Rome: Santa Maria in Cosmedin

De Santa Maria in Cosmedin.

De Santa Maria in Cosmedin is een kerk die zich op het Forum Boarium bevindt, de veemarkt van het oude Rome. Net ten noorden van deze markt was er nog een forum, het Forum Holitorium, waar groente werd verkocht. In de Oudheid waren beide fora zeer belangrijke locaties om handel te drijven. Een reconstructie van het vroege Rome uit de Capitolijnse Musea (zie hieronder) geeft aan waarom. Op het plaatje zien we de rivier de Tiber naar links meanderen. De Aventijn, in die tijd dunbevolkt, is de heuvel onderaan. Het Capitool en de Palatijn bevinden zich in het noorden (het Capitool is de heuvel met de grote tempel van Jupiter Optimus Maximus). Tussen de drie heuvels zien we een stuk plat laagland aan de rivier. We treffen er een kleine rivierhaven aan, en een brug op het punt waar het, voordat de brug gebouwd werd, het gemakkelijkst was om de rivier te doorwaden.

Het is gemakkelijk te begrijpen waarom de twee fora hier werden gevestigd. Verhandelbare goederen – groente, vee, gevogelte, olijfolie – konden op deze plek de Tiber over gebracht worden of naar de rivierhaven worden vervoerd per schip. Het gedeelte achter de haven dat onder water staat, is het Velabrum, toen nog een moeras (cf. Rome: San Giorgio in Velabro). Hier zou – volgens één traditie – het mandje met de tweeling Romulus en Remus zijn gevonden door een wolvin, die de tweeling vervolgens zoogde.

Eerdere bebouwing

Crypte van de kerk, met restanten van het Ara Maxima.

De kerk die ik hier bespreek, bevat elementen van twee bouwwerken uit de Oudheid. Het eerste is het Ara Maxima, wat kennelijk een groot altaar in de open lucht was, gewijd aan Hercules. Het verband tussen Hercules en vee is duidelijk: een van zijn twaalf werken was het stelen van de runderen van een reus die Geryones heette. Uiteraard volbracht Hercules het werk, doodde de reus en dreef zijn rundvee weg. In de Romeinse versie van de legende reisde Hercules vervolgens naar Italië. Daar, vlak bij de Aventijn, stal een andere reus genaamd Cacus enkele van de runderen. Hercules doodde ook hem en pakte de runderen terug. Daarna werd het Ara Maxima gebouwd, ofwel door Hercules zelf, ofwel door de plaatselijke bewoners, die blij waren van het monster af te zijn. Delen van het altaar kunnen nog bekeken worden in de crypte van de Santa Maria.

Natuurlijk is het Ara Maxima niet écht gebouwd door Hercules of dankbare bewoners van het gebied. Het jaar dat traditioneel genoemd wordt voor Hercules’ toch naar Italië is 1235 BCE, maar het altaar werd veel later opgericht, waarschijnlijk tijdens de Koningstijd (753-509 BCE). Het werd gerestaureerd in de tweede eeuw BCE, mogelijk door de beroemde Romeinse generaal en staatsman Scipio Aemilianus, die censor was in 142-141 BCE. De overblijfselen die we in de crypte aantreffen, dateren van deze periode. De weg ten oosten van de kerk, achter een blok gebouwen, heet tegenwoordig de Via dell’Ara Massima di Ercole.

Het schip van de kerk.

Het andere gebouw wordt vaak een statio annonae genoemd. De annona was de graanuitdeling in Rome voor arme en gewone burgers van de gemeenschap. Een statio annonae was daarmee het kantoor dat gebruikt werd voor het organiseren van de graanvoorziening. De theorie dat het gebouw zo’n kantoor was, verliest echter in hoog tempo terrein. Er was zeker een statio annonae in deze buurt, maar de Atlas of Ancient Rome meent dat dit zich aan de voet van de Aventijn bevond. De auteurs van de Atlas stellen dat het gebouw dat uiteindelijk onderdeel werd van de Santa Maria in Cosmedin in werkelijkheid een consaeptum sacellum was, een afgesloten heiligdom dat in verbinding stond met het Ara Maxima en waar het cultusbeeld van Hercules stond. Dit heiligdom bestond reeds in de tijd van de Romeinse Republiek en de structuur ervan werd later, in de Keizertijd, gewijzigd. De auteurs schrijven deze verbouwing toe aan twee keizers die uiterst toegewijd waren aan Hercules: Commodus (180-192) en Maximianus (286-310).

