Rome: De Sint Pieter

De Sint Pieter.

De Sint Pieter is de grootste christelijke kerk ter wereld. Hoewel ze niet als de kathedraal van Rome geldt, is de kerk waarschijnlijk beroemder dan de kerk die zich wél de kathedraal van Rome mag noemen: de San Giovanni in Laterano. Samen met deze kathedraal, de San Paolo fuori le Mura en de Santa Maria Maggiore behoort de Sint Pieter tot de vier basilicae maiores in de Eeuwige Stad. Volgens de overlevering werd de kerk door de christelijke keizer Constantijn de Grote over het graf van de heilige Petrus heen gebouwd. Petrus was niet alleen de eerste onder de discipelen van Christus en de meest vooraanstaande van zijn apostelen, maar gold tevens als de eerste bisschop van Rome en daarmee de eerste paus. Bij die overlevering zijn echter de nodige kanttekeningen te plaatsen. Bovendien is de door keizer Constantijn gebouwde basiliek verdwenen, want tussen 1506 en 1626 werd de Sint Pieter geheel herbouwd. In deze bijdrage zal ik me op de nieuwe Sint Pieter richten, maar dat kan niet zonder eerst bij de oude stil te staan. Ook zal ik eerst enkele alinea’s aan de apostel Petrus wijden. Wie alleen informatie over de nieuwe Sint Pieter zoekt, kan bij de paragraaf getiteld ‘Naar een nieuwe Sint Pieter’ beginnen.

De apostel Petrus

Volgens het Johannesevangelie kwam Petrus uit Betsaïda aan het Meer van Galilea.[1] Zijn echte naam was Simon of Simeon, zoon van Johannes.[2] Die naam was zowel Grieks als Hebreeuws en het is niet ondenkbaar dat Petrus beide talen enigszins machtig was. Zijn eerste taal was echter het Aramees en in die taal communiceerde hij ook met Jezus, die hem en zijn broer Andreas tot zijn discipelen maakte nadat hij hen bij het meer had aangetroffen terwijl ze aan het vissen waren.[3] Dat was namelijk hun beroep: de broers waren vissers. Volgens het Lucasevangelie werkten ze daarbij samen met Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die eveneens door Jezus onder zijn discipelen werden opgenomen.[4] Petrus had sowieso reden om Jezus dankbaar te zijn: de Heiland had zijn schoonmoeder van haar hoge koorts afgeholpen.[5] Dit verhaal, dat in alle drie de synoptische evangeliën voorkomt, is buitengewoon relevant, omdat het aangeeft dat Petrus getrouwd was. De man die als de eerste paus de geschiedenis ingegaan is, had dus gewoon een echtgenote, al speelt zij in het verhaal verder geen prominente rol. Over kinderen horen we niets.

Petrus op een fresco uit de achtste eeuw (Tempietto, Umbrië).

Met het voorgaande is nog niet verklaard waar de naam ‘Petrus’ vandaan komt. ‘Petrus’ is de Latijnse vorm van het Griekse Πέτρος, dat ‘rots’ betekent. Dat Griekse woord is op zijn beurt weer een vertaling van de Aramese bijnaam die Jezus aan Simon gaf, namelijk kefas.[6] Met die bijnaam werd de basis gelegd voor de beroemdste woordspeling die in de Bijbel voorkomt, namelijk die in Matteüs 16:18, waar Jezus tegen Petrus zegt: “En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen”. Wat Jezus hier ook mee bedoelde, het is nogal onaannemelijk dat hij doelde op een reis van de eerste onder zijn discipelen naar Rome, de hoofdstad van het Romeinse Rijk, waar Petrus de eerste bisschop zou moeten worden. Dat zou ook wel een hele opgave zijn geweest voor een visser uit Galilea zonder enige opleiding. Toch is dat wel wat katholieke christenen er later van gemaakt hebben. Het is ook niet onmogelijk dat Petrus naar Rome is afgereisd. Na de dood van Jezus aan het kruis zetten de apostelen zich aan het verspreiden van het nieuwe geloof, in de eerste plaats onder de Joden. In Rome woonden nogal wat Joden, naar schatting zo’n 30-40.000. Die Joodse gemeenschap in de stad was al zo’n 200 jaar oud.

Petrus sprak als gezegd als eerste taal Aramees, en wel met het accent van Galilea, dat in Jeruzalem al opviel.[7] Daar zal hij in Rome niet zoveel aan gehad hebben, maar mogelijk sprak hij – eventueel met wat hulp van een tolk – voldoende Hebreeuws en Grieks om zich daar te handhaven, al is het niet zo heel waarschijnlijk dat hij werkelijk in staat was tot het verzorgde Grieks van de twee brieven in de Bijbel die aan hem worden toegeschreven. Er is dan ook de nodige twijfel of die eerste en tweede brief van Petrus wel echt van zijn hand zijn. Het staat vrijwel vast dat Petrus geen Latijn sprak. Die taal was in het Griekstalige oosten van het Romeinse Rijk buiten het bestuur en het recht nooit ingeburgerd geraakt. Zo op het eerste gezicht had dat een probleem kunnen zijn als Petrus ook de bijna een miljoen niet-Joden in Rome had willen bereiken. Hoewel hij doorgaans de ‘apostel van Joden’ wordt genoemd en zijn collega Paulus de ‘apostel van de heidenen’, zijn er genoeg aanwijzingen dat Petrus niet exclusief voor Joden predikte en zich bovendien zelf lang niet altijd aan de Joodse spijswetten hield.[8] De vroege niet-Joodse christenen in Rome bedienden zich van het Grieks, dus kennis van het Latijn was niet per se nodig.[9] Een veel groter probleem is dat er, hoe sterk de overlevering ook is, maar zeer weinig direct bewijs is dat Petrus naar Rome is afgereisd.

Goudglaasje uit de vierde eeuw met Petrus, Paulus en Agnes (Annes). De twee mannelijke heiligen hebben nog niet hun kenmerkende uiterlijk (Vaticaanse Musea).

Goed beschouwd bevat de Bijbel eigenlijk geen enkele aanwijzing daarvoor. Zo rond het jaar 42 of 44 liet koning Herodes Agrippa Petrus’ voormalige compagnon Jakobus terechtstellen en Petrus zelf arresteren. Na zijn miraculeuze bevrijding door een engel “vertrok hij naar elders”, aldus de Handelingen van de Apostelen, maar meer informatie hebben we niet.[10] Wel valt in de eerste brief van Petrus, die is gericht tot enkele gemeenten in het Oosten, te lezen dat de uitverkorenen in Babylon hen groeten. Het is vrijwel zeker dat ‘Babylon’ hier een codenaam voor ‘Rome’ is, maar daarmee is nog niet gezegd dat Petrus de brief in Rome schreef, áls hij hem al schreef en áls hij al in Rome was. Voor de traditie dat Petrus naar Rome afreisde, kunnen we ons verder nog beroepen op een passage in een brief van Ignatius, bisschop van Antiochië, waarin hij suggereert dat Petrus en Paulus aan het hoofd van de kerk van Rome stonden.[11] Die brief is weliswaar authentiek, maar hij dateert van ca. 110 en is dus enkele decennia na de dood van Petrus geschreven. En dan hebben we nog de apocriefe Handelingen van Petrus, die expliciet stellen dat Petrus een schip naar Italië nam, maar die nog jonger zijn: vermoedelijk midden tweede eeuw.[12] De overlevering dat Petrus naar Rome kwam, is dus vooral een bijzonder sterke overtuiging, die mogelijk aan het begin van de tweede eeuw al diep in het bewustzijn van vele christenen was geworteld.

