De Romeinse Koningstijd: de eerste koningen (ca. 753-616 BCE)

De interventie van de Sabijnse vrouwen, Jacques-Louis David (Louvre, Parijs).

Een Romein die ten tijde van de Late Republiek of in de Keizertijd leefde, kon weten dat zijn stad ooit door koningen was geregeerd. De opperpriester of pontifex maximus maakte gebruik van de Regia, een gebouw op het Forum dat ooit de residentie van de koningen moest zijn geweest. Er fungeerde bovendien een priester met de naam rex sacrorum, de ‘offerkoning’. Het ging om een tamelijk obscuur priesterschap met onduidelijke wortels, dat misschien al in de Koningstijd zelf of anders kort daarna, tijdens de Vroege Republiek, was ingesteld. En dan kenden de Romeinen ook nog het instituut van het interregnum. Als er geen consul, praetor of dictator meer in functie was, dan kwamen de patriciërs samen om een interrex (‘tussenkoning’) of een reeks interreges te benoemen. Een interrex bekleedde zijn ambt voor vijf dagen. Hij was verantwoordelijk voor het waarnemen van het imperium en de auspicia en voor het overdragen daarvan aan een correct gekozen magistraat.[1] Er waren dus ook eeuwen later nog volop aanwijzingen dat er ooit een Koningstijd was geweest. Maar wie waren die Romeinse koningen?

De eerste vier: meer legende dan werkelijkheid

Volgens de overlevering waren de eerste vier koningen van Rome Romulus (ca. 753-716 BCE), Numa Pompilius (ca. 715-672 BCE), Tullus Hostilius (ca. 672-640 BCE) en Ancus Marcius (640-616 BCE). Romulus zou bovendien lange tijd samen met de Sabijnse koning Titus Tatius hebben geregeerd. Het is moeilijk deze vier of vijf koningen als (volledig) historische figuren te zien. Een gemiddelde regering van zo’n 34 jaar per koning is wel erg lang voor de tijd waarover we het hebben. Dat het koningschap afwisselend door een Romein en een Sabijn werd uitgeoefend, is aan de andere kant vrij aannemelijk. De vraag is wel of het echt op de manier is gegaan zoals het in de klassieke bronnen wordt beschreven.

De Sabijnen waren een bergvolk dat ten noorden van Rome in de Apennijnen woonde. De Romeinse geschiedschrijver Livius verhaalt hoe de Romeinen tijdens een feest voor Neptunus de vrouwen van de steden Caenina, Crustumeria en Antemnae, alsook van de Sabijnen hadden geroofd omdat ze zelf een groot vrouwentekort hadden. De drie steden zwoeren wraak, maar waren stuk voor stuk geen partij voor Rome. De Sabijnen daarentegen wisten door verraad de burcht op de Capitolijn in handen te krijgen. Er werd fel gevochten op de vlakte tussen de Capitolijn en de Palatijn, maar uiteindelijk wisten de geroofde Sabijnse vrouwen vrede te stichten. De Romeinse en de Sabijnse natie gingen samen en het koningschap werd gedeeld tussen Romulus en Titus Tatius.[2]

Latium omstreeks de 8e-7e eeuw BCE (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

Het verhaal van de Sabijnse maagdenroof is prachtig, maar kan als vrijwel geheel onhistorisch worden beschouwd. Dat er in de nederzettingen waaruit Rome was ontstaan een vrouwentekort heeft geheerst is zeer onaannemelijk. Het is wel mogelijk dat het snel groeiende Rome migranten uit de buurtvolkeren aantrok en dat voor deze nieuwkomers een verzamelplaats (asylum) tussen de twee toppen van de Capitolijn werd ingericht.[3] Een deel van de Sabijnen zou dan de bergen hebben verlaten en zich op de Capitolijn hebben gevestigd, alsmede op de Quirinaal, een heuvel waarvan veel klassieke auteurs beweerden dat die door Sabijnen werd bewoond.[4] Een aantal goden en godinnen uit het vroege Rome lijkt een Sabijnse oorsprong te hebben, zoals Laverna, Semo Sancus en Strenia. Volgens Livius werden de Romeinse burgers Quirites genoemd naar de Sabijnse stad Cures.[5] Dionysius van Halicarnassus herhaalt dit verhaal, maar voegt eraan toe dat Cures zelf naar de oorlogsgod Quirinus zou zijn genoemd.[6] Later werd in deze Quirinus de vergoddelijkte Romulus gezien, maar de oorsprong van de god kan heel goed in het Sabijnse land hebben gelegen.[7]