Het gebouw op het Forum Boarium was rechthoekig van vorm en had zeven zuilen aan de kant van de façade en drie aan de beide kortere kanten. De achtermuur was gesloten en gemaakt van baksteen, maar er moet hier een opening zijn geweest met een helling die naar het Ara Maxima leidde. De zuilen van de façade zijn er nog steeds, net als drie zuilen van de linkerkant van het oude gebouw, die men nu in het linker schip van de Santa Maria vindt.

Geschiedenis van de kerk

De Barokke façade van de kerk, verwijderd in 1899 (foto: William Henry Goodyear, Brooklyn Museum).

In de late vijfde of vroege zesde eeuw werd een oratorium opgezet in het complex van het Ara Maxima en de statio of – waarschijnlijker – het consaeptum sacellum. Het is mogelijk dat vervolgens een echte kerk is gebouwd onder Paus Gregorius de Grote (590-604) aan het einde van de zesde eeuw, maar hiervoor ontbreekt het bewijs. De kerk heeft drie apsissen, een duidelijk bewijs van Griekse invloeden. Ze werd waarschijnlijk in de achtste eeuw in haar huidige vorm gebouwd en vervolgens toegewezen aan Griekse monniken door Paus Adrianus I (772-795). In die tijd stond de keizer in Constantinopel aan de kant van de iconoclasten, gedurende de zogenaamde Eerste Iconoclastische Periode, die begon met de keizer Leo III de Isauriër in 726 en eindige met het Zevende Oecumenische Concilie in 787 (er was een Tweede Iconoclastische Periode tussen 815 en 843). Het iconoclasme in Constantinopel dreef veel Griekse geestelijken als vluchtelingen naar Rome, waar het vereren van iconen en religieuze afbeeldingen nog in hoog aanzien stonden. Eén groep monniken kwam terecht in de Santa Maria, die toen de Santa Maria in Schola Graeca heette. De weg aan de zijkant van de kerk heet overigens de Via della Greca, wederom een verwijzing naar de voormalige etnisch-Griekse gemeenschap in Rome.

Het woord ‘Cosmedin’ heeft eveneens Griekse wortels. Er bestaan grofweg twee theorieën met betrekking de naam Santa Maria in Cosmedin. De eerste is dat de naam verwijst naar het Kosmidion nabij Constantinopel, een klooster gewijd aan de Heilige Cosmas en Damianus (cf. Santi Cosma e Damiano). Een rivaliserende traditie claimt echter dat de kerk simpelweg prachtig gedecoreerd was en daarom de bijnaam “kosmidion” oftewel “prachtig ding” kreeg. Nadat de kerk was beschadigd tijdens de plundering van Rome in 1084 door Robert Guiscard, werd ze in 1123 herbouwd door Paus Calixtus II, paus van 1119 tot en met 1124.

Kapel van Onze Lieve Vrouw van Loreto.

Calixtus’ renovatie schonk de kerk haar wonderschone Cosmatenvloer, die er nog steeds ligt. Er zijn hier en daar wat scheuren en andere beschadigingen, maar de vloer is tenminste origineel, wat in sommige andere kerken wel anders ligt (cf. Santa Maria in Trastevere). Let op de enorme ronde schijf van porfier in het midden (die met de scheuren; zie hierboven). Calixtus liet ook de binnenkant van de kerk decoreren, maar van de middeleeuwse fresco’s zijn slechts wat schamele restjes overgebleven. De Santa Maria werd in de vroege achttiende eeuw in een Barokke kerk veranderd. De toevoegingen van Giuseppe Sardi, waaronder de Barokke façade, werden echter in 1899 weer verwijderd. Het idee was de originele middeleeuwse ‘look’ van de kerk te herstellen, maar het resultaat is niet erg overtuigend en er kan serieuze twijfel bestaan of de kerk er in de Middeleeuwen ooit echt zo uit heeft gezien.