De Ager Vaticanus en de basiliek van Constantijn

Rondom het verblijf van Petrus in Rome ontstonden allerhande verhalen. Zo liet hij een boze tovenaar te pletter storten door enkel te bidden en werd hij later tijdens de christenvervolgingen van keizer Nero (54-68) gearresteerd. Petrus wist te ontsnappen, en op de plek waar hij het verband verloor dat om zijn gewonde enkel was gewikkeld werd later een kerk gesticht. Eenmaal buiten Rome kwam de apostel op de Via Appia Christus zelf tegen, en toen hij hem vroeg waar hij naartoe ging (Domine, quo vadis?), kreeg hij als antwoord: Eo Romam iterum crucifigi, “Ik ga naar Rome om nogmaals gekruisigd te worden”. Een opmerkelijke conversatie, waaruit we overigens niet mogen afleiden dat Petrus ineens wél Latijn sprak: het verhaal is overduidelijk verzonnen. Dat geldt niet voor de christenvervolgingen van Nero, want die zijn door de Romeinse geschiedschrijver Tacitus opgetekend.[13] Ze vonden plaats na de grote brand die Rome op 18 en 19 juli 64 teisterde. De keizer gaf de christenen hiervan de schuld, maar boze tongen beweerden dat hij de brand zelf had veroorzaakt om zijn Domus Aurea of Gouden Huis te kunnen bouwen. De vervolgingen moeten ergens in het jaar 67 beëindigd zijn, toen Nero naar Griekenland vertrok om vals te spelen tijdens de Olympische Spelen.

Kruisiging van Petrus – Giotto.

De slachtoffers van de christenvervolgingen zullen vooral Joodse christenen zijn geweest, want het christendom had toen nog sterk het karakter van een Joodse sekte. Als Petrus inderdaad in Rome verbleef, kan hij zeker tot de slachtoffers hebben behoord. Bisschop of ‘paus’ kan hij echter niet geweest zijn: de vroege kerk van Rome werd waarschijnlijk door meerdere bestuurders geleid[14] en kreeg pas ergens in de tweede helft van de tweede eeuw een bisschop in de moderne betekenis van het woord. Volgens de Handelingen van Petrus werd de apostel op eigen verzoek ondersteboven gekruisigd omdat hij zichzelf niet waardig achtte om op dezelfde manier te sterven als Christus. Waar vond die kruising plaats? Een tamelijk hardnekkige traditie stelt dat het naast de huidige kerk van San Pietro in Montorio gebeurde, maar ieder bewijs voor die stelling ontbreekt. Op enig moment in de Middeleeuwen is de theorie in zwang geraakt dat de kruisiging inter duas metas plaatsvond, tussen de twee metae. De eerste die dit verhaal optekende, was de Italiaanse humanist Flavio Biondo (1392-1463), maar het verhaal moet ouder zijn. De vraag is natuurlijk wat metae dan zijn. Eén betekenis is ‘piramide’, en zo vereeuwigde de grote Florentijnse schilder Giotto (ca. 1266-1337) de kruisiging op zijn rond 1320 gemaakte Stefaneschi Drieluik: tussen twee piramides (zie de afbeelding rechts). Het drieluik sierde ooit een van de altaren van de oude Sint Pieter en is tegenwoordig in de Vaticaanse Musea te bewonderen.

Maar er is nog een tweede betekenis, die wellicht logischer is: een meta is een keerpunt in een Romeins circus (vgl. het Nederlandse woord ‘meet’). Nero beschikte over een privé circus in zijn park buiten de stad dat gelegen was op de Ager Vaticanus, tegen de Vaticaanse heuvel aan. Volgens Tacitus liet hij daar ook terechtstellingen van christenen uitvoeren. Als Petrus in Rome was en slachtoffer van de christenvervolgingen van deze gekke keizer werd, dan kan de kruisiging heel goed tussen de twee keerpunten van het circus van Nero hebben plaatsgevonden. Dit circus was overigens al door keizer Caligula (37-41) gebouwd en werd na de dood van Nero in 68 verlaten. Bij gebrek aan onderhoud raakte het al snel in verval, maar de grote obelisk die mogelijk op de centrale spina van het circus stond, bleef nog tot 1586 op haar plek staan. Langs de weg ten noorden van het circus en op de Vaticaanse heuvel ontstond vervolgens in een drietal fasen de bekende Vaticaanse necropolis, waarvan een van de graven aan Petrus zou toebehoren. In dit filmpje wordt het ontstaan van de dodenstad verhelderend toegelicht. Nodeloos te zeggen dat de meeste graftombes niets met het christendom te maken hadden. Christenen waren nog maar een zeer kleine minderheid.

De drie fasen werden van elkaar gescheiden door modderstromen, die de graftombes en de restanten van het circus bedolven en het grondniveau verhoogden. Omstreeks het jaar 150 werd, tijdens de derde fase, op de plek waar Petrus begraven zou zijn een monumentje opgericht, de aedicula, bestaande uit drie nissen boven elkaar. We kunnen er bijna zeker van zijn dat deze aedicula hetzelfde bouwwerk is als het tropaion dat de priester Gaius rond het jaar 200 noemde in een brief, waarin hij sprak van eretekenen (tropaia) op de Ager Vaticanus en langs de weg naar Ostia van hen die de Kerk hebben gesticht, kortom van Petrus en Paulus. Een reconstructie van de aedicula, c.q. het tropaion van Gaius is in dit filmpje te zien.[15] Misschien was het bouwwerk niet meer dan een cenotaaf, maar als er ook relikwieën in werden bewaard, van wie dan ook, dan is het aannemelijk dat die tijdens de christenvervolgingen van keizer Valerianus in 258 naar elders werden overgebracht, samen met die van Paulus. Op een plek langs de Via Appia ontstond toen een complex bestemd voor de verering van de twee apostelen. Nu staat hier de kerk van San Sebastiano fuori le Mura.

Bronzen hoofd van keizer Constantijn (Capitolijnse Musea, Rome).

