De erfenis van de Koningstijd (753-509 BCE)

Priesters en een lictor met roedenbundel (fasces) (Ara Pacis, Rome).

Ergens rond het jaar 509 BCE vervingen de Romeinen hun monarchale regeringsvorm voor een republikeinse. Deze verandering werd niet ingegeven door een revolutie en het zou nog onjuister zijn haar te zien als een etnisch conflict tussen de Etruskische ‘overheersers’ en inheemse Romeinen die genoeg hadden van hun ‘bezetters’. Zoals we eerder hebben gezien zorgde de ene Etruskische koning – Lars Porsenna van Clusium (Clevsin) – waarschijnlijk voor de verdrijving van de andere Etruskische koning, Tarquinius Superbus, wiens wortels in Tarquinii (Tarchna) lagen. In het machtsvacuüm dat vervolgens ontstond, werd een aristocratie gevestigd. Die vormde geen radicale breuk met het verleden. Integendeel, tussen de Koningstijd en de Vroege Republiek zat veel continuïteit. In de buurt van het Forum Romanum, rondom de Vicus Tuscus, was een Etruskische wijk en de consul van 487 BCE, Gaius Aquillius Tuscus, was gelet op zijn naam mogelijk van Etruskische komaf. Ook op politiek en religieus vlak was er sprake van continuïteit. Daarover gaat deze bijdrage.

Volksvergadering, census en lustrum

We hebben eerder gezien dat de Romeinse koning geen absoluut vorst was en dat het koningschap niet erfelijk was. De koning werd gekozen door het volk, dat samenkwam als de comitia curiata, de vergadering van de dertig curiae waarvan de instelling traditioneel aan Romulus werd toegeschreven. De comitia curiata koos niet alleen de koning, zij besliste ook over wetgeving, oorlog en vrede. Ten tijde van de Etruskische koningen van Rome, traditioneel tijdens de regering van Servius Tullius (ca. 578-534 BCE), werd de bevolking in vijf vermogensklassen (classes) ingedeeld.[1] In welke klasse een Romeins burger viel, werd bepaald tijdens de census. De bezitsklassen kwamen op het Marsveld (Campus Martius) samen als de comitia centuriata, de vergadering van de centuriae. Deze vergadering had een uitgesproken militair karakter en werd soms het leger (exercitus) genoemd. De indeling in de bezitsklassen was dan ook bedoeld om te bepalen wie in het Romeinse leger zou dienen, en in welke rol. Vermoedelijk nam al gedurende de Koningstijd het belang van de comitia centuriata toe terwijl het belang van de comitia curiata juist afnam.

De uitrusting van een Etruskische krijger (links) en van een hopliet (rechts).

De indeling van de vijf bezitsklassen vinden we onder meer bij de Romeinse geschiedschrijver Livius.[2] Hoewel de bezitsvereisten die hij noemt op zijn eigen tijd gebaseerd moeten zijn, is er geen reden aan zijn indeling in de vijf klassen te twijfelen. De bovenlaag van de Romeinse samenleving werd gevormd door 18 centuriae ridders of equites, aan wie 10.000 asses werden toegekend voor de aanschaf van een paard, wat kennelijk een dure aangelegenheid was.[3] Wie meer dan 100.000 asses aan bezit had, kwam in de eerste classis, die uit 80 centuriae bestond. De tweede classis bestond uit 20 centuriae van burgers die tussen de 75.000 en 100.000 asses bezaten, de derde uit 20 centuriae van burgers met een bezit van tussen de 50.000 en 75.000 asses. De vierde classis werd gevormd door wederom 20 centuriae burgers met een bezit tussen de 25.000 en 50.000 asses, en de vijfde klasse uit 30 centuriae met een bezit van tussen de 11.000 en 25.000 asses. Wie minder dan 11.000 asses bezat was vrijgesteld van militaire dienst en werd ondergebracht bij 1 centuria. Het militaire karakter van de comitia centuriata werd onderstreept door het feit dat er aparte centuriae waren voor timmerlieden (2 centuriae), hoornblazers en trompetters (eveneens 2 centuriae). De timmerlieden behoorden tot de eerste bezitsklasse, de hoornblazers en trompetters tot de vijfde.

