Rome: Santa Maria in Aracoeli

De Santa Maria in Aracoeli.

Het is niet moeilijk om pagina’s vol te schrijven over de Santa Maria in Aracoeli. De kerk heeft een lange geschiedenis en bezit een grote hoeveelheid prachtige kunst. Hoewel ze de nodige Barokversieringen heeft, is de Santa Maria in Aracoeli vooral een interessante mix van middeleeuwse en modernere elementen. De kerk staat op het Capitool en is in feite ook de enige kerk op deze heuvel. Ze is ingeklemd tussen het monument voor Victor Emanuel aan de noordkant en het Palazzo Nuovo, onderdeel van de Capitolijnse Musea, aan de zuidkant.

De Santa Maria in Aracoeli is de kerk van de Senaat en het Volk van Rome. Op het Capitool staat ook het Palazzo Senatorio, waar de middeleeuwse Romeinse Senaat zijn zittingen hield (het gebouw fungeert nog steeds als stadhuis). Dit verklaart de eeuwenoude band tussen de kerk en het stadsbestuur.

Geschiedenis

De Capitolijnse heuvel heeft twee toppen. Op de grootste van de twee stond de uiterst belangrijke Tempel van Jupiter Optimus Maximus, ongeveer op de plek van het huidige Palazzo dei Conservatori, de rechtervleugel van de Capitolijnse Musea. De kleinere top stond bekend als de arx (burcht) en hier werd in 345 of 344 BCE een tempel voor Juno Moneta gebouwd. Mogelijk verving deze een ouder gebouw op deze plek. “Moneta” komt van het Latijnse “monere”, wat “waarschuwen” betekent. Een latere traditie legt een verband tussen de naam en het beleg van Rome door de Galliërs in 390 BCE, toen de ganzen van Juno de Romeinse bevelhebber Marcus Manlius waarschuwden dat vijandelijke troepen de heuvel beklommen. Er is echter een betere verklaring. De oorspronkelijke munt van de stad was verbonden aan de tempel en de godin waarschuwde de muntslagers om geen vervalsingen te maken of stukjes zilver af te snijden. Het Nederlandse woord “munt” is overigens van “moneta” afgeleid.

Interieur van de kerk.

Het lijkt erop dat er sinds de zevende eeuw een kerk en een klooster op dit gedeelte van de heuvel stonden. Het complex werd beheerd door Griekssprekende monniken uit het Oosten, die later werden vervangen door monniken die Latijn spraken en de regel van Benedictus volgden. Deze Benedictijnen kwamen in de vroege tiende eeuw aan en lieten het hele complex herbouwen. De kerk kwam bekend te staan als de Santa (of Sancta) Maria in Capitolio. Op een gegeven moment waren de Benedictijnen in Rome zo corrupt geworden dat hun kloosters ontbonden moesten worden. In 1249 schonk Paus Innocentius IV (1243-1254) het complex aan de bedelorde van de Franciscanen. De Franciscanen hadden eerder al de San Francesco a Ripa in Trastevere toegewezen gekregen, maar dit was een veel betere locatie voor hun hoofdkwartier. De Franciscanen lieten de kerk bouwen die we ook vandaag de dag nog zien. Ze voegden er een groot klooster aan toe dat helaas in de negentiende eeuw werd afgebroken om ruimte te maken voor het Vittoriano, het monument voor Victor Emanuel II, de eerste koning van Italië. Hoewel de nieuwe kerk al in 1268 werd gewijd, ging het werk aan het kerkinterieur door tot 1300.