De relikwieën zijn mogelijk enkele decennia later teruggebracht door keizer Constantijn (306-337). Deze bekeerde zich weliswaar pas formeel op zijn sterfbed tot het christendom, maar trok tijdens vrijwel zijn hele regering in alle opzichten de christenen in zijn Rijk voor. Na zijn overwinning op zijn rivaal Maxentius bij de Milvische brug op 28 oktober 312 maakte Constantijn zich meester van Rome, een stad die hij in het jaar 326 voor het laatst bezocht. In de tussentijd gaf hij de opdracht voor de bouw van de Verlossersbasiliek (i.e. de kathedraal van Sint Jan van Lateranen of San Giovanni in Laterano) en doneerde hij waardevolle voorwerpen voor het naastgelegen baptisterium. Ook gaf hij de opdracht voor de bouw van monumentale basilieken boven de beweerde graven van de apostelen Petrus en Paulus, dus voor de oude Sint Pieter en de voorloper van de Sint Paulus buiten de Muren (San Paolo fuori le Mura). In welk jaar hij de opdracht voor de bouw van de oude Sint Pieter precies gaf, is niet meer na te gaan. Tussen 319 en 324 volgens de Atlas of Ancient Rome[16], volgens een andere bron in de periode 317-320, in 324 of pas in 326.[17] Weer een andere bron spreekt van voorbereidende werkzaamheden tussen 318 en 322 en de start van de bouw in 324. Kortom, we weten het alleen bij benadering.

Twee zaken weten we echter vrij zeker. In de eerste plaats is het uitgesloten dat Constantijn de oude Sint Pieter ooit voltooid heeft gezien. De keizer was immers in 326 voor het laatst in Rome en verruilde toen die stad voor het door hemzelf gestichte Constantinopel, dat op 11 mei 330 werd ingewijd. De basiliek kan nooit in 326 al klaar zijn geweest; veel bronnen noemen het jaar 349. In de tweede plaats was de bouw van de Sint Pieter een gigantische klus, die het uiterste vergde van de keizerlijke architecten. Het terrein was niet bijzonder geschikt voor een basiliek, want er stond reeds een uitgebreide necropolis, die ook nog eens voor een aanzienlijk deel op de helling van de Vaticaanse heuvel was gebouwd. De gekozen oplossing was radicaal: in het noorden werd de Vaticaanse heuvel afgegraven en werden de graftomben vernietigd. In het zuiden moest het terrein juist hoger worden, dus daar werden de graftomben van hun daken ontdaan en volgestort met aarde. Zo ontstond een gigantisch egaal platform van zo’n 240 bij 90 meter. Op dit stevige fundament kon vervolgens de oude Sint Pieter worden gebouwd.

Mis op de Piazza San Pietro bij de sluiting van het Geloofsjaar in 2013.

De oude Sint Pieter

Altaar met de overblijfselen van Paus Gregorius de Grote.

De transformatie van het Circus van Caligula en de necropolis van de Ager Vaticanus wordt treffend in beeld gebracht door dit filmpje en dit filmpje. De basiliek van Constantijn was werkelijk immens. De Atlas of Ancient Rome geeft als maximale lengte 112,5 meter en als maximale breedte 63,5 meter. De basiliek was vijfbeukig en had een middenschip dat meer dan 90 meter diep was, 23,5 meter breed en 32,5 meter hoog. De binnenste zijbeuken waren 18 meter hoog en de buitenste 14,89 meter.[18] De basiliek had een dwarsschip, dat zich aan het einde van het gebouw bevond. Daardoor had de oude Sint Pieter niet de vorm van een Latijns kruis, maar eerder van een Tau-kruis, zoals bij de latere Franciscaanse kerken. Het gebouw eindigde in een enkele apsis en vlak daarvoor hadden de architecten rondom het aedicula een marmeren omhulsel gebouwd met twee deuren. Daaromheen stond een baldakijn of ciborium, bestaande uit een balustrade (pluteus), gedraaide zuilen en vermoedelijk een open dak. Op de architraven rustte waarschijnlijk een constructie met elkaar kruisende metalen ribben, waaraan een kandelaar hing. Op de zogenaamde Capsella di Samagher uit het midden van de vijfde eeuw is de gehele constructie te zien. Het beweerde graf van Petrus vormde zo het religieuze middelpunt van het gebouw.

Als er een altaar is geweest van waaraf de mis werd opgedragen, dan moet dit onder het baldakijn of ervóór hebben gestaan. De vraag is echter of de oude Sint Pieter wellicht oorspronkelijk een zogenaamde gravenbasiliek is geweest. In zulke basilieken stond niet de mis, maar het houden van bepaalde begrafenisriten centraal, zoals processies om de graven van de daar begraven heiligen heen en mogelijk ook om begrafenismaaltijden. Soms ontwikkelden zulke gravenbasilieken zich tot echte kerken: het schoolvoorbeeld is de reeds genoemde San Sebastiano fuori le Mura. In andere gevallen werden de gravenbasilieken op den duur verlaten en raakten ze in verval, terwijl tegelijkertijd in de buurt nieuwe kerken verrezen. Dat was het geval met de San Lorenzo fuori le Mura, de Sant’Agnese fuori le Mura en de Santi Marcellino e Pietro. De oude Sint Pieter stond, anders dan de nieuwe kathedraal, buiten de stad en was daarmee wat lastiger te bereiken voor christenen. Als plek voor het houden van missen lag het Vaticaan dus minder voor de hand. Maar hoe dit ook zij, de oude Sint Pieter had in elk geval sinds de tijd van Paus Gregorius de Grote (590-604) een altaar, want deze liet de vloer van de apsis en het dwarsschip met meer dan een meter ophogen en plaatste er een nieuwe baldakijn en een altaar.

De begrafenis van Petronilla – Guercino (Capitolijnse Musea, Rome).

De omgeving van de oude Sint Pieter behoeft ook enige bespreking. Achter de basiliek, dus ten westen ervan, stond het zogenaamde Mausoleum Aniciorum, dat wellicht een link had met de adellijke gens Anicia. Bij deze familie zou Sint Benedictus (ca. 480-547) nog enkele jaren hebben ingewoond (zie Rome: San Benedetto in Piscinula). Het mausoleum overleefde de bouw van de basiliek, maar werd in de zestiende eeuw gesloopt toen de bouw van de nieuwe Sint Pieter begon. Ten zuiden van de basiliek stonden nog twee mausolea, beide rond. Het linker mausoleum dateerde van ná de bouw van de oude Sint Pieter en was zo’n 30 meter in doorsnede. In dit christelijke mausoleum werden keizer Honorius (395-423), zijn eerste vrouw Maria en zijn tweede vrouw Aemilia Materna Thermantia bijgezet.[19] Paus Stephanus III (752-757) vormde het mausoleum om tot de ronde kerk van Santa Petronilla, die lange tijd gold als de nationale kerk van Frankrijk (zie Rome: San Luigi dei Francesi). Kort na 1506 ging deze kerk tegen de vlakte om ruimte te maken voor de nieuwe Sint Pieter. Keizerin Maria werd in 1544 teruggevonden. Naar verluidt was haar lichaam gewikkeld in een gouden lijkwade en was haar graf rijkelijk voorzien van grafgiften. Daarvan is bijna niets bewaard gebleven: al het goud werd omgesmolten.