Tempels C (rechts) en D (links), gewijd aan Feronia en de Lares Permarini. Area Sacra di Largo Argentina op de voormalige Campus Martius.

De migratie van de Sabijnen naar Rome hoeft echter niet per se een vreedzaam karakter te hebben gehad. Mogelijk zit er toch een kern van waarheid in het verhaal van de Sabijnse maagdenroof en is er een oorlog uitgevochten tussen de Romeinen en Sabijnen, met als uitkomst dat de indringers mochten blijven en zelfs een aandeel in de macht kregen. Als mogelijke casus belli kan de controle over de zoutroute naar het binnenland worden genoemd. Die route liep immers over en langs de Tiber, van de Tyrreense kust naar het Sabijnse land. De Sabijnen kunnen hebben geprobeerd deze route in handen te krijgen. Als ze inderdaad de Capitolijn met geweld of door een list in handen hebben gekregen, kunnen ze daar nog behoorlijk in geslaagd zijn ook. In de eeuwen die volgden zouden er nog meer Sabijnen naar Rome trekken. Een beroemd geval is de migratie van Attius Clausus, die in 504 BCE met familie en cliënten naar Rome kwam.[8] Hij nam de Latijnse naam Appius Claudius aan en werd de stamvader van de gens Claudia. De Sabijnen werden uiteindelijk dus echte Romeinen, maar hun volksgenoten in de bergen bleven vijanden totdat ze in 290 BCE definitief werden verslagen door de consul Manius Curius Dentatus. Aan Dentatus wordt de bouw van een tempel voor de Sabijnse vruchtbaarheidsgodin Feronia in Rome toegeschreven.

De vroege staatsinrichting

De Romeinse koning was zeker geen absoluut vorst. Bovendien was het koningschap niet erfelijk. De koning werd gekozen door het volk. Het kon dus voorkomen dat er meerdere kandidaten voor het koningschap waren en de eerste Etruskische koning Lucius Tarquinius Priscus (ca. 616-578 BCE) zou zelfs campagne hebben gevoerd om verkozen te worden.[9] Het volk kwam samen als de comitia curiata, de vergadering van de dertig curiae waarvan de instelling traditioneel aan Romulus werd toegeschreven. Vermoedelijk ging het om tien curiae per Romeinse ‘stam’ of tribus. Van de drie tribus zijn de namen Ramnes, Titienses en Luceres bewaard gebleven.[10] Volgens Varro ging het om woorden met een Etruskische oorsprong; de geleerde baseerde zich hierbij op de mening van een Etruskische tragedieschrijver genaamd Volnius, over wie verder niets bekend is.[11] Het is zeer lastig om na te gaan of Varro en Volnius het bij het rechte eind hadden, maar de pogingen om de drie namen te koppelen aan Romulus, Titus Tatius en de Etruskische naam of titel Lucumo komen nogal gekunsteld over.[12] De Ramnes, Titienses en Luceres verdwenen reeds tijdens de Koningstijd als tribus en mogelijk gebeurde dit in de zesde eeuw BCE, traditioneel tijdens de regering van Servius Tullius (ca. 578-534 BCE).

De Curia Julia, opvolger van de Curia Hostilia. Links de kerk van Santi Luca e Martina, op de plek waar de Curia Hostilia stond.