De naam Santa Maria in Aracoeli komt voor het eerst voor in 1323. “Ara” betekent “altaar” en “coeli” is het Latijnse woord voor “hemel” (genitivus). De naam houdt verband met een legende betreffende de Romeinse keizer Augustus (27 BCE-14 CE). Toen de Romeinse Senaat Augustus tot levende godheid wilde uitroepen, raadpleegde de keizer de Tiburtijnse Sibille. De Sibillen waren vrouwelijke profeten die de gave hadden de toekomst te voorspellen. Christenen beschouwen hen ook als onderdeel van de christelijke wereld, aangezien zij de komst van Christus zouden hebben voorspeld. In dit geval sprak de Sibille van een toekomstige heerser, waarop Augustus een visioen had van een vrouw die uit de hemel neerdaalde met een kind op haar arm, de toekomstige Redder van de wereld. De keizer liet vervolgens een altaar oprichten op de plek waar hij het visioen had gehad, het Altaar van de Hemel. Het verhaal heeft geen enkele historische basis, maar er is wel een kleine mogelijkheid dat er in de Oudheid een auguraculum of huis van de auguren op het Capitool stond. In de Kapel van Sint Helena zouden zich overblijfselen van het altaar van deze auguren bevinden, maar of deze theorie juist is, staat nogal ter discussie.

Beeld van Cola di Rienzo.

In de vroege Middeleeuwen kon men de kerk alleen vanaf het Forum Romanum benaderen. De beroemde trap aan de andere kant, die bekendstaat als de Scalinata dell’Ara Coeli, werd in 1348 gebouwd om dankbaarheid te betuigen aan de Maagd Maria omdat zij de stad zou hebben gered van de Pest van dat jaar. De drijvende kracht achter dit project was de zelfverklaarde Romeinse ‘volkstribuun’ Cola di Rienzo (1313-1354). De traptreden werden geroofd uit gebouwen uit de Oudheid, waarbij sommige bronnen de Tempel van Serapis en die van Sol Invictus van Aurelianus noemen. Cola di Rienzo raakte uiteindelijk uit de gratie en moest de stad ontvluchten voordat de trap voltooid was. En om het allemaal nog erger te maken, de trap is tevens de plek waar hij in 1354 werd vermoord. Er staat een klein standbeeld van Cola in de tuin tussen de Scalinata dell’Ara Coeli en de Cordonata, de trap naar de Piazza del Campidoglio die Michelangelo aanlegde voor Paus Paulus III (1534-1549).

Volgens een legende winnen mensen die de 124 traptreden op hun knieën beklimmen de loterij. Dit werkt kennelijk alleen als ze voortdurend Weesgegroetjes zeggen en de Drie Koningen aanroepen. Nu moet ik zeggen dat ik deze kerk al vaak heb bezocht, maar nog nooit iemand heb gezien die de trap op zijn of haar knieën probeerde te beklimmen. Het lijkt er wel op dat veel mensen graag op de trap gaan zitten om van het uitzicht te genieten.

Exterieur

De gevel van de kerk is niet versierd: we zien louter baksteen. Dit was niet wat de Franciscanen beoogd hadden, en de laatste plannen om een fatsoenlijke façade aan de kerk toe te voegen werden pas in de negentiende eeuw in de prullenbak gegooid. Er werden wel enkele halfbakken pogingen tot decoratie gedaan: in de lunette boven de hoofdingang zien we nog wat sporen van een fresco uit de vijftiende eeuw en de kroonlijst van het bovenste gedeelte van de gevel had ooit een mozaïek, maar dit is nu geheel verdwenen.

Mozaïek van Cavallini of Torriti.

De gevel is zeker groots en indrukwekkend, maar wie wat versieringen wil zien, moet niet vergeten ook de zij-ingang van de Santa Maria in Aracoeli te bekijken. Daar vinden we een lunette met een mozaïek van de Madonna met Kind en twee engelen. Het werd ofwel gemaakt door Pietro Cavallini (ca. 1259-1330) ofwel door Jacopo Torriti (of hun respectieve scholen). Dit is overigens niet de oorspronkelijke plek van het mozaïek. Het werd hier in 1564 naartoe verplaatst door een zekere Alexander Mattaeius, wiens naam we aantreffen boven de linker engel (het jaartal MDLXIIII staat boven de andere engel).

Interieur

Sanctuarium en koor.

