders gezegd, de landhervormingswet van Tiberius vergrootte het reservoir aan mankracht waaruit de Romeinen verse soldaten konden rekruteren. Samenvattend kunnen we dus stellen dat het optreden van Tiberius Gracchus vermoedelijk werd ingegeven door drie factoren: de wens om sociale rechtvaardigheid te bewerkstelligen, de wens om zijn eigen reputatie te versterken en de wens om een oplossing te bieden voor het ernstige tekort aan mankracht bij de Romeinse legioenen. Dat dat laatste een risico was, moge duidelijk zijn: de Romeinse macht in Italië en de provincies berustte uiteindelijk op de slagkracht van het leger.

De Lex Sempronia agraria

Tiberius kwam dus met een wetsvoorstel voor landhervormingen. De eerste versie van zijn voorstel zag er rechtvaardig, eerlijk en proportioneel uit. De eeuwenoude limiet van 500 iugera per burger werd herbevestigd, en Tiberius voegde hier een bepaling aan toe die voorschreef dat zonen van landbezitters slechts 250 iugera staatsland mochten bezitten (waarschijnlijk kon men met behulp van zonen de oorspronkelijke wet omzeilen en zo het land ook binnen de familie houden). Romeinse en Italiaanse grootgrondbezitters moesten het land dat ze illegaal bezet hielden verlaten, maar konden wel op een vorm van compensatie rekenen. In het verleden hadden rijke grootgrondbezitters vaak de grond opgekocht van kleine boeren van wie het bedrijf niet langer rendabel was. Teneinde deze praktijk een halt toe te roepen voegde Tiberius een clausule aan zijn wetsvoorstel toe op grond waarvan het burgers aan wie staatsland was toegewezen verboden werd dit land te verkopen. Hoewel geen enkele bron het met zoveel woorden zegt, is het aannemelijk dat als burgers hun boerderijen verlieten, het staatsland simpelweg terugviel aan de staat. Het kon dan aan iemand anders worden toegewezen.

Overblijfselen van de Tempel van Saturnus.

Al met al was de Lex Sempronia agraria dus een degelijk stuk wetgeving. Toch was de weerstand tegen het wetsvoorstel groot en werd Tiberius Gracchus door zijn tegenstanders door het slijk gehaald. Die tegenstanders realiseerden zich al snel dat de meest effectieve manier om een volkstribuun onschadelijk te maken het inzetten van een andere volkstribuun was. Volkstribunen konden immers elkaars besluiten en handelingen met een veto treffen en ook tegen een wetsvoorstel kon een veto worden uitgesproken. Plotseling vond Tiberius een zekere Marcus Octavius op zijn pad. Volgens Plutarchus waren Gracchus en Octavius eerder goede vrienden geweest. Laatstgenoemde was echter zelf een rijke grootgrondbezitter en steunde daarom de conservatieve adel. Octavius sprak zijn veto uit over het voorstel van Gracchus, en volgens Appianus verhinderde hij zelfs dat het voorstel door een secretaris in de volksvergadering werd voorgelezen. Gracchus diende daarop een tweede versie van het voorstel in. Dit voorstel was veel strenger: grondbezitters werden nu zonder recht op compensatie uitgewezen. Wederom maakte Octavius gebruikt van zijn vetorecht en zo leek een patstelling te ontstaan.

De zaak liep uit de hand toen Tiberius uit wraak een onbeperkt veto uitsprak over alle openbare activiteiten. Magistraten mochten geen officiële handelingen meer verrichten, de markten en rechtbanken werden gesloten en de Tempel van Saturnus op het Forum Romanum werd verzegeld zodat de quaestors geen geld meer uit de schatkist konden halen. Het openbare leven in Rome kwam compleet tot stilstand. Tiberius ontving als gevolg hiervan doodsbedreigingen en begon daarop – volgens Plutarchus althans – een zwaard onder zijn tuniek te dragen, zodat hij zich bij een aanval zou kunnen verdedigen. De Senaat probeerde in het conflict te bemiddelen, maar omdat hij werd beheerst door de conservatieve grootgrondbezitters leverde deze poging niets op. Toen deed Tiberius iets wat werkelijk zonder precedent was: hij diende in de vergadering van het plebs een voorstel in om Octavius uit zijn ambt te zetten. Dit voorstel was niet alleen uitzonderlijk, het was waarschijnlijk ook nog eens illegaal. Het vormde namelijk een inbreuk op de onschendbaarheid die een volkstribuun genoot. Toch besloot het concilium plebis over het voorstel te stemmen, met als resultaat dat Octavius inderdaad uit zijn ambt werd gezet. De voormalige volkstribuun werd van de rostra gesleept, en bij het daaropvolgende handgemeen raakte een van Octavius’ bedienden ernstig gewond.