Het rechter mausoleum werd al vóór de oude Sint Pieter gebouwd, ergens in de derde eeuw. Voor wie de graftombe bedoeld was, is niet duidelijk, maar mogelijk ging het om een lid van de keizerlijke familie.[20] Paus Symmachus (498-514) wijdde het gebouw aan de apostel Andreas, de broer van Petrus. In de veertiende eeuw kreeg het vervolgens de naam van Santa Maria della Febbre, Onze-Lieve-Vrouw van de Koorts (en wel de koorts veroorzaakt door malaria). Paus Pius II (1458-1464) maakte er een sacristie van, die onder Paus Pius VI (1775-1799) werd afgebroken om ruimte te maken voor een nieuwe sacristie. Daarvoor ging overigens ook de nationale kerk van de Hongaren tegen de vlakte (zie Rome: Santo Stefano Rotondo). Naast de Santa Maria della Febbre stond tot 1586 de obelisk van het Circus van Caligula en Nero. In dat jaar verplaatste Domenico Fontana (1543-1607) het gevaarte naar zijn huidige locatie, het grote plein voor de nieuwe Sint Pieter.

Bronzen dennenappel.

Voor de oude Sint Pieter strekte zich geen open plein uit. De basiliek had een afgesloten atrium, dat via een trap bereikt kon worden. Waarschijnlijk werd dit atrium pas na voltooiing van de basiliek bijgebouwd. Het stond er in elk geval in de tijd van Paus Symmachus, die op het plein ook een fontein liet plaatsen. Deze fontein was de enorme bronzen dennenappel die thans in de Cortile del Belvedere van de Vaticaanse Musea te vinden is. De precieze herkomst van de dennenappel is wat schimmig, maar het voorwerp dateert zeker van de Oudheid. Volgens de ene bron kwam het object van het Mausoleum van Hadrianus, volgens de andere stond het in de buurt van het Pantheon naast de Tempel van Isis en Serapis. Pas onder Paus Donus (676-678) werd het atrium geplaveid. Oorspronkelijk was het waarschijnlijk eerder een tuin, wat de bijnaam Paradisum verklaart, naar de Hof van Eden. Onder Paus Gregorius IV (827-844) werd het atrium grotendeels herbouwd en van een poortgebouw met drie ingangen voorzien. In de veertiende eeuw maakte de grote Florentijnse kunstenaar Giotto (1266-1337) voor dit poortgebouw zijn Navicella-mozaïek, dat we thans in zwaar gerestaureerde vorm in de loggia van de Sint Pieter vinden. Het atrium was ten slotte ook de plaats van de klokkentoren van de kerk. Deze werd waarschijnlijk in de elfde eeuw gebouwd.

De oude Sint Pieter moet schitterende versieringen hebben gehad. Paus Leo de Grote (440-461) liet mozaïeken maken voor de apsis en de gevel. Deze werden door respectievelijk Paus Innocentius III (1198-1216) en Paus Gregorius IX (1227-1241) vervangen door nieuwe mozaïeken. De kerk had nog veel meer versieringen in de vorm van mozaïeken en fresco’s, maar van dit alles is vrijwel niets bewaard gebleven. In de kerk van Santa Maria in Cosmedin vinden we nog een stukje mozaïek uit de oude Sint Peter dat begin achtste eeuw werd gemaakt, mogelijk tijdens het pontificaat van Paus Johannes VII (705-707).

Navicella-mozaïek van Giotto, maar zwaar gerestaureerd.

De oude Sint Pieter eind vijftiende eeuw, op een tekening uit de negentiende eeuw (Wikimedia Commons).

Als gezegd stond – en staat – de Sint Pieter buiten de stadsmuren. Het isolement werd enigszins verholpen door het ontstaan van de Borgo eromheen. Rondom de kerk werden kloosters gesticht en eind achtste eeuw stichtten de Friezen, Franken, Saksen en Longobarden er hun scholae voor de opvang van pelgrims uit de Germaanse streken. Daarvan is alleen de bekende Friezenkerk of Santi Michele e Magno volledig bewaard gebleven. Ondanks de omringende bebouwing bleef de Sint Pieter zeer kwetsbaar, en in 846 voeren islamitische piraten uit Noord-Afrika de Tiber op en plunderden de kerk. Ook de San Paolo fuori le Mura werd het slachtoffer van deze rooftocht. In reactie hierop liet Paus Leo IV (847-855) de Borgo omringen met verdedigingsmuren, die er nog steeds staan. De aanval van de Noord-Afrikaanse moslims op twee van de belangrijkste kerken van het Latijnse christendom was zeer ernstig, maar nog veel erger was het bloedbad dat de christen Frederik Barbarossa, keizer van het Heilige Roomse Rijk, in 1167 aanrichtte. Deze keizer lag flink overhoop met Paus Alexander III (1159-1181). De keizerlijke strijdmacht brandde het atrium van de oude Sint Pieter plat, beukte de deuren van de kerk in, drong naar binnen en richtte een bloedbad aan in het middenschip.

Naar een nieuwe Sint Pieter

Het Rome van het einde van de dertiende en het begin van de veertiende eeuw was een bloeiende stad. Daarna ging echter alles mis. In mei 1308 raakten zowel de kathedraal van San Giovanni als het naastgelegen Lateraans paleis zwaar beschadigd bij een grote brand. De pausen gingen een jaar later definitief in ‘ballingschap’ in Avignon en hieraan werd pas in 1377 een einde gemaakt. Een jaar later brak echter het Groot Westers Schisma uit, met als gevolg dat er tot 1417 zowel in Rome als in Avignon een paus resideerde, en er soms zelfs drie pausen waren. Omdat het Lateraans paleis nog een bouwval was, besloot Paus Gregorius XI (1370-1378) zich in het Vaticaan te vestigen, wat grotendeels verklaart waarom ook tegenwoordig nog de Sint Pieter beroemder en feitelijk ook belangrijker is dan de eigenlijke kathedraal van Rome. De oude Sint Pieter was echter nodig aan onderhoud toe. Sterker nog, onder Paus Nicolaas V (1447-1455) werd vastgesteld dat de basiliek op instorten stond. De opvolgers van Nicolaas hielden het voorlopig nog bij restauraties, en Paus Sixtus IV (1471-1484) liet de vergeten architect Giovannino de’ Dolci (ca. 1435-1485) de befaamde Sixtijnse kapel bouwen, naar een ontwerp van de bekendere Baccio Pontelli (ca. 1450-1492). Pas onder Paus Julius II (1503-1513), een neef van Sixtus, werd besloten tot sloop en nieuwbouw.

De Sixtijnse kapel, gezien vanaf de koepel van de Sint Pieter.

De koepel van Michelangelo.