De kerk heeft een mooie en grotendeels originele vloer die een mix is van ingelegd marmer in Cosmatenstijl en grafzerken. De decoraties op de bogen en muren boven de zuilen dateren allemaal uit de achttiende eeuw. Ook het hoogaltaar is achttiende-eeuws. Onderdeel hiervan is een icoon van een Madonna zonder Kind die ooit deel moet hebben uitgemaakt van een groter werk, wellicht een veelluik. Deze Madonna d’Aracoeli dateert van de tiende eeuw. Tijdens de pestepidemie van 1348 werd het icoon door de straten van Rome gedragen en dit zou ervoor gezorgd hebben dat de ziekte weer verdween. De apsis van de kerk bevond zich oorspronkelijk direct achter het sanctuarium, maar de Franciscanen wilden een echt koor hier. Het gevolg was dat de apsis in 1565 werd afgebroken, waarbij helaas ook een mozaïek van Cavallini verloren ging.

Plafond van de kerk.

Een van de schatten van de kerk is haar vergulde cassetteplafond. In 1571 streed een gecombineerde christelijke vloot met de vloot van het Ottomaanse Rijk bij Lepanto in de Golf van Patras. Het treffen was een van de grootste zeeslagen in de geschiedenis. 212 schepen van de Heilige Liga namen het op tegen 251 schepen van de Ottomaanse marine. Na uren van felle gevechten behaalden de strijdkrachten van de Heilige Liga een beslissende overwinning op hun tegenstanders. De Turkse admiraal Sufi Ali Pasha sneuvelde, net als duizenden van zijn soldaten en zeelieden. Ook aan christelijke zijde waren de verliezen aanzienlijk, maar niemand twijfelde eraan dat zij de overwinning hadden behaald. Een van de bevelhebbers van de Heilige Liga was Marcantonio Colonna (1535-1584), die het smaldeel van de pauselijke vloot leidde. Bij zijn terugkeer in Rome werd hem een triomftocht toegekend als ware hij een zegevierende Romeinse generaal. Deze tocht eindigde bij de Santa Maria in Aracoeli. Vier jaar later, in 1575, kreeg de kerk haar schitterende plafond ter nagedachtenis aan de zeeslag.

Voordat ik verder ga met de bespreking van de interessantste kunst in de kapellen, zal ik stilstaan bij een aantal interessante graftombes die niet in kapellen staan. Rechts van de hoofdingang, tegen de binnengevel, vinden we een zeer verweerde grafzerk voor de aartsdiaken Giovanni Crivelli uit Milaan die in 1432 stierf. De zerk is een werk van niemand minder dan Donatello (1386-1466). Oorspronkelijk was de zerk onderdeel van de vloer, wat verklaart waarom ze zo versleten is. In 1881 werd de zerk rechtop tegen de binnengevel gezet. De Latijnse tekst erop is wat moeilijk te lezen, maar er staat:

Graftombe van Giovanni Crivelli.

“HIC JACET VENERABILIS D(OMI)NUS JOH(ANN)ES DE CRIVELLIS DE MEDIOLANO, ARCHIDIACONUS AQUILEGEN(SIS) ET C(ANONICUS) MEDIOLANEN(SIS) AC LITERAR(UM) APOSTOLICARUM SCRIPTOR ET ABBREVIATOR, QUI OBIIT A(NNO) D(OMINI) MCCCCXXXII DIE XXVIII JULII PONT(IFICATUS) S(ANCTISSIMI) D(OMINI) EUGENII P(A)P(E) IIII. A(NNO) II. CUJUS ANI(M)A REQUIESCAT IN PACE. AMEN. OPUS DONATELLI FLORENTINI.”

Het is waarschijnlijk niet nodig om een volledige vertaling van de tekst te geven. Hier volstaat de mededeling dat de grafzerk de naam van de overledene vermeldt, samen met zijn vele posities binnen de Kerk, het jaar van zijn dood en de naam van de man die op dat moment paus was, te weten Eugenius IV (1431-1447). Ten slotte geeft de tekst aan dat de zerk het werk – opus – is van Donatello uit Florence.