Uitzicht op het Forum Romanum.

Geheel volgens verwachting werd Gracchus door zijn vijanden zwaar bekritiseerd vanwege zijn optreden. De volkstribuun verdedigde zich met het argument dat het Romeinse volk soeverein was. Het kon magistraten verkiezen en aldus een ambt toekennen, en bijgevolg hun dat ambt ook weer afnemen. Dat kon zeker als deze magistraten hun macht misbruikten en handelden in strijd met de belangen van het volk, bijvoorbeeld door buitensporig gebruik van het vetorecht. Gracchus had wellicht een punt, maar hij had tevens een gevaarlijk precedent gecreëerd. Daarmee droeg hij bij aan het standpunt van latere volkstribunen dat het soevereine Romeinse volk in principe ieder denkbaar besluit kon nemen. Een gewone meerderheid van stemmen was hiervoor voldoende, want de Romeinen kenden geen geschreven constitutie die alleen met een gekwalificeerde meerderheid gewijzigd kon worden.

Nu Octavius geen problemen meer kon veroorzaken, nam de volksvergadering snel de Lex Sempronia agraria aan. Volgens goed Romeins gebruik werd een commissie van drie ingesteld die toezicht moest houden op de uitwijzing van de grootgrondbezitters en de herverdeling van het staatsland onder de armen. De drie mannen werden de triumviri agris iudicandis adsignandis genoemd. De commissie bestond uit Tiberius zelf, zijn schoonvader Appius Claudius Pulcher en zijn broer Gaius. Uit deze samenstelling moge wel blijken dat Tiberius zijn nieuwe wet ook gebruikte om zijn eigen politieke belangen en die van zijn familie te bevorderen. Dat was in de Romeinse politiek zeker niet ongebruikelijk, maar het maakt wel duidelijk dat de Lex Sempronia agraria geen geheel belangeloze maatregel was. De nieuwe landbezitters zouden de drie commissieleden veel dank verschuldigd zijn en aldus onderdeel van hun cliëntenbestand worden.

De Tempel van Hercules. Een van de zuilen ontbreekt.

Een belangrijke gebeurtenis dit jaar was de dood van Koning Attalos III van Pergamum. Pergamum was al sinds de Tweede Punische Oorlog een trouwe Romeinse bondgenoot (zie 211 BCE). Toen zijn vader Koning Eumenes II eind 159 of begin 158 BCE was gestorven, was Attalos nog maar een jonge tiener geweest. De koning was daarom opgevolgd door zijn broer Attalos II Philadelphos, die zelf in 138 BCE stierf. Attalos III besteeg daarop de troon, maar overleefde zijn oom slechts enkele jaren. Aangezien hij geen kinderen had, of in elk geval geen mannelijke troonopvolger, had hij in zijn testament zijn koninkrijk vermaakt aan het Romeinse volk.

Pergamum was een rijk koninkrijk. Toen het nieuws over de dood van de koning Rome bereikte, kwam Tiberius Gracchus met het idee om de schatkist van de koning naar Rome te laten verschepen en diens geld te verdelen onder de arme burgers aan wie net een stuk staatsland was toebedeeld. De volkstribuun bereidde ook een voorstel voor de volksvergadering voor waarin deze verdeling van geld was geregeld. Tevens regelde het voorstel de integratie van het voormalige koninkrijk als provincie binnen het nog altijd groeiende Romeinse Rijk. Met zijn optreden passeerde Tiberius de Senaat, die zich van oudsher met het Romeinse buitenlandbeleid bezighield. Het leverde Tiberius nog meer vijanden op. Het is niet helemaal duidelijk of het voorstel van Tiberius door de volksvergadering werd aangenomen. In elk geval lijken de Romeinen weinig haast te hebben gemaakt met het opeisen van het hun nagelaten gebied in Klein-Azië.

Tiberius’ ambtstermijn zou op 10 december aflopen en daarmee zou tevens een einde komen aan zijn onschendbaarheid. Dat maakte het ook gemakkelijker om hem te vermoorden: het was juist zijn sacrosanctitas die potentiële moordenaars nu nog in toom hield. Tiberius besloot daarom zich nogmaals kandidaat te stellen voor het ambt van volkstribuun. Het was een logisch stap, maar tevens een stap zonder precedent. Het bekleden van hetzelfde ambt in twee opeenvolgende jaren was in het Romeinse constitutionele systeem bepaald ongebruikelijk. De tegenstanders van Tiberius stelden zelfs dat het illegaal was, maar volgens Plutarchus trok Tiberius zich daar niets van aan en voerde hij actief campagne. Daarbij stelde hij zijn kiezers nog meer hervormingsvoorstellen in het vooruitzicht. Een van die voorstellen had betrekking op het toelaten van leden van de ridderstand (de equites) tot rechtbankjury’s. Deze bestonden tot dan toe uitsluitend uit senatoren (zie 149 BCE voor de zogenaamde Lex Calpurnia de repetundis). Alles wat Tiberius beloofde had een duidelijk doel: hij wilde er bepaalde lagen van de Romeinse bevolking mee behagen, niet alleen de armen, maar ook de rijke equites.