Het werk aan de nieuwe Sint Pieter begon in 1506 onder leiding van Donato Bramante (1444-1514). Bramante ruinante ging als een wervelwind door de kerk heen en bleek vooral goed in afbreken te zijn: het dwarsschip en de kerk van Santa Petronilla – het voormalige mausoleum van Honorius – gingen tegen de vlakte. Voor zijn dood in 1514 had Bramante alleen nog maar een beginnetje met de nieuwe koepel gemaakt. Na hem werden Giuliano da Sangallo de Oudere en Rafaël als architect aangesteld, maar zij stierven in 1516 respectievelijk 1520. De volgende architect was Baldassare Peruzzi, die tot aan zijn dood in 1536 in functie bleef, waarna Antonio da Sangallo de Jongere – een neef van de Oudere – het stokje mocht overnemen tot aan zijn eigen dood in 1546. Daarna werd Michelangelo aangesteld, die de huidige koepel ontwierp. Helaas was de koepel nog niet klaar toen de grote architect in 1564 het tijdige met het eeuwige verwisselde. Na Michelangelo werkten Pirro Ligorio en Giacomo Barozzi da Vignola nog aan de koepel, maar deze werd pas in de periode 1589-1593 voltooid door Giacomo della Porta (1532-1602), met de reeds genoemde Domenico Fontana als assistent.[21]

Nu de koepel en het dwarsschip klaar waren, was het de beurt aan het schip van de kerk. In dit verband moet worden opgemerkt dat het schip van de oude Sint Pieter al die tijd was blijven staan. In 1606 besloot Paus Paulus V (1605-1621) het te slopen en te vervangen. Ook het atrium, het poortgebouw en de klokkentoren werden afgebroken. Als nieuwe architect was inmiddels Carlo Maderno (1556-1629) aangesteld. Tevens was de oude discussie beslecht of de nieuwe Sint Pieter de vorm van een Grieks of een Latijns kruis zou moeten krijgen: het zou een Latijns kruis worden. Tussen 1607 en 1614 bouwde Maderno het schip, de zijkapellen en de gevel. Op de gevel is de naam van Paus Paulus V (Camillo Borghese) vermeld, alsook het jaar 1612. De gevel had oorspronkelijk twee klokkentorens moeten krijgen, een aan elke kant, maar deze bleken te hoog en te zwaar te zijn. Wat u aan de linker- en rechterkant van de gevel ziet, zijn dus eigenlijk twee onvoltooide torens, die niet boven de daklijn uitkomen. Een tweede poging om klokkentorens te bouwen onder leiding van niemand minder dan Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) mislukte eveneens (zie Rome: Galleria Borghese). Uiteindelijk voegde Giuseppe Valadier (1762-1839) eind achttiende eeuw twee horloges toe aan de nooit voltooide torens. De linker toren heeft bovendien een klok die geluid kan worden. Daar moest de nieuwe Sint Pieter het maar mee doen.

Interieur van de Sint Pieter.

Het baldakijn van Bernini.

De nieuwe Sint Pieter werd in 1626 gewijd door Paus Urbanus VIII (1623-1644). De aandacht verplaatste zich nu van de buitenkant naar het interieur van de kerk. Hier was een belangrijke rol weggelegd voor Urbanus’ protegé Bernini, die echt zijn stempel op de nieuwe basiliek drukte, zoals zijn grote rivaal Borromini dat deed met de kathedraal van San Giovanni. “In de halve eeuw na 1623 ging er in feite vrijwel geen jaar voorbij zonder dat Bernini betrokken was bij het decoreren van deze wonderbaarlijke basiliek”, aldus kunstcriticus Robert Hughes.[22] Bernini decoreerde de wanden van de Sint Pieter en verzorgde enkele pauselijke graftomben (zie ook hieronder). Tussen 1626 en 1633 bouwde hij bovendien het beroemde bronzen baldakijn met de gedraaide zuilen boven het hoogaltaar. Het is 28 meter hoog. Op het baldakijn zien we de bijen van het wapen van de Barberini’s, de familie waartoe Paus Urbanus behoorde (zijn echte naam was Maffeo Barberini). Volgens een hardnekkige mythe vervaardigde Bernini zijn baldakijn van brons afkomstig uit de portiek van het Pantheon. Van dat brons werden in werkelijkheid echter kanonnen voor het Castel Sant’Angelo gegoten. Onder het baldakijn staat het hoogaltaar van de kerk, een enorm blok marmer afkomstig van het Forum van keizer Nerva (96-98), dat zelf weer direct boven het beweerde graf van Petrus staat. Voor het altaar leiden twee wenteltrappen naar de confessio of crypte.

Bernini was natuurlijk ook verantwoordelijk voor het plein voor de Sint Pieter, de Piazza San Pietro. Hij legde het plein tussen 1656 en 1667 aan in opdracht van Paus Alexander VII (1655-1667). Centraal op het plein staat de Egyptische obelisk die ooit het Circus van Caligula sierde en die hier in 1586 door Domenico Fontana werd neergezet (zie hierboven). Hoewel u her en der nog wel kunt lezen dat de obelisk uit de tijd van de farao’s dateert, is dat echt niet het geval. Op de obelisk staan ook geen Egyptische hiërogliefen. De obelisk werd gemaakt in opdracht van Gaius Cornelius Gallus, de eerste prefect van de Romeinse provincie Egypte. Onder keizer Caligula (37-41) werd het gevaarte vervolgens per schip naar Rome getransporteerd. Aan weerszijden van de obelisk staat een fontein. De rechter is van Carlo Maderno, de linker van Carlo Fontana (ca. 1634/38-1714), die ook het baptisterium van de Sint Pieter ontwierp en daarmee in zekere zin als de laatste architect van de nieuwe Sint Pieter mag gelden.

Uitzicht op de Piazza San Pietro.

Hoogtepunten

De Porta Sancta of Heilige Deur.

In de Sint Pieter is te veel te zien om in één bijdrage te kunnen bespreken. Om maar wat cijfers te geven: de kerk is op het langste punt 220 meter lang en op het breedste punt 150 meter breed. Het middenschip is meer dan 46 meter hoog en de koepel heeft een hoogte van 136,6 meter. Ik zal me daarom beperken tot enkele hoogtepunten die in het voorafgaande nog niet aan de orde zijn geweest. Wat mijn taak aanzienlijk gemakkelijker maakt, is dat grote delen van de kerk niet voor bezoekers toegankelijk zijn. Het gedeelte achter het altaar en het rechter dwarsschip zijn (doorgaans) afgesloten en bepaalde kapellen – bijvoorbeeld de Sacramentskapel – zijn alleen toegankelijk voor mensen die willen bidden.

De loggia of open voorhal van de basiliek is meteen erg interessant. Naast het reeds genoemde Navicella-mozaïek van Giotto (zie hierboven) vinden we hier vijf deuren. De centrale bronzen deur werd tussen 1433 en 1445 gemaakt door Antonio di Pietro Averlino, beter bekend als Filarete (ca. 1400-1469). Deze deur maakte dus nog deel uit van de oude Sint Pieter. Dat geldt niet voor de andere vier deuren, die allemaal in de twintigste eeuw werden vervaardigd. De deur uiterst rechts is de Heilige Deur of Porta Sancta, die alleen in Heilige Jaren wordt geopend. Dat kan ook moeilijk anders, want het portaal waarin de deur hangt, is dichtgemetseld. De zestien bronzen panelen op de deur zijn van de hand van de beeldhouwer Vico Consorti (1902-1979). Eenmaal binnen constateren we dat de nieuwe Sint Pieter, anders dan haar vijfbeukige voorganger, een driebeukige kerk is.