De koning werd geadviseerd door een Senaat bestaande uit vertegenwoordigers van de adel. Zij werden de patres of ‘vaders’ genoemd, en van hen zouden de patriciërs afstammen. De instelling van de Senaat werd traditioneel aan Romulus toegeschreven[13], maar we hebben hem niet nodig om aan te nemen dat dit adviescollege al vanaf de vroege Koningstijd actief was. Mogelijk diende de Senaat de keuze van het volk van een koning te bekrachtigen. De koning was in de eerste plaats legeraanvoerder en had een aantal religieuze taken. De senatoren adviseerden hem, en zij en leden van hun families namen verschillende priesterschappen op zich. Het volk keurde wetten goed en besliste over oorlog en vrede. Rond het midden van de zevende eeuw BCE werd op het Forum Romanum een plein aangelegd, het Comitium, waar de comitia curiata kon samenkomen.[14] Tegenover het plein stond het Senaatsgebouw, de Curia Hostilia, volgens de overlevering gebouwd onder en vernoemd naar koning Tullus Hostilius (ca. 672-640 BCE).[15]

Oorlogsvoering en gebiedsuitbreiding

Dankzij archeologische vondsten kunnen we een bescheiden reconstructie maken van het Romeinse leger zoals dat vanaf ongeveer de achtste eeuw voor onze jaartelling actief was.[16] Uiteraard was dit leger totaal niet te vergelijken met het zeer professionele leger van dienstplichtigen van de Midden- en Late Republiek en al helemaal niet met het staande beroepsleger van de Romeinse Keizertijd. De tribus en de curiae leverden de infanteristen en de ruiters, die korte veldtochten ondernamen en op tijd weer thuis waren om de oogst binnen te halen. Veel oorlogen hadden het karakter van raids, waarbij de akkers van vijandelijke buurvolkeren werden platgebrand en vee werd gestolen. Uiteraard kon Rome dezelfde behandeling verwachten als zij zelf werd aangevallen. De koning leidde het Romeinse leger en van hem werd vermoedelijk verwacht dat hij persoonlijk aan de strijd deelnam. Uit de vroege Koningstijd stamt dan ook waarschijnlijk het gebruik om de wapenrusting van een in een duel verslagen vijandelijke legeraanvoerder mee te nemen en als spolia opima op de Capitolijn aan Jupiter Feretrius te wijden. De eerste die dit zou hebben gedaan was Romulus, die eigenhandig koning Acro van Caenina had gedood.[17]

De uitrusting van een Etruskische krijger (links) en van een hopliet (rechts).

Aan de hand van grafgiften heeft de Belgische archeoloog Bernard van Daele vastgesteld dat de Romeinse soldaten van de Koningstijd sterk beïnvloed waren door de Etruskische beschaving, en in het bijzonder door de zogenaamde Villanovacultuur, de eerste IJzertijdcultuur in Italië die aan de Etrusken voorafging, dan wel als de eerste Etruskische fase wordt beschouwd (ca. 900-720 BCE). Romeinse krijgers vochten met speren, werpspiesen, zwaarden, bijlen en dolken. Zwaarden waren of kort (ca. 44 centimeter) of van het ‘antenne-type’, wat betekent dat ze een lang (ca. 70 cm), maar zeer smal lemmet hadden. De krijgers gebruikten houten schilden, zowel ronde als ovale, maar veel lichaamsbescherming lijken ze niet gedragen te hebben. Soldaten die wel een pantser droegen, hadden doorgaans een bronzen borstplaat die pectorale of cardiophylax (“hartbeschermer”) werd genoemd. De rijkste burgers konden zich daarnaast een ronde of gepunte helm (apex) veroorloven. Later, op het moment dat Rome door Etruskische koningen geregeerd werd, zou de zwaarbewapende hopliet zijn intrede in het Romeinse leger doen, maar dat is voor een latere bijdrage.