In totaal waren er 193 centuriae, waarvan de helft toekwam aan burgers tussen de 17 en 45 jaar (iuniores) en de andere helft aan burgers boven de 46 jaar (seniores). Binnen de comitia centuriata hadden de equites en de burgers van de eerste bezitsklasse aanvankelijk samen al een meerderheid van de stemmen (18+80), want de uitslag werd per centuria bepaald. Als in de vergadering een meerderheid van 97 centuriae was behaald, werd de stemming gestaakt, ook al moesten er nog enkele tientallen centuriae stemmen. Het zal zelden zijn voorgekomen dat de ene centuria van burgers die buiten de bezitsklassen vielen, de capite censi, de doorslag gaf. In dit systeem lag de politieke macht dus evident bij de rijkste burgers van de stad. Aanvankelijk was daar ook wel een reden voor, want op deze burgers rustten de zwaarste militaire en civiele verplichtingen. Zij vochten als ruiters en zwaarbewapende hoplieten, terwijl burgers met minder bezit als lichter bewapende infanteristen, schermutselaars en slingeraars veeleer een ondersteunende rol op het slagveld hadden. Dienstplichtige burgers dienden voor hun eigen wapens en uitrusting te zorgen. Wie buiten de bezitsklassen viel, was als gezegd vrijgesteld van militaire dienst, maar kon vanaf het moment dat Romeinen over een vloot beschikten – wat in de Koningstijd nog niet het geval lijkt te zijn geweest – wel als roeier worden ingezet.

Uitzicht op het Forum Romanum vanaf de Capitolijn.

In de Late Koningstijd en de Vroege Republiek zal het inderdaad zo zijn geweest dat op de meest vermogende burgers de grootste civiele en militaire lasten rustten. Ten tijde van de Midden-Republiek vormden echter de boeren van de middenklassen de ruggengraat van het Romeinse leger, terwijl in de Late Republiek een ontwikkeling richting een professioneel leger werd ingezet en steeds meer burgers uit de capite censi of proletarii werden gerekruteerd. In het laatste geval nam de Staat of de bevelhebber de taak op zich voor wapens en uitrustingen te zorgen. Ondanks deze ontwikkelingen bleef de comitia centuriata gedurende de gehele Republiek de volksvergadering die de hoogste magistraten – de consuls, praetors en censors – koos, magistraten bij wie een duidelijke connectie met het leger of de census aanwezig was. Tot het einde van de Republiek bleven vermogende burgers dus een disproportionele invloed op de verkiezing van de belangrijkste magistraten uitoefenen, al werd ergens tussen 241 BCE en 218 BCE wel het aantal centuriae van de eerste bezitsklasse verlaagd van 80 naar 70, met als gevolg dat deze klasse niet meer samen met de equites over een meerderheid in de comitia centuriata beschikte. De census werd al sinds de Koningstijd afgesloten met een lustrumviering. Dit was een rituele reiniging van het Romeinse volk, waarbij een varken, een schaap en een stier werden geofferd (suovertaurilia).

Tribus, pomerium en stadsmuren

Ten tijde van Romulus (ca. 753-716 BCE) zou het Romeinse volk in drie tribus of ‘stammen’ zijn ingedeeld, de Ramnes, Titienses en Luceres. Per tribus waren er dan 10 curiae, zodat het totaal op 30 kwam. Mogelijk waren de oorspronkelijke tribus op etniciteit gebaseerd. Dat gold niet voor de vier tribus die in de Late Koningstijd naast of – waarschijnlijker – in de plaats van de drie oorspronkelijke werden ingevoerd. Deze invoering werd wederom aan Servius Tullius (ca. 578-534 BCE) toegeschreven.[4] Zijn vier stedelijke tribus hielden verband met vier districten of sectoren van de stad: Esquilina, Palatina, Suburana en Collina.[5] Vanaf 495 BCE was er sprake van vier stedelijke en zeventien landelijke tribus.[6] In 241 BCE werden de laatste tribus ingesteld en kwam het totaal op vier stedelijke en 31 landelijke. Na dit jaar werden nieuwe Romeinse burgers over de bestaande tribus verdeeld.[7]

Uitzicht over het Forum Romanum.