Pietà – Michelangelo.

Het beroemdste kunstwerk in de Sint Pieter is ongetwijfeld de schitterende Pietà van Michelangelo. Dit beeld van de gestorven Christus op schoot bij zijn moeder staat in de eerste kapel rechts. Het werd voltooid in 1499, toen Michelangelo nog maar 24 jaar oud was. Een interessant weetje is dat de Pietà helemaal niet voor de Sint Pieter is gemaakt. In 1500 werd het beeld als altaarstuk in de kerk van Santa Petronilla geplaatst. Die gold als de Franse nationale kerk, en de opdracht kwam dan ook van een Franse kardinaal: Jean Bilhères de Lagraulas (gestorven in 1499). Toen de Santa Petronilla tegen de vlakte ging, werd het beeld overgebracht naar de inmiddels tot sacristie omgebouwde Santa Maria della Febbre. Pas in 1749 werd de Pietà in de eerste kapel rechts geplaatst. Het pantserglas in de kapel moet een aanval voorkomen zoals die in 1972 plaatsvond. Een geestelijk gestoorde man die dacht dat hij de herrezen Christus was, ging het beeld toen te lijf met een hamer. Overigens is dit niet de enige Pietà die Michelangelo maakte: ook in Florence en Milaan staan beelden van hem met hetzelfde thema.

De vier enorme pijlers waarop de koepel rust, zijn allemaal vernoemd naar een heilige. Van elk van deze heiligen is in een nis een beeld geplaatst, dat richting het hoogaltaar en het baldakijn van Bernini kijkt. Het gaat om Andreas (broer van Petrus), Helena (moeder van keizer Constantijn), Veronica (die Christus een doek aanbood om het zweet van zijn gezicht te vegen) en Longinus, de centurion die met zijn speer de zijde van Christus doorboorde.[23] Het beeld van Longinus is van Bernini zelf, de andere beelden zijn van respectievelijk de Vlaamse beeldhouwer Frans Duquesnoy (1597-1643) en diens Italiaanse collega’s Andrea Bolgi (1606-1656) en Francesco Mochi (1580-1654). Bij van de pijler van Longinus staat een ander beroemd en interessant beeld. Het stelt Petrus voor die op zijn troon zit en met zijn rechterhand zijn zegen geeft. In zijn linkerhand houdt hij de sleutels van de hemel vast. De theorie dat het beeld uit de late Oudheid dateert, is niet erg populair meer. Meestal wordt aangenomen dat het gaat om een beeld van de Florentijnse beeldhouwer en architect Arnolfo di Cambio (ca. 1240-1300/1310). Achter de pijler van Andreas is een ingang naar de Grotte, de crypte van de kerk. Zie daarvoor deze interessante video. Het beweerde graf van Petrus zult u echter niet zien als u de crypte bezoekt[24]; daarvoor moet u zich aanmelden voor een rondleiding door de opgravingen.

Andreas – Frans Duquesnoy / Petrus – Arnolfo di Cambio (toegeschreven).

Matteüs – Cesare Nebbia.

Als we in de buurt van het altaar staan en omhoog kijken, kunnen we zien hoe prachtig de binnenkant van de koepel gedecoreerd is. De pendentieven zijn voorzien van mozaïeken van de vier evangelisten. Giovanni De Vecchi (1536-1614) maakte de mozaïeken van Lucas en Johannes en Cesare Nebbia (ca. 1536-1622) was verantwoordelijk voor Marcus en Matteüs. Matteüs is in dit verband de belangrijkste evangelist. In zijn evangelie staat immers de beroemde zin over de rots waarop Jezus zijn kerk zal bouwen (zie hierboven). Op de onderrand van de trommel van de koepel lezen we de volgende tekst in het Latijn van de Vulgaat:

TV ES PETRVS ET SVPER HANC PETRAM AEDIFICABO ECCLESIAM MEAM ET TIBI DABO CLAVES REGNI CAELORVM
(“Jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen en ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven”)

Wat overigens slechts een gedeelte van de tekst van Matteüs 16:18-19 is. Het gedeelte dat de poorten van het dodenrijk haar – i.e. de kerk van Christus – niet zullen kunnen overweldigen, is weggelaten, net als het gedeelte over wat Petrus bindend verklaart en ontbindt op aarde (dat zal in de hemel dezelfde status hebben; overigens is die tekst wel in de rechter zijbeuk te vinden). De mozaïeken aan de binnenzijde van de koepel zelf werden gemaakt door Giuseppe Cesari (1568-1640), bij zijn tijdgenoten bekend als de Cavalier d’Arpino.

Binnenzijde van de koepel.

De sacristie van Paus Pius VI (1775-1799), hierboven reeds genoemd, is tegenwoordig een museum, de Tesoro of Schatkamer. Het museum is erg interessant en de toegangsprijs is laag, maar om de een of andere reden mag er niet gefotografeerd worden. Dat is vreemd, want in de rest van de kerk is dat geen enkel probleem. Bezoekers zullen het er echter mee moeten doen. Een van de pronkstukken van de Tesoro is de sarcofaag van Junius Bassus uit de vierde eeuw. Deze Bassus, een christen, was prefect van Rome (praefectus urbi) en stierf op 25 augustus 359 op 42-jarige leeftijd. Hij werd achter in de oude Sint Pieter begraven, niet ver van Petrus.[25] Bassus’ vader Junius Annius Bassus, géén christen, was in 331 consul geweest en liet in de stad een basilica bouwen met schitterende versieringen in opus sectile. De basilica is verdwenen, maar de decoraties zijn gelukkig bewaard gebleven. Andere voorwerpen in de Schatkamer die zeer de moeite waard zijn, zijn het grafmonument van Paus Sixtus IV en het kruis van keizer Justinus II. De graftombe is een werk van Antonio del Pollaiuolo (ca. 1431-1498); een foto vindt u hier. Het kruis is ook bekend als de Crux Vaticana. De Oost-Romeinse keizer Justinus II (565-578) en zijn vrouw schonken het aan de bevolking van Rome.