De moord op een volkstribuun

Priesters en een lictor (Ara Pacis, Rome).

De oppositie tegen Gracchus werd geleid door Publius Cornelius Scipio Nasica Serapio, de pontifex maximus. Na de dood van zijn vader, de oude pontifex maximus, was Scipio Nasica in diens voetsporen getreden. Hij was tevens een verre bloedverwant van Tiberius, afkomstig uit een andere tak van de gens Cornelia, de clan waartoe Tiberius’ moeder Cornelia behoorde. De verkiezingen voor de volkstribunen vonden in de zomer plaats. De vergadering van het plebs had zich op de Capitolijn verzameld en de mensen zouden hun stem uitbrengen op het terrein voor de Tempel van Jupiter Optimus Maximus. Volkstribunen die aan de kant van Gracchus stonden maakten met volkstribunen die tegen hem waren ruzie over wie de vergadering voor mocht zitten. Al snel braken er opstootjes uit tussen de aanhangers van Gracchus en diens tegenstanders. De volkstribuun had zich inmiddels omringd met een sterke lijfwacht van gewapende cliënten. Deze mannen maakten de lictoren die aanwezig waren hun roedenbundels afhandig en sloegen deze aan diggelen, waarna ze de roeden als stokken om mee te slaan gebruikten.

De mannen van Gracchus slaagden erin de oppositie te verdrijven, maar ze hadden buiten de Senaat gerekend. Appianus schrijft dat de Senaat op dat moment vergaderde in de nabijgelegen Tempel van Fides, een kleine tempel net ten zuiden van de veel grotere Tempel van Jupiter.[2] Tijdens de vergadering viel Scipio Nasica zijn bloedverwant keihard aan en beschuldigde hem ervan een regnum na te streven. Het ambiëren van koninklijke macht was onder de Romeinse constitutie een doodzonde. Als de beschuldiging klopte, was de staat beslist gerechtigd om snel en hard in te grijpen. Scipio Nasica kon echter eisen en smeken wat hij wilde, de consul Publius Mucius Scaevola weigerde om in actie te komen. Die houding hoeft geen verbazing te wekken, want Scaevola was een bondgenoot van Tiberius (zie hierboven).

De rivier de Tiber.

Scipio Nasica besloot daarom het recht in eigen hand te nemen. Aangezien hij pontifex maximus was, was zijn gezag immens. Hij gaf zijn aanhangers onder de senatoren de opdracht hem te volgen en trommelde hun cliënten en die van hemzelf op, zowel vrijgelatenen als slaven. Aan het hoofd van een met knuppels, stokken en stoelpoten bewapende meute rukte Nasica op naar de Tempel van Jupiter en raakte daar slaags met de aanhangers van Tiberius. De laatstgenoemden dolven al snel het onderspit. Tiberius probeerde nog te vluchten, maar hij struikelde en viel op de grond. Het lukte hem niet meer op te staan. Nasica’s mannen sloegen hem dood, samen met zo’n 300 van zijn aanhangers. Hun lijken werden in de rivier de Tiber gedumpt. De moord op een onschendbare volkstribuun kan tot de zwartste bladzijden in de geschiedenis van de Romeinse Republiek tot dan toe gerekend worden. Het uit zijn ambt zetten van een onschendbare volkstribuun was al ernstig geweest, maar de moord op een onschendbare volkstribuun schiep een precedent dat nog vele malen erger was.

Nasleep

Na de moord werden vrienden en volgelingen van Gracchus verbannen of terechtgesteld. Van een volledige zuivering onder de aanhangers van de volkstribuun kan echter geen sprake zijn geweest. Daarvoor waren er simpelweg te veel volgelingen, en Gracchus had bovendien machtige vrienden gehad. Hoogstwaarschijnlijk werd alleen een aantal volgelingen dat had deelgenomen aan het geweld gestraft. De consul Scaevola werd geen haar gekrenkt en de landhervormingswet van Gracchus werd niet ingetrokken. De plaats van Tiberius Gracchus in de commissie van drie werd ingenomen door Publius Licinius Crassus Dives Mucianus, een man die nu niet bepaald tot de vijanden van Gracchus gerekend kon worden. De vermoorde volkstribuun had in de stad en op het platteland nog steeds zeer veel aanhangers en deze dreigden nu Nasica aan te klagen voor zijn prominente rol bij de moord. De Senaat besloot daarop de man met een onbekende missie naar Klein-Azië te sturen. Het is mogelijk dat deze missie verband hield met de verwerving van het voormalige koninkrijk Pergamum.