Hoewel ‘districten’ een betere vertaling voor tribus is dan ‘stammen’, had het begrip na verloop van tijd ook geen geografische connectie meer, aangezien iemand die tot een bepaalde tribus behoorde overal in of buiten Rome kon wonen. Tot welke tribus iemand behoorde, werd bepaald in de census en in principe was dit erfelijk: de zonen werden ingedeeld in de tribus van hun vaders. Veel van de oudere tribus hebben dan ook namen die verbonden zijn met beroemde patricische gentes, zoals de tribus Aemilia, Claudia, Cornelia en Fabia. De tribus kwamen samen als de comitia tributa. In de Vroege Republiek stond deze versie van de volksvergadering nog enigszins in de schaduw van de comitia centuriata, maar geleidelijk aan werd zij steeds belangrijker en besliste zij over de verkiezing van de lagere magistraten, de aanvaarding van wetgeving en het schuldig of onschuldig tijdens grote strafprocessen. Daarbij kon de comitia centuriata samenkomen als een vergadering van het gehele Romeinse volk (populus Romanus), maar ook – en op den duur steeds vaker – als vergadering van alleen het plebs, dus als het concilium plebis. Deze laatste vergadering werd bijeengeroepen door de volkstribunen, traditioneel voor het eerst in 494 BCE aangesteld.[8] Toen de Lex Hortensia van 287 BCE bepaalde dat besluiten van het concilium plebis bindend waren voor het gehele populus Romanus nam het gebruik van deze volksvergadering hand over hand toe.

Overblijfselen van de zogenaamde Muren van Servius Tullius bij Stazione Termini.

Servius Tullius moet – als hij tenminste als volledig historisch persoon kan worden beschouwd – wel tot de belangrijkste Romeinse koningen hebben behoord. De Palatijnse heuvel was al vanaf het midden van de achtste eeuw BCE ommuurd, maar deze koning zou de eerste stadsmuren rondom de gehele stad hebben gebouwd. Inderdaad kreeg Rome in de zesde eeuw BCE stadsmuren. Deze waren zo’n 11 kilometer lang en omsloten een gebied van naar schatting 426 hectare.[9] De bouw van een tweede set stadsmuren begon kort nadat de Keltische Senones onder leiding van Brennus in 387 BCE Rome hadden geplunderd. Naar de koning worden ze de Muren van Servius Tullius genoemd, ook al hebben ze niets met hem te maken. De naam vloeit mogelijk voort uit het feit dat de nieuwe muren grotendeels het traject van de oorspronkelijke muren uit de zesde eeuw BCE volgden en op de fundamenten ervan gebouwd werden.

Servius Tullius bakende tevens volgens de overlevering het pomerium af, de heilige grens van de stad, een gebruik dat de Romeinen van de Etrusken hadden overgenomen.[10] Binnen het pomerium was het dragen van wapens verboden. Dat was vermoedelijk ook de belangrijkste reden dat twee delen van de stad, hoewel opgenomen binnen de muren, buiten het pomerium bleven. In de eerste plaats was dit de Arx (burcht), de noordelijke top van de Capitolijnse heuvel. Het zou natuurlijk buitengewoon onhandig zijn als men daar geen wapens mocht dragen. In de tweede plaats bleef de Aventijn buiten het pomerium. Deze heuvel was pas vrij recent aan de stad toegevoegd en werd hoofdzakelijk bewoond door Latijnse migranten die na de verovering van hun steden hier gedwongen waren gehuisvest.[11] Een belangrijkere reden om de Aventijn buiten het pomerium te houden, was dat hier in de maand oktober een jaarlijkse reinigingsceremonie van het leger werd uitgevoerd, het Armilustrium.[12] Pas in het jaar 49, onder keizer Claudius, werd de Aventijn alsnog binnen het pomerium opgenomen.

Zicht op de Aventijn vanaf de Janiculusheuvel.

De religieuze erfenis

Fundamenten van de tempel van Jupiter Capitolinus.

Met het pomerium zijn we aangekomen bij de religieuze erfenis van de Koningstijd. De Romeinen waren een buitengewoon godvruchtig volk met een overvolle religieuze kalender. In hun leven nam het uitvoeren van de juiste rituelen en het brengen van de juiste offers om de goden gunstig te stemmen een centrale plaats in. Dat was in de Koningstijd niet anders dan in de tijd daarna.