Grafmonumenten

In de gang die naar de sacristie leidt, hangt een plaquette met de kop SVMMI PONTIFICES IN HAC BASILICA SEPULTI. Op de plaquette staan bijna 150 namen van pausen die ooit hun laatste rustplaats in de basiliek vonden. Ooit, want verreweg de meeste graven en monumenten zijn verdwenen. Veel vroege pausen werden begraven in de loggia van de oude Sint Pieter en van hun graftomben zijn in het beste geval alleen wat stukjes bewaard gebleven. Als gezegd vinden we het monument voor Paus Sixtus IV in de Tesoro, dus dat is nog een beetje in de Sint Pieter, maar van veel andere pausen zijn de graftomben naar andere kerken verplaatst. De graftombes van Paus Pius II (1458-1464) en zijn neef Paus Pius III (1503) vinden we bijvoorbeeld in de Sant’Andrea della Valle, en de geestelijk vader van de Sint Pieter, Julius II, rust in de San Pietro in Vincoli. Sommige pausen werden nooit in de Sint Pieter begraven. Dat geldt bijvoorbeeld voor Paus Innocentius II (1130-1143), die oorspronkelijk werd bijgezet in de San Giovanni in Laterano, maar in 1308 werd overgebracht naar de Santa Maria in Trastevere. En natuurlijk zijn er ook pausen van wie de graftombes zich buiten Rome bevinden. Men denke aan de pausen die vanuit Avignon heersten, maar ook aan een paus als Gregorius X (1271-1276), die stierf in Arezzo en daar zijn laatste rustplaats vond. Een complete lijst met bewaard gebleven pauselijke graftombes vindt u hier.

Graftombe Paus Leo XI – Alessandro Algardi.

Veel graftombes van pausen zijn te vinden in de Grotte, waar de simpele tombe van de enige Engelse paus uit de geschiedenis, Adrianus IV (1154-1159), een van de oudste bewaard gebleven monumenten is. De graftombes in de kerk zelf zijn van veel recentere datum. Als ik me niet vergis, is de oudste die van Paus Innocentius VIII (1484-1492), gemaakt door de reeds genoemde Antonio del Pollaiuolo. Twee hoogtepunten vindt u helemaal achter in de Sint Pieter, te weten de tombes van Paus Paulus III (1534-1549) door Guglielmo della Porta (gestorven 1577) en van Paus Urbanus VIII (1623-1644) door Bernini. Omdat het achterste gedeelte van de kerk is afgesloten, kunt u hier helaas niet in de buurt komen.

De tombes staan aan weerszijden van de cathedra Petri, de bisschopszetel waarop Petrus zou hebben gezeten. De houten troon is echter van veel recentere datum. De Frankische koning en keizer van het Heilige Roomse Rijk Karel de Kale gaf het voorwerp in 875 als cadeau aan Paus Johannes VIII (872-882). De troon zelf is overigens niet te zien: die zit verpakt in een reliekschrijn van verguld brons die wordt gedragen door vier Kerkleraren, te weten Ambrosius, Augustinus van Hippo, Johannes Chrysostomus en Athanasius van Alexandrië (de grote tegenstander van Arius). Het geheel is wederom een ontwerp van Bernini en werd in de periode 1657-1666 vervaardigd. Interessant zijn de teksten in de apsis. Ze zijn zowel in het Latijn als in het Grieks en zijn een variatie op Johannes 21:15-17 over het hoeden van de lammeren en schapen van Christus door Petrus:

O PASTOR ECCLESIAE TU OMNES CHRISTI PASCIS AGNOS ET OVES
ΣΥ ΒΟΣΚΕΙΣ ΤΑ ΑΡΝΙΑ ΣΥ ΠΟΙΜΑΙΝΕΙΣ ΤΑ ΠΡΟΒΑΤΑ ΧΡΙΣΤΟΥ

De Cathedra Petri, met aan weerszijden de grafmonumenten voor de pausen Paulus III en Urbanus VIII.

Graftombe Paus Alexander VII – Bernini.

Zeer fraai is ook de graftombe van Paus Leo XI (1605) door Alessandro Algardi (1598-1654) en dat geldt ook voor die van Paus Alexander VII (1655-1667) door Bernini. Het monument van Leo (zie hierboven) is misschien iets te veel eer voor iemand die minder dan een maand paus was. Bernini was verantwoordelijk voor de graftombes van de twee pausen die onlosmakelijk met de nieuwe Sint Pieter verbonden zijn, namelijk Urbanus VIII, die de basiliek in 1626 wijde en opdracht gaf voor het baldakijn, en Alexander VII, die de opdracht gaf voor de Piazza San Pietro en de cathedra Petri. De eveneens prachtige graftombe van Paus Innocentius XI (1676-1689) werd gemaakt door de Franse beeldhouwer Pierre-Étienne Monnot (1657-1733), naar een ontwerp van Carlo Maratta (1625-1713). Heel bijzonder is de graftombe van Paus Pius VII (1800-1823). Deze is namelijk gemaakt door Bertel Thorvaldsen (1770-1844), een Deen én een protestant. Dat hij als de facto ketter de opdracht kreeg, was vooral de verdienste van kardinaal Ercole Consalvi (1757-1824).

In de Sint Pieter vinden we niet alleen grafmonumenten voor pausen. In de Grotte bevindt zich bijvoorbeeld ook het graf van Koningin Christina van Zweden. Ze was de dochter van de Zweedse Koning Gustaaf II Adolf, bijgenaamd de “Leeuw van het Noorden”, die in 1632 sneuvelde op het slagveld. Christina was toen pas zes jaar oud. Als het enige nog levende wettige kind volgde ze haar vader op. Christina was zeer erudiet en hoogopgeleid. Ze weigerde te trouwen, deed in 1654 troonsafstand en bekeerde zich van het Lutherse tot het Rooms-Katholieke geloof. Ze vertrok naar Rome en leefde daar tot aan haar dood in 1689, vanaf 1662 in het (latere) Palazzo Corsini. Ze had relaties met mannen, maar vooral met vrouwen, en over haar seksualiteit wordt nog altijd gediscussieerd. Tegenover de tweede kapel rechts vinden we een cenotaaf voor haar. Deze werd in 1702 gemaakt in opdracht van Paus Clemens XI (1700-1721). Het ontwerp is van Carlo Fontana, het portret van Giovanni Giardini (1646-1722) en het bas-reliëf van Jean-Baptiste Théodon (1645-1713). Op het reliëf zien we haar bekering tot het katholicisme. Opmerkelijk is de tekst rondom het portret: Christina wordt koningin van de Zweden, Goten en Vandalen genoemd. Die laatste twee volkeren plunderden Rome, in respectievelijk 410 en 455.

Van belang is verder het monument voor Jacobus Stuart, de zelfverklaarde Koning Jacobus III van Engeland (1688-1766), ook bekend als The Old Pretender. Hij was de zoon van Koning Jacobus II, de katholieke koning die door stadhouder Willem III en diens vrouw Mary Stuart, de protestantse dochter van de koning, opzij werd geschoven in de Glorious Revolution (1688-1689). Het monument is tevens voor de zoons van The Old Pretender, Charles (Bonnie Prince Charlie) en Henry, de zogenaamde kardinaal-hertog van York.

Monument voor Maria Clementina Sobieska.

Tegenover het monument voor de Stuarts zien we het monument voor hun vrouw respectievelijk moeder, Maria Clementina Sobieska (1702-1735). Zij was een kleindochter van de Poolse koning Jan III Sobieski, die in 1683 Wenen had gered van de Turken. Vader, moeder en de twee zoons werden allemaal in de Sint Pieter begraven. Het monument voor de Stuarts werd gemaakt door de beroemde Venetiaanse beeldhouwer Antonio Canova (1757-1822). Filippo Barigioni (1672-1753) ontwierp het monument voor Maria Clementina en het werd gemaakt door Pietro Bracci (1700-1773).

