De Numantijnse Oorlog: Het Jaar 139 BCE

Gezicht op het Forum Romanum.

Samenvatting

  • Viriathus wordt vermoord door zijn vrienden, die zijn omgekocht door de proconsul Quintus Servilius Caepio;
  • Caepio verslaat de opvolger van Viriathus en dwingt de Lusitaniërs tot overgave; deze krijgen nieuwe huisvesting op vruchtbare gronden; einde van de Lusitanische Oorlog;
  • De Senaat hernieuwt de oorlog tegen de Numantijnen, maar de consul Marcus Popilius Laenas weet helemaal niets te bereiken;
  • De Lex Gabinia de suffragiis introduceert de geheime stemming bij verkiezingen;
  • Chaldeeërs en Joden worden verdreven uit Rome.

Het hier besproken jaar werd gedomineerd door de oorlog in Spanje. De moord op de Lusitanische leider Viriathus maakte de weg vrij voor vrede in Hispania Ulterior, maar in de andere Spaanse provincie, Hispania Citerior, werd het conflict hernieuwd. In Rome werd een belangrijke wet over het stemgeheim aangenomen en Chaldeeërs en Joden werden uit de stad verdreven.

Spanje

Viriathus had gekozen voor de diplomatie en had een aantal van de vrienden die hij het meest vertrouwde naar de proconsul Quintus Servilius Caepio gestuurd om over vredesvoorwaarden te praten. Caepio kocht de vrienden echter om en gaf ze de opdracht hun leider te vermoorden. En dat deden ze: Viriathus werd gedood terwijl hij in zijn tent lag te slapen. Zijn aanhangers gaven hem een grandioze uitvaart, compleet met gladiatorenspelen. Na de dood van Viriathus kozen de Lusitaniërs een zekere Tantalus tot hun leider. Tantalus was lang niet zo getalenteerd, en zijn inval in Romeins gebied werd al snel afgeslagen door Caepio. De Romeinse aanvoerder lanceerde vervolgens een tegenaanval en dwong de Lusitaniërs zich over te geven. Zij werden vervolgens overgebracht naar vruchtbare gronden die Caepio hun toewees. Daarmee bracht de proconsul de oorlog tot een goed einde. Het had de Romeinen niet alleen bloed, zweet en tranen gekost om het conflict te winnen, maar ook omkoping en een nogal verraderlijke moord.

De oorlog in Spanje, 147-133 BCE (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Verder naar het noorden werd nog altijd strijd geleverd. De nieuwe consul Marcus Popilius Laenas kwam in Hispania Citerior aan en vernam dat zijn voorganger Quintus Pompeius een verdrag met de Numantijnen had gesloten. De consul besloot dit verdrag te negeren – waarschijnlijk ging het om een mondelinge overeenkomst – en hij ontkende zelfs dat het bestond. De Numantijnen hadden meer dan voldoende getuigen die konden bevestigen dat er wel degelijk een verdrag was gesloten, maar Laenas stuurden die allemaal naar Rome toe om daar verder te discussiëren met Pompeius. Een meerderheid van de senatoren was vermoedelijk van mening dat de consul het conflict nog altijd kon winnen met één beslissende overwinning en stond hem daarom toe de oorlog tegen de Numantijnen voort te zetten. Laenas bleek echter incompetent te zijn. Het lijkt er niet op dat hij Numantia heeft aangevallen en zijn veldtocht tegen de Lusones (buren van de Arevaci) leverde geen successen op.

Rome

Stemming in het Oude Rome (113-112 BCE). Een kiezer ontvangt een stemtablet van een beambte (links), een tweede kiezer deponeert het in de stembus (bron: Münzkabinett Berlin, CC BY-SA 3.0 license).

Dit jaar nam het concilium plebis de Lex Gabinia de suffragiis aan. De wet was de eerste in een reeks van vier leges tabellariae. Een tabella is een stembiljet of stemtablet, en alle vier de wetten hadden betrekking op introductie van het stemgeheim in verschillende vergaderingen. De hier besproken Lex Gabinia voerde een schriftelijke en daarmee geheime stemming in voor verkiezingen. We weten niet erg goed hoe er vóór de introductie van de schriftelijke stemming in de volksvergadering werd gestemd, maar het feit dat er functionarissen met de naam rogatores bij betrokken waren, suggereert dat de burgers mondeling stemden en hun voorkeuren aan deze functionarissen bekendmaakten. Bij zo’n mondelinge stemming waren ze natuurlijk kwetsbaar voor intimidatie en ongepaste druk. De Lex Gabinia maakte een einde aan dit probleem. Daarmee was er sprake van een constitutionele hervorming van groot belang, maar niet iedereen was er even blij mee. Cicero noemde de volkstribuun Gabinius een homo ignotus et sordidus, “een onbekende en vulgaire man”. De grote redenaar beklaagde zich erover dat de wet de invloed van de elite verminderde.[1] De Lex Gabinia werd gevolgd door drie soortgelijke wetten. Die voerden de geheime stemming in bij rechtszaken waarbij geen doodstraf kon worden opgelegd (137 BCE), wetgevende vergaderingen (131 BCE) en rechtszaken waarbij wél de doodstraf kon worden opgelegd (106 BCE).