Interieur

De Santa Maria is duidelijk een Grieks-Katholieke basiliek. De drie apsissen heb ik reeds genoemd. Oorspronkelijk bevonden zich boven de zijbeuken nog galerijen voor mensen die de mis beneden niet konden of mochten bijwonen, maar deze werden verwijderd tijdens de restauratie van Paus Calixtus. Het koorhek tussen het schip en het altaar werd niet verwijderd, en dit is wederom een teken dat deze kerk wordt gebruikt door een gemeenschap die de Byzantijnse rite volgt. In dit geval gaat het om de Melkitische gemeenschap van Rome, die vooral bestaat uit Syrische en Iraakse katholieken. De Melkieten maakten sinds 1734 gebruik van de Santa Maria in Domnica, maar werden in de jaren 1930 gedwongen naar de Santa Maria in Cosmedin te verhuizen.

Mozaïek uit de vroege achtste eeuw in de sacristie.

De bezoeker mag helaas de scola cantorum, de afsluiting waarachter de koorzangers zitten of staan, niet binnentreden. Het is daarom lastig om het altaar, het ciborium en de fresco’s in de apsis goed te zien. Het altaar wordt gevormd door een badkuip uit de Oudheid, het ciborium is een middeleeuwse toevoeging uit 1294 van een zekere Deodatus (Adeodato di Cosma, gestorven rond 1332). De schelp van de apsis heeft een voorstelling met de Maagd Maria – aan wie de kerk natuurlijk is gewijd – met het kindje Jezus op haar schoot. Ze wordt geflankeerd door vier heiligen, Augustinus, Felix(anus?), Dionysius en Nicolaus. De fresco’s zien er erg oud en middeleeuws uit, maar dat zijn ze helemaal niet. Ze werden in de negentiende eeuw geschilderd, maar de kunstenaars gaven ze een middeleeuwse ‘look’ en van een afstandje ziet dat er vrij overtuigend uit, in elk geval voor ongetrainde ogen. Daarbij moet wel worden aangetekend dat dit deels zal komen door vocht in de kerk, wat de verf heeft beschadigd. Dit is het duidelijkst in de twee apsissen van de zijbeuken, waar men wat dichter bij de kunstwerken kan komen. De kapel aan de linkerkant is gewijd aan Onze Lieve Vrouw van Loreto (in De Marken; zie de afbeelding hierboven), die aan de rechterkant aan Johannes de Doper.

Mozaïek en Bocca della Verità

In de sacristie van de kerk wordt een zeer oud mozaïek tentoongesteld, dat een deel van de Aanbidding der Wijzen voorstelt. We zien slechts een arm van een van de Wijzen terwijl hij een geschenk aanbiedt aan het kindje Jezus, dat op de schoot van zijn moeder Maria zit. Ook aanwezig in de scène is een engel, en de man achter Maria is natuurlijk Jozef. Ik veronderstel dat het mozaïek ooit onderdeel was van een groter kunstwerk, maar zeker weet ik het niet. Het dateert van de vroege achtste eeuw en meestal wordt aangenomen dat het is gemaakt tijdens het pontificaat van Paus Johannes VII (705-707). Het mozaïek komt oorspronkelijk uit de oude Sint Pieter, en helaas moet ik bekennen dat ik niet weet hoe het in de Santa Maria in Cosmedin terecht is gekomen.

De Bocca della Verità. Ik nam deze foto in 1996.

De kerk is waarschijnlijk het beroemdst vanwege het voorwerp dat in 1631 in de narthex is geplaatst en dat iedere dag hordes toeristen trekt: de Bocca della Verità. Stop uw hand in de Bocca (Italiaans voor ‘mond’) en de Bocca zal de hand afbijten als u een leugen vertelt. Ik heb het uitgeprobeerd tijdens mijn eerste bezoek aan Rome in 1996. Ik vertelde een flagrante leugen en moet deze bijdrage nu met alleen mijn linkerhand typen. Neem de Bocca zeer serieus…

Maar wat is de Bocca eigenlijk? Het gezicht op de enorme, 1200 kilo zware marmeren schijf wordt doorgaans aangemerkt als dat van Oceanus, een god en personificatie van de zee. Maar waar de schijf voor werd gebruikt, is onbekend. Misschien gaat het om een putdeksel, aangezien de Cloaca Maxima, het beroemde riool van Rome, zich vlakbij bevindt. Maar waarom zou iemand een putdeksel van marmer willen maken? En waarom een putdeksel dat meer dan een ton weegt? Een betere gok is misschien dat de Bocca ooit onderdeel van een fontein was, maar hard bewijs ontbreekt helaas.