Het Senaatsgebouw – de Curia – op het Forum Romanum.

Nasica’s reis naar het Oosten was zonder precedent. Hij was nog altijd de pontifex maximus en dat betekende dat op hem de juridische en religieuze verplichting rustte om in Italië te blijven. De Romeinen hadden deze verplichting altijd nageleefd, zelfs op het hoogtepunt van de Tweede Punische Oorlog (zie 205 BCE). Nu leefden ze echter in een tijd waarin in recordtempo met allerhande tradities gebroken werd. Het zou overigens nog knap lastig blijken om het voormalige koninkrijk Pergamum tot een Romeinse provincie om te vormen. Inmiddels was daar namelijk een troonpretendent genaamd Aristonikos opgestaan, die beweerde een zoon van wijlen Koning Eumenes II te zijn. Op grond daarvan riep Aristonikos zichzelf tot koning uit en hij zou het de Romeinen nog erg moeilijk maken.

Het conflict tussen enerzijds Gracchus en zijn aanhangers en anderzijds Nasica en zijn bondgenoten was evident geen conflict tussen ‘het volk’ en ‘de adel’. In feite ging het om een conflict binnen de Romeinse elite tussen hervormers en conservatieven. De geschiedschrijver Velleius Paterculus (eerste eeuw BCE) gebruikte de termen boni en optimates om Nasica en de senatoren die achter hem stonden te beschrijven.[3] Gracchus, die door Velleius als een afvallige werd beschouwd, was daarentegen een popularis, een man van het volk. Hoewel de termen pas enkele decennia later geïntroduceerd zouden worden[4], kan het hierboven beschreven conflict inderdaad gezien worden als een botsing tussen de populares en de optimates. We moeten deze twee groepen niet zien als politieke partijen in de moderne betekenis van het woord. Er bestonden namelijk geen politieke partijen in het oude Rome. De Romeinse politiek was sterk ‘candidate-centred’, zoals dat heet. Er bestonden wel bepaalde losse allianties tussen Romeinse politici en hun families, gebaseerd op diensten (officia) en vriendjespolitiek (gratia), maar deze allianties konden gemakkelijk weer uit elkaar vallen.

De Tempel van Castor en Pollux; de ruimte voor de tempel werd vaak gebruikt voor vergaderingen van de tribus.

In deze context waren de optimates de sociaal-conservatieven. Ondanks hun onderlinge meningsverschillen en het gebrek aan formele organisatie deelden deze politici een gemeenschappelijke ideologie die als uitgangspunt had dat de status quo gehandhaafd moest blijven. Tegenover hen stonden de populares, een losse groep van sociale hervormers die de belangen van het gewone volk beoogden te dienen, of in elk geval deden alsof. Dit deden ze door voorstellen in te dienen voor land- en graanwetten, en door wetgeving te bevorderen over provocatio (het recht om beroep in te stellen tegen besluiten van magistraten) en geheime stemmingen (zie de voorbeelden van 139 BCE en 137 BCE; in 131 BCE zou nog een derde stemwet volgen). Een gemeenschappelijke karaktertrek van de populares was dat ze hun doelen probeerden te bereiken via de volksvergadering en het ambt van volkstribuun. Doorgaans sloegen ze de discussie in de Senaat over, aangezien ze dit orgaan – met enige grond – beschouwden als een bolwerk van de conservatieve aristocratie.[5] Sterker nog, in feite maakten de populares van de volksvergadering een alternatieve Senaat. Deze kon over iedere kwestie een beslissing nemen, variërend van de benoeming van een legercommandant tot de regeling van zaken in een Romeinse provincie. Het behoeft geen betoog dat dit alles leidde tot spanningen met de échte Senaat.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic, p. 173-175;
  • Philip Matyszak, Chronicle of the Roman Republic, p. 126-132.

Noten

[1] Zijn volledige naam was natuurlijk Tiberius Sempronius Gracchus, maar om verwarring met zijn beroemde vader te voorkomen zal ik hem Tiberius Gracchus of gewoon Tiberius noemen.

[2] De tempel werd gebouwd in opdracht van de consul van 258 BCE, Aulus Atilius Calatinus. Mogelijk begon de bouw in 247 BCE, toen Calatinus als censor diende.

[3] Velleius Paterculus II.2-3.

[4] Ze worden sinds de jaren 80 BCE gebruikt, maar zijn mogelijk ouder. Zie Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic, p. 173.

[5] Al in 188 BCE was een precedent geschapen voor het overslaan van de discussie in de Senaat.

2 Comments:

  1. Pingback:De Oorlog tegen Aristonikos: De Jaren 132-131 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback:De Oorlog tegen Aristonikos: De Jaren 130-129 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.