De meest zichtbare religieuze erfenis van de Koningstijd was de enorme tempel van Jupiter Capitolinus op de zuidelijke top van de Capitolijn, die volgens de overlevering in 509 BCE werd gewijd door Marcus Horatius Pulvillus.[13] Op dezelfde heuvel werd aan Jupiter Feretrius de geroofde wapenrusting – de spolia opima – van een gedode vijandelijke legeraanvoerder gewijd. Jupiter Elicius had een tempel op de Kleine Aventijn (soms de Mons Murcus genoemd), Jupiter Fagutalis een lucus (open plek in het bos) op de gelijknamige heuveltop, onderdeel van de Esquilijn, terwijl ook Jupiter Viminus (bij een altaar) en Jupiter Fulgur of Fulgurator werden vereerd. De namen verwijzen soms naar een geografische locatie, zoals bij de Fagutalis en de Viminaal. In andere gevallen verwijzen ze naar een eigenschap van de godheid, zoals het brengen van regen (mogelijk bij Jupiter Elicius) of bliksem (bij Jupiter Fulgur).[14]

De tempel van Portunus.

Ook voor andere bekende goden werden in de Koningstijd al tempels gebouwd. Genoemd kunnen worden de tempel van Janus op het Forum (toegeschreven aan Numa Pompilius) en die van Diana op de Aventijn, waarvoor Servius Tullius verantwoordelijk zou zijn geweest. Hier verschanste Gaius Gracchus zich in 121 BCE met zijn aanhangers. Ook veel minder bekende goden als Pallor, Pavor, Tellus en Vica Pota hadden al in de Koningstijd hun heiligdommen, net als de mogelijk van oorsprong Sabijnse goden Laverna, Semo Sancus en Strenia. Op de Quirinalis stond al een heiligdom voor Quirinus, mogelijk ooit een Sabijnse oorlogsgod, maar later beschouwd als de vergoddelijkte Romulus. De cultus van Portunus, de god van havens, werd vermoedelijk ook tijdens de (Late) Koningstijd ingevoerd.[15] De tempel van Portunus is in het moderne Rome nog steeds zichtbaar: het gebouw staat vlak bij de kerk van Santa Maria in Cosmedin. Het gaat daarbij wel een versie die van ca. 100 BCE dateert. Onder de genoemde kerk vindt men de restanten van het Ara Maxima, het grote openluchtaltaar dat aan Hercules was gewijd. Het dateert waarschijnlijk van de Koningstijd, maar werd in de tweede eeuw BCE gerestaureerd.

De Romeinen waren van oudsher een volk van boeren en herders. Dat is terug te zien aan hun vroegste goden en religieuze festivals. Zo stond al in de Koningstijd op het Marsveld een heiligdom voor Juno Caprotina, ‘Geiten-Juno’, die op 7 juli een eigen feestdag had (de Caprotinia). Een deel van het zompige Marsveld werd de Palus Caprae, het geitenmoeras, genoemd. Ook het oeroude festival van de Lupercalia had een relatie met geiten en hun natuurlijke vijanden: de wolven (lupi). Daar is de naam van het festival ook van afgeleid, al werd de Lupercal (in de helling van de Palatijn) later de grot waarin de wolvin Romulus en Remus zou hebben gezoogd. Tijdens dit festival, van oudsher op 15 februari, renden Romeinse jongemannen naakt rond en sloegen omstanders met repen geitenvel. Dit symboliseerde mogelijk het weghouden van wolven bij de kuddes. Het festival van de Consualia hield van oudsher verband met Consus, een oude Italische landbouwgod met een feest op 21 augustus. De naam is mogelijk afgeleid van condere, een werkwoord dat verwijst naar het ondergronds opslaan van graan.[16] De Romeinen legden later een verbinding met de god Neptunus.[17]

Romeinse priesters op een reliëf op het Ara Pacis in Rome. De priesters in het midden dragen de apex, een muts met een gepunt stuk hout.

Ook de religieuze infrastructuur van de Romeinse staat werd tijdens de Koningstijd gelegd. Zo werd de instelling van de oude priesterschappen van Jupiter, Mars en Quirinus – flamen Dialis, flamen Martialis en flamen Quirinalis – aan koning Numa toegeschreven.[18] Eigenlijk nam men aan dat Numa de gehele basis voor de Romeinse religie had gelegd, want hij zou ook de Vestaalse maagden uit Alba Longa hebben gehaald en het twaalfkoppige priestercollege van de Salii van Mars Gradivus hebben ingesteld. Deze ‘springende priesters’ (van salire) droegen een geborduurde tunica, een bronzen borstkuras en een gepunte muts of helm (apex). Tijdens de jaarlijkse processie in maart (Mars) droegen ze de twaalf ancilia of schilden door de stad en hielden ze een rituele oorlogsdans. In oktober namen ze deel aan het hierboven al genoemde Armilustrium. Al gedurende de Koningstijd stapten de Romeinen over van een kalender met tien maanden naar een met twaalf, waarbij de maanden januari (naar Janus) en februari (febrare = zuiveren) werden toegevoegd. Het jaar begon echter in maart, als de lente aanbrak en daarmee het oorlogsseizoen. Pas in 153 BCE werd het begin van het (consulaire) jaar naar 1 januari verplaatst.[19]