Tot slot een opmerkelijk weetje over de Sint Pieter: u zult er vrijwel geen schilderijen meer aantreffen. Vanwege het niet zo florissante binnenklimaat is al enkele eeuwen het beleid om schilderijen te vervangen door mozaïeken. Veel schilderijen zijn te zien in de Vaticaanse Musea, die bijvoorbeeld de Kruisiging van Petrus door Guido Reni (1575-1642) hebben, terwijl in de Capitolijnse Musea het enorme schilderij met de begrafenis van Sint Petronilla door Guercino (1591-1666) staat (zie hierboven). Ook zijn de nodige schilderijen naar andere kerken verplaatst. Wat dat betreft is de kerk van Santa Maria degli Angeli bij het centraal station van Rome met een dozijn schilderijen royaal bediend.

Het uitzicht vanaf de koepel

Eigenlijk zou iedereen die daartoe in staat is de koepel van de Sint Pieter moeten beklimmen om van het adembenemende uitzicht te genieten. U moet er wel 537 traptreden voor bedwingen, maar u krijgt er ongelooflijk veel voor terug. Het enige minpunt is het uitzicht op de achterkant van de dertien beelden op de gevel van de kerk. Deze werden onder leiding van Carlo Maderno gemaakt door een reeks minder bekende beeldhouwers, die het niet nodig vonden ook de achterkant van de beelden te voltooien. Met massatoerisme werd toen natuurlijk nog geen rekening gehouden. Hier vindt u een overzicht van de betrokken kunstenaars. De dertien beelden stellen Christus, Johannes de Doper en elf apostelen voor. Petrus en Paulus zijn afwezig, en Judas is al vervangen door Mattias.[26] Op de Piazza San Pietro staan overigens wel beelden van Petrus en Paulus, en wel bij het begin van de trappen die naar de basiliek leiden. Die beelden zijn echter van latere datum: ze werden hier tijdens het pontificaat van Paus Pius IX (1846-1878) geplaatst.

Uitzicht over Rome.

Vanaf de koepel kan men veel van de bezienswaardigheden van Rome zien liggen: het Castel Sant’Angelo, het Pantheon, het monument voor Victor Emanuel, de Villa Medici en de veel kleinere koepels van allerhande Romeinse kerken. Eigenlijk is de koepel van de Sint Pieter ook de enige plek die een goed uitzicht op de Friezenkerk biedt. Hetzelfde geldt voor twee andere kerken, namelijk de Santa Maria della Pietà in Camposanto Teutonico, die ten zuiden van de Sint Pieter staat en als kerk voor Duitstaligen geldt, en de Santo Stefano degli Abissini achter de Sint Pieter, de nationale kerk van Ethiopië. De koepel biedt tevens een prachtig uitzicht op de Vaticaanse Musea, het pauselijke paleis, de Sixtijnse kapel en de Vaticaanse tuinen achter de basiliek. Tot besluit van deze bijdrage daarom een aantal foto’s die hopelijk duidelijk maken dat de uitdagende klim naar de top zonder meer de moeite waard is.

Uitzicht op de Vaticaanse Musea en de Sixtijnse kapel.

Uitzicht op de Engelenburcht.

Tuinen achter de Sint Pieter.

Uitzicht over Rome, met de kerk van Il Gesù (links), het monument voor Victor Emanuel (midden) en de kerken van Santa Maria in Aracoeli en Sant’Andrea della Valle (rechts).

Uitzicht op de Sint Pieter vanaf de Engelenburcht.

Bronnen

  • Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 561-564 en p. 585;
  • Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, part 2, Tab. 256-258;
  • Capitool Reisgidsen Rome, 2009, p. 230-233;
  • Henk Singor, Constantijn, p. 383-384;
  • John Julius Norwich, De Pausen, Hoofdstukken I en II;
  • Luc Verhuyck, SPQR. Anekdotische reisgids voor Rome, p. 327-357;
  • Robert Hughes, De zeven leven van Rome, p. 304-308;
  • San Pietro in Vaticano op Churches of Rome Wiki.

Noten

[1] Johannes 1:44.

[2] ‘Simeon’ komt voor in Handelingen 15:14 en de eerste regel van de tweede brief van Petrus. In Matteüs 16:17 noemt Jezus hem Simon Barjona, ‘zoon van Jona’ (of Johannes).

[3] Marcus 1:16-18; Matteüs 4:18-20.

[4] Lucas 5:10.

[5] Marcus 1:29-31; Matteüs 8:14-15; Lucas 4:38-39.

[6] Zie Johannes 1:42: “Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’).” (NBV)

[7] Zie Matteüs 26:73, waar Petrus beweert Jezus niet te kennen, en vervolgens te horen krijgt: “Jij bent wel degelijk een van hen, trouwens, je accent verraadt je.” (NBV)

[8] Handelingen 11:1-18; Galaten 2:11-14, waar Paulus hem hypocrisie verwijt omdat Petrus eerst met de heidenen eet, maar vervolgens apart uit angst voor de reacties van de Joodse christenen die eisen dat niet-Joodse christenen zich aan de Joodse wet houden (dus koosjer eten en zich laten besnijden).

[9] Het Grieks was ook de taal van de filosofie.

[10] Handelingen 12:17.

[11] Brief aan de Romeinen, hoofdstuk 4 (vertaling hier).

[12] Vertaling hier.

[13] Annales 15.44 (vertaling hier).

[14] Zie het geschrift dat bekendstaat als de Herder van Hermas, waar wordt gesproken van ‘de oudsten van de kerk’ (Hermas 6) en ‘de leiders van de kerk’ (Hermas 17). Vertaling hier.

[15] Zie tevens Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, part 2, Tab. 256-258.

[16] Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 585.

[17] Henk Singor, Constantijn, p. 383.

[18] Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 563. De Atlas geeft als oppervlakte van de basiliek 7.097,03 vierkante meter en vergelijkt deze met de oppervlakte van de Basilica Ulpia van Trajanus en de door Constantijn voltooide Basilica van Maxentius op het Forum Romanum. De oude Sint Pieter is ruim 500 vierkante meter groter dan beide andere basilica’s.

[19] Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 563-564.

[20] Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 561.

[21] De twee kleinere koepeltjes bij het dwarsschip zijn een creatie van Vignola.

[22] Robert Hughes, De zeven leven van Rome, p. 305 (vertaling: Frans van Delft/Miebeth van Horn/Catalien van Paassen).

[23] Wie richting het altaar loopt, komt eerst bij Andreas (links) en Longinus (rechts). Achter het altaar zien we Veronica (links) en Helena (rechts).

[24] U ziet wel de verdieping erboven.

[25] Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 563.

[26] Handelingen 1:23-26.

3 Comments:

  1. Pingback:Rome: De Friezenkerk – – Corvinus –

  2. Pingback:Veneto: Monselice – – Corvinus –

  3. Pingback:Rome: Santa Maria Maggiore – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.