Een gebeurtenis van nog groter historisch belang was de verbanning uit Rome van de Chaldeeërs (i.e. de Mesopotamiërs/Babyloniërs) en de Joden. Helaas is de gebeurtenis slecht gedocumenteerd. Boek LIV van Livius moet er een uiteenzetting over hebben gehad, maar dit boek is verloren gegaan. Een samenvatting van zijn werk dat bekendstaat als de ‘Oxyrhynchus Epitome’ (maar niet de ‘reguliere’ Periochae) noemt alleen de Chaldeeërs. Om de gaten in de tekst op te vullen moet deze worden aangevuld met moderne aannames.[2] De enige andere bron voor deze gebeurtenis is Valerius Maximus, een auteur uit de eerste eeuw CE. Maximus schreef een reeks boeken met daarin daden en gezegden die hij gedenkwaardig vond (zoals het grafschrift op de tombe van Scipio Africanus). Het gedeelte dat waarschijnlijk de uitzetting van de Chaldeeërs en de Joden behandelde (1.3.3.) is niet bewaard gebleven, maar we kunnen het wel reconstrueren omdat het wordt genoemd door twee latere en nogal obscure excerptoren, Julius Paris en Januarius Nepotianus.

Synagoge in het moderne Rome.

Uit de gereconstrueerde tekst kunnen we afleiden dat de praetor peregrinus Gnaeus Cornelius Scipio Hispanus zowel de Chaldeeërs als de Joden opdracht gaf de stad en Italië binnen tien dagen te verlaten. De Chaldeeërs werden gezien als valse astrologen en oplichters, die Romeinse burgers wijs maakten dat ze de sterren konden lezen en hun vervolgens hun geld afhandig maakten. De Joden werden beschuldigd van religieus proselytisme. Anders gezegd, de beschuldiging luidde dat ze probeerden Romeinse burgers tot hun geloof te bekeren. Van deze poging zou een corrumperende invloed uitgaan, dus ook de Joden moesten vertrekken. In dit verband moet wel opgemerkt worden dat de genoemde teksten in verschillende opzichten problematisch zijn. Julius Paris (maar niet Januarius Nepotianus) schreef bijvoorbeeld dat de Joden een god genaamd Jupiter Sabazius vereerden. Dat is een zeer raadselachtige bewering. Voor Jupiter kan men nog wel Jahwe lezen, maar Sabazius was een Frygische en Thracische godheid die vaak werd gelijkgesteld aan zowel Zeus als Dionysos. Voor ‘Jupiter Sabazius’ worden verschillende verklaringen gegeven, variërend van de verbanning van drie groepen uit Rome (Chaldeeërs, Joden en volgelingen van Sabazius) tot een auteur die de Sabbat en Sabazius door elkaar haalde. Genoeg stof tot nadenken dus, maar dat hoeven we niet hier te doen.

Het belangrijkste is dat de beweringen van Valerius Maximus (of beter gezegd: van Julius Paris en Januarius Nepotianus) erop wijzen dat er in 139 BCE sprake was van een Joodse gemeenschap in Rome. We weten dat er in 160 BCE een Joodse diplomatieke delegatie in Rome aankwam. De gezanten tekenden een vriendschapsverdrag tussen de Romeinse Republiek en de Makkabeeën (later de Hasmoneeën) van Judea. Wellicht bleven enkelen van hen achter in Rome als ambassadeurs. Het verdrag – dat in de jaren 140 tweemaal werd hernieuwd – kan ook migratie naar Italië hebben aangewakkerd. De betrekkingen tussen Romeinen en Joden lijken aanvankelijk hartelijk te zijn geweest, en nog in 142 BCE hadden de Makkabeeën een vriendelijke brief van een Romeinse consul ontvangen. Niettemin werd op dit punt in de Romeinse geschiedenis de Joodse monotheïstische religie kennelijk gezien als een bedreiging voor de Romeinse staatsgodsdienst en  de Romeinse zeden. De verbanning leidde echter niet tot een permanente verwijdering van de Joden, want we weten dat Rome in de eerste eeuw BCE weer een bloeiende Joodse gemeenschap had.

Bronnen

Primaire bronnen

  • Appianus, The Spanish Wars 74-75 and 79;
  • Cicero, De Legibus III.35;
  • Livius, Periochae, Book 54;
  • Valerius Maximus 1.3.3;
  • Velleius Paterculus, Roman History, Book II.1.

Noten

[1] Cicero, De Legibus III.35.

[2] Om precies te zijn, staat er: “Chaldaei urbe et It”. Moderne commentatoren voegen daaraan toe: “[alia abire iussi sunt.]”. De Joden of Judaei zijn afwezig.

One Comment:

  1. Pingback:De Numantijnse Oorlog: De Jaren 138-136 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.