Men vindt een andere interessante graftombe tegen een pijler in de buurt van het sanctuarium. Ik doel op de graftombe van Eugenio Ruspoli, een Italiaanse ontdekkingsreiziger die in 1893 op 27-jarige leeftijd in Somalië stierf. Ruspoli was aan het jagen toen hij plotseling werd aangevallen door een woedende olifant ((‘UN ELEFANTE INFURIATO’ volgens de tekst op het monument). Zijn neef Marescotti Ruspoli bracht in 1928 zijn stoffelijk overschot van Somalië naar Rome en liet het bijzetten in de Santa Maria in Aracoeli. Op de graftombe zien we een kaart van Ethiopië en Somalië waarop de verkenningstochten van Ruspoli staan aangegeven.

Graftombe van kardinaal Matteo di Acquasparta.

Meer werk van Pietro Cavallini vindt men op de magnifieke graftombe van kardinaal Matteo d’Acquasparta (1240-1302), Minister Generaal van de Orde der Franciscanen. De graftombe zelf wordt toegeschreven aan Giovanni di Cosma, maar Cavallini was vermoedelijk verantwoordelijk voor het fresco. Dit fresco toont een Madonna met Kind geflankeerd door de Evangelist Mattheus (i.e. San Matteo, de naamgenoot van de kardinaal) en Sint Franciscus. De kardinaal zelf is afgebeeld terwijl hij knielt voor de Madonna. Op de sarcofaag ligt een beeltenis van de overledene over wie twee engelen waken.

Niet ver van de graftombe van Matteo d’Acquasparta staat een levensgroot standbeeld van Paus Leo X (1513-1521). Het beeld past perfect bij de beschrijving die historicus John Julius Norwich van hem geeft in zijn geschiedenis van de Pausen, te weten dat hij een enorm hoofd en een rood en pafferig gezicht had. Norwich beschrijft hem tevens als een onverzadigbare lekkerbek. Inderdaad toont het standbeeld ons een man die een serieuze kandidaat is voor de titel van dikste paus in de geschiedenis.[1] Leo was de zoon van Lorenzo il Magnifico, heerser van Florence, en zijn echte naam was Giovanni de’ Medici. Hoewel zijn beroemdste uitspraak – “God heeft ons het pausdom geschonken, laten we er dus maar van genieten” – mogelijk apocrief is, genoot hij zeker van het ambt dat hij zo’n acht jaar lang mocht bekleden.

Paus Leo X.

Leo staat vooral bekend als de paus die duizenden aflaten verkocht aan wie maar bereid was ervoor te betalen. Deze aflatenhandel was nodig om de bouw van de nieuwe Sint Pieter te kunnen financieren, maar er werd zware kritiek op geleverd en de handel droeg zeker bij aan de Reformatie. Het standbeeld werd gemaakt door Domenico Aimo (1460/70-1539).

Bufalini-kapel

De interessantste kapel in de kerk is de eerste aan de rechterkant. Deze is gewijd aan Sint Bernardinus van Siena (1380-1444), een Franciscaanse prediker die in 1450 heilig werd verklaard. Bernardinus stond bekend om zijn onvermoeibare gepreek en eindeloze sermoenen, die werden vastgelegd door de Siënese schilder Sano di Pietro.[2] De kapel staat ook bekend als de Cappella Bufalini, naar de Niccolò dei Bufalini (gestorven in 1506) die de opdracht gaf voor de bouw ervan. De kapel is terecht beroemd vanwege de fresco’s van de hand van Pinturicchio (ca. 1452-1513) die omstreeks 1484-1486 in de kapel werden geschilderd. Pinturicchio had dezelfde naam als de heilige aan wie de kapel is gewijd: zijn echte naam was Bernardino di Betto. Hij zal dus zijn uiterste best hebben gedaan bij het schilderen van de fresco’s.

Sint Bernardinus tussen Sint Augustinus en Sint Antonius van Padova.

Begrafenis van Sint Bernardinus.