Buiten de kerk

De meeste toeristen gaan alleen in de rij staan om de Bocca della Verità te zien en zijn niet in de kerk zelf geïnteresseerd. Het is er meestal dan ook aangenaam rustig. Als u de kerk van binnen hebt bekeken, kunt u naar buiten gaan, de straat oversteken en dan nogmaals naar de kerk kijken. Het valt dan op hoe ongewoon hoog haar klokkentoren is. Deze is meer dan 34 meter hoog en werd aan de kerk toegevoegd tijdens de restauratie van Paus Calixtus II in de twaalfde eeuw.

De Tempel van Hercules (links) en de Tempel van Portunus (rechts).

Op het Forum Boarium treft men twee Romeinse tempels aan uit de tijd van de late Romeinse Republiek (ca. 100 BCE). De ronde tempel was gewijd aan Hercules Olivarius. ‘Olivarius’ betekent ‘handelaar in olijfolie’ en verwijst waarschijnlijk naar het nabijgelegen Forum Holitorium, waar naast groente ook olijfolie werd verkocht. Het is aannemelijk dat de tempel werd gebouwd in opdracht van een gilde van olijfoliehandelaren. Ooit werd gedacht dat de tempel aan Vesta gewijd moest zijn geweest, vanwege haar ronde vorm. Deze gedachte is echter al lang geleden verlaten. Het is duidelijk dat Hercules de populairste godheid in dit deel van Rome was. We treffen hier niet alleen de tempel van Hercules Olivarius en het Ara Maxima aan (zie hierboven), maar in de late vijftiende eeuw werd op het voormalige Forum Boarium ook een verguld bronzen beeld van de held opgegraven. Het werd later overgebracht naar het Palazzo dei Conservatori – nu onderdeel van de Capitolijnse Musea – waar we het vandaag de dag kunnen bewonderen. Hercules wordt meestal afgebeeld met een volle baard, maar de Hercules van dit beeld is gladgeschoren. Het beeld dateert van de tweede eeuw BCE.

Standbeeld van Hercules, 2e eeuw BCE (Capitolijnse Musea, Rome)

De andere tempel is gewijd aan Portunus. Dat is niet verrassend, want Portunus was – de naam zegt het al – de god van de havens, en de rivierhaven van Rome was hier vlakbij. De enige reden dat beide heidense tempels er nog staan, is omdat ze werden omgebouwd tot christelijke kerken. De tempel van Hercules werd de San Stefano Rotondo, niet te verwarren met de bekendere kerk op de Caelius met bijna dezelfde (bij)naam. De naam werd later gewijzigd in San Stefano delle Carrozze, en vervolgens weer in Santa Maria del Sole. Dat laatste gebeurde in de zeventiende eeuw, toen de kerk werd herwijd aan de Maagd Maria. De tempel van Portunus werd de Santa Maria Egiziaca, genoemd naar Sint Maria van Egypte, een prostituee die berouw toonde voor haar zonden en zich bekeerde tot het Christendom. Beide kerken werden geseculariseerd in de twintigste eeuw. Ze werden gerestaureerd en zijn nu weer tempels. Helaas is het niet mogelijk ze te bezoeken.

Bronnen

  • Capitool Reisgidsen Rome, 2009, p. 202;
  • Luc Verhuyck, SPQR. Anekdotische reisgids voor Rome, p. 213-215;
  • Santa Maria in Cosmedin op Churches of Rome Wiki;
  • The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 218, p. 424, p. 430, p. 433 and p. 436-438;
  • The Atlas of Ancient Rome, part 2, table 173.

3 Comments:

  1. Pingback: Rome: Santa Maria in Cosmedin – – Corvinus –

  2. Pingback: Opus sectile – – Corvinus –

  3. Pingback: Rome: San Giorgio in Velabro – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.