Naast de speciale flamines voor Jupiter, Mars en Quirinus bestonden ook de ‘gewone’ priesters, de pontifices, al tijdens de Koningstijd. Ook de opperpriester, de pontifex maximus, bestond al en aan het einde van de Koningstijd of het begin van de Republiek werd het ambt van rex sacrorum of ‘offerkoning’ ingesteld. Augures of zieners bestudeerden al tijdens de Koningstijd de vluchtbewegingen van vogels, waarbij ze de lucht met hun kromme staf of lituus in vakken indeelden. Voor een vroege ziener – een zekere Attus Navius – werd op enig moment een standbeeld bij het Senaatsgebouw opgericht.[20] Zeker is dat de augures een auguraculum op de Capitolijn hadden, vanwaar ze de top van Mons Albanus aan de horizon konden zien. Men vindt de restanten van dit auguraculum thans achter de kerk van Santa Maria in Aracoeli.

Overblijfselen van de tempel van Bellona.

Ten tijde van de Etruskische koningen werden de haruspices of ingewandenschouwers naar Rome gehaald, terwijl al in de periode daarvoor het college van de fetiales was ingesteld. Deze priesters konden bij conflicten genoegdoening eisen van buurvolkeren en in geval van oorlog of vrede de juiste rituelen verrichten om de goden gunstig te stemmen. Tot deze rituelen behoorde het gooien van een speer in vijandelijk gebied als oorlogsverklaring.[21] Veel later, toen Rome verder van huis oorlog ging voeren, volstond het gooien van een speer op een als vijandelijk gebied aangemerkt terrein bij de tempel van de oorlogsgodin Bellona.

De Romeinen vierden eeuwenlang op 21 april de Parilia, het festival waarbij de stichting van de stad centraal stond. Dat was echter niet de oorsprong van het feest. De Parilia waren van oudsher het feest van Pales, een godheid die werd vereerd op de Cermalus, een van de twee toppen van de Palatijnse heuvel. De correcte naam van het feest is dan ook eigenlijk Palilia, met een ‘l’. Zo ziet men hoe ver de wortels van de religieuze instituties van de Romeinen teruggaan, in dit geval zelfs tot voor de stichting van de stad.

Noten

[1] Uitgebreid Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic, p. 55-61.

[2] Livius 1.42-1.43

[3] Men zou veronderstellen dat deze rijkste burgers geen subsidie voor de aanschaf van een paard nodig hadden, maar blijkbaar dachten de Romeinen daar anders over.

[4] Livius 1.43.

[5] Zie voor een verdeling over de stad The Atlas of Ancient Rome, part 2, Tab. Ib.

[6] Livius 2.21.

[7] Uitgebreider The Constitution of the Roman Republic, p. 50-55.

[8] Livius 2.32-2.33.

[9] Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 81. Op p. 451 wordt overigens uitgegaan van 356 hectare. Dominique Briquel, De Etrusken, p. 44 gaat uit van 427 hectare, waarvan in elk geval 285 hectare bewoond door de vier stedelijke tribus.

[10] Romulus zou ook een pomerium hebben ingesteld, dat uitsluitend de Palatijn bestreek.

[11] Livius 1.33, The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 392.

[12] The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 392-393.

[13] Livius 2.8.

[14] The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 309, 377, 450-451 en 497.

[15] The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 426.

[16] The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 425.

[17] Livius 1.9.

[18] Livius 1.20.

[19] Dit verklaart waarom september, oktober, november en december niet meer de zevende, achtste, negende en tiende maand zijn. De maand juli heette voorheen Quintilis (vijf) en augustus heette Sextilis (zes).

[20] Livius 1.36.

[21] Livius 1.32.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.