Op de centrale muur staat Sint Bernardinus te midden van de heiligen Augustinus en Antonius van Padova (1195-1231), een andere Franciscaan die in 1232 heilig werd verklaard. Bernardinus is afgebeeld als een oude man en hij ziet er erg bleek uit. In zijn linkerhand houdt hij een boek met de Latijnse woorden PATER, MANIFESTAVI NOMEN TUUM OMNIBUS (“Vader, ik heb uw naam aan allen bekendgemaakt”). Deze woorden verwijzen naar het feit dat de heilige zich richtte op het prijzen van de Naam van Christus, hetgeen moge blijken uit zijn symbool van de eerste drie letters van de naam van Jezus in het Grieks – IHS – met daaromheen een vlammende zon. Dit symbool lijkt overigens afwezig te zijn in de kapel. Misschien genoot het grotere populariteit in Siena? We zien op de centrale muur wel twee engelen die een kroon boven het hoofd van de heilige houden. In de lucht daarboven zijn Jezus Christus en nog meer engelen afgebeeld.

De linker zijmuur behandelt de dood van Sint Bernardinus. De man in het oranje gewaad aan de linkerkant is Niccolò dei Bufalini zelf. Jammer genoeg zijn de hekken in de kapel altijd op slot, dus men kan niet dichter bij de fresco’s komen. Dat maakt het lastig om een aantal van de meer subtiele details ervan te zien, zoals het stierengevecht dat op de achtergrond lijkt te worden gehouden (een stier vertrappelt daar een man). Op de rechter muur zijn scènes uit het leven van de heilige afgebeeld. Aan deze kant is ook een groot raam. Vanwege het tegenlicht is het moeilijk om foto’s van deze muur te maken. Mooie afbeeldingen van de rechter muur lijken dan ook schaars te zijn.

Andere kapellen

Madonna met Kind.

Eveneens aan de rechterkant van de kerk bevindt zich de Kapel van de Heilige Lorenzo da Brindisi (1559-1619) en Pasquale Baylón (1540-1592). Toen aan het einde van de twintigste eeuw fragmenten van de oorspronkelijke fresco’s werden teruggevonden, werden alle versieringen uit de zeventiende en achttiende eeuw uit de kapel verwijderd. Het grootste bewaard gebleven stuk fresco treft men op de centrale muur aan. We zien er een Madonna met Kind geflankeerd door de twee Heilige Johannesen, links Johannes de Doper en rechts Johannes de Evangelist. De kleuren zijn erg levendig en de stijl is onmiskenbaar Romeins naturalisme.  Het fresco wordt derhalve toegeschreven aan Pietro Cavallini of Jacopo Torriti.

En dan is er nog de Savelli-kapel (eigenlijk de Kapel van Sint Franciscus), wederom aan de rechterkant. We zijn de familie Savelli eerder tegengekomen (zie Rome: Santa Sabina). Zij speelde een belangrijke rol in de middeleeuwse Romeinse politiek. De graftombe aan de linkerkant van deze kapel is de laatste rustplaats van de Romeinse senator Luca Savelli. De tombe wordt toegeschreven aan Arnolfo di Cambio (ca. 1240-1300/10); deze gebruikte een heidense sarcofaag uit de Oudheid als basis voor de doodskist van Luca. Merk op dat er links van de graftombe nog een klein monument te zien is, in feite niet meer dan een plaquette. Dit monument is voor Fra Ginepro (Broeder Jeneverbes). Ginepro was een van de eerste volgelingen van Franciscus van Assisi. Hij stierf in 1258 en zijn overblijfselen werden 700 jaar later, in 1958, naar de Santa Maria in Aracoeli overgebracht.

Graftombe van Luca Savelli.

Graftombes van Vana Aldobrandeschi en Paus Honorius IV.

De graftombe van Luca Savelli’s vrouw Giovanna (‘Vana’) Aldobrandeschi bevindt zich aan de andere kant van de kapel. Op de tombe zien we het wapen van de familie Aldobrandeschi in het midden en dat van de familie Savelli aan weerszijden ervan. Wellicht kijkt u ervan op dat er een beeltenis van een man bovenop de sarcofaag ligt. Dat is terecht, want deze hoort hier helemaal niet. De beeltenis is van Paus Honorius IV (1285-1287), die werd geboren als Giacomo Savelli. Luca Savelli en Vana Aldobrandeschi waren zijn ouders en zijn graftombe bevond zich oorspronkelijk in de oude Sint Pieter. De graftombe werd ontmanteld toen de oude basiliek werd afgebroken om ruimte te maken voor een prachtige nieuwe kerk. De beeltenis is bewaard gebleven en kennelijk vond iemand het wel gepast om het beeld te combineren met de graftombe van de moeder van de paus.

Van de kapellen aan de linkerzijde vind ik de Kapel van Sint Antonius van Padova de interessantste. Sint Antonius is hierboven reeds genoemd. In 1453 werd Benozzo Gozzoli (ca. 1421-1497) ingehuurd om de kapel van fresco’s te voorzien. Hij is vooral bekend vanwege zijn werk in Florence. Helaas is er maar weinig van zijn fresco’s bewaard gebleven: we kunnen alleen nog maar het altaarstuk bewonderen.

Sint Antonius van Padova – Benozzo Gozzoli.

Het altaarstuk toont de heilige met twee sponsors die voor hem knielen. Zij zijn waarschijnlijk leden van de familie Albertoni, de familie die de kapel huurde. Het is interessant om de Antonius in deze kapel te vergelijken met die in de Bufalini-kapel aan de andere kant van de kerk. Pinturicchio schilderde zijn fresco’s zo’n 30 jaar later en het is nagenoeg onmogelijk dat hij geen kennis had van het werk van Gozzoli. De Sint Antonius van de laatstgenoemde heeft zijn “vlammend hart” in zijn rechterhand en een boek in zijn linkerhand. Bij Pinturicchio’s heilige is dat precies omgekeerd: hij houdt het hart in zijn linkerhand en een boek in zijn rechterhand. Zijn heilige ziet er ook veel jonger uit. Dat sluit ook beter aan bij de werkelijkheid, want Antonius was pas halverwege de dertig toen hij stierf.

Santo Bambino

De reden waarom gelovige mensen naar deze kerk komen is de zogenaamde Santo Bambino, oftewel een beeld van het kind Christus uit de vijftiende of vroege zestiende eeuw. Volgens de overlevering werd het in het Heilige Land gesneden uit het hout van een boom in de Tuin van Getsemane. Toen de houtsnijder, een Franciscaanse monnik, het beeld wilde beschilderen, kwam hij tot de ontdekking dat hij onvoldoende verf had. Maar ziedaar: een engel daalde neer vanuit de hemel en schilderde het gezicht, de voeten en de handen van het Christuskind. Het beeld is slechts 60 centimeter hoog. Het geniet faam vanwege zijn vermogen om op wonderbaarlijke wijze mensen te genezen. Dat is althans wat veel mensen graag willen geloven.

Santo Bambino.

Ieder jaar ontvangt de Santo Bambino – zeer vrome mensen spreken van de Santissimo Bambinello – grote hoeveelheden brieven. Deze brieven worden in manden voor het Kind geplaatst en later verbrand. De priesters mogen de brieven niet lezen, maar deze worden wel geopend om te kijken of er donaties in zitten (dat lees ik althans, en het is ook wel logisch). Helaas werd de originele Santo Bambino in 1994 gestolen, zodat er nu een replica staat. Of deze replica net zo goed is in het verrichten van wonderen als het origineel is een interessante vraag. Als u niet in wonderen gelooft, is het antwoord waarschijnlijk “ja”…

Bronnen

  • Capitool Reisgidsen Rome, 2009, p. 69;
  • Luc Verhuyck, SPQR. Anekdotische reisgids voor Rome, p. 207-213;
  • Santa Maria in Aracoeli op Churches of Rome Wiki.

Noten

[1] The Popes, chapter XIX. Franco Cesati schrijft dat “his boundless love of good food was proverbial, with the corollary of endless banquets celebrated in the company of pleasure-seeking prelates” (The Medici. Story of a European Dynasty, p. 59).

[2] Zie voor zijn preek op de Piazza del Campo in Siena hier en voor zijn preek op het plein voor de San Francesco in Siena hier.

One Comment:

  1. Pingback: Rome: San Clemente – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.