Ondanks dat veel oorlogen kleinschalig zullen zijn geweest, werden er afgaande op de bronnen wel degelijk steden – of beter: versterkte nederzettingen – belegerd en veroverd. Het bekendste voorbeeld is misschien wel de verwoesting van Alba Longa, ‘moederstad van Rome’, tijdens een oorlog met de Romeinen die tijdens de regering van Tullus Hostilius (ca. 672-640 BCE) zou hebben plaatsgevonden. Livius vertelt in dit verband het prachtige, maar onhistorische verhaal van het duel van de drie broers Horatii uit Rome en de drie broers Curiatii uit Alba (zie uitgebreider deze bijdrage).[18] Met dit duel zou de oorlog zonder al te veel bloedvergieten beslecht zijn. Het verhaal past goed bij de tweegevechten die traditioneel deel zullen hebben uitgemaakt van de oorlogsvoering van die tijd. Omdat de Albanen zich later niet aan hun afspraken hielden, werd hun stad alsnog door de Romeinen verwoest en werd de bevolking gedwongen naar Rome overgeplaatst. De Albanen zouden vooral op de Caelius zijn gehuisvest en volgens Livius waren de gentes van de Julii, de Servilii, de Quinctii, de Geganii, de Curiatii en de Cloelii oorspronkelijk uit Alba afkomstig.[19] Of dit nu waar is of niet, zeker de eerste drie geslachten zouden een prominente rol in de Romeinse geschiedenis gaan spelen.

De Horatii tegen de Curiatii door Giuseppe Cesari (Capitolijnse Musea, Rome).

In de bronnen zijn meer verhalen te vinden over het veroveren van nederzettingen en het verplaatsen van de plaatselijke bevolkingen naar Rome. De Romeinen zouden dat ook hebben gedaan na de verovering van de Latijnse steden Politorium, Tellenae, Ficana en Medullia. Hun bevolkingen werden naar de Aventijn overgebracht.[20] Terwijl Rome op deze wijze in omvang toenam, stuurden de Romeinen ook kolonisten uit om voorposten in veroverd gebied in te richten. Zo lezen we over een kolonie bij Fidenae ten tijde van koning Tullus Hostilius. Aan zijn opvolger Ancus Marcius (640-616 BCE), zogenaamd een kleinzoon van Numa Pompilius, werd de stichting van de Romeinse havenstad Ostia toegeschreven.[21] Dankzij Ostia verwierven de Romeinen definitief de controle over de zoutpannen aan de monding van de Tiber. Aangezien ze ook Ficana – tussen Ostia en Rome in – in handen hadden, kon niemand het transport van zout tussen de monding van de rivier en het Tibereiland meer bedreigen. Het is aannemelijk dat er rond deze tijd een haven bij het Velabrum, het moerassige stuk land tussen de Capitolijn en de Palatijn, in bedrijf was.

Uitzicht op Rome vanaf de Janiculusheuvel.

Koning Ancus zou verder de eerste brug over de Tiber hebben laten aanleggen, de houten Pons Sublicius. Ook het eerste (naamloze) aquaduct wordt aan hem toegeschreven.[22] Hoewel zulke toeschrijvingen uiterst twijfelachtig zijn, kan de datering van de brug en het aquaduct best kloppen. Via de Pons Sublicius konden de Romeinen gemakkelijk bij de hoge Janiculusheuvel aan de andere kant van de Tiber komen. Die heuvel werd weliswaar niet of slechts spaarzaam bewoond, maar had grote strategische waarde. De Romeinse bezetting en versterking van de Janiculus was waarschijnlijk vooral ingegeven door de activiteiten van de Etruskische stad Veii, die 15 kilometer ten noordwesten van Rome lag en ook aanspraak maakte op de controle over de zoutpannen aan de monding van de Tiber. Was de invloed van de Villanovacultuur (ca. 900-720 BCE) op Rome al groot geweest, de invloed van de Etruskische cultuur zou tijdens de zogenaamde ‘oriëntaliserende fase’ (ca. 720-580 BCE) nog veel groter worden.

Noten

[1] Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic, p. 28 en 164.

[2] Livius 1.9-13.

[3] Livius 1.8.

[4] Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 449: “The Sabine origin of the first inhabitants of Quirinal Hill (fervently proclaimed by ancient authors) is the subject of much discussion.”

[5] Livius 1.13.

[6] Dionysius van Halicarnassus 2.48.

[7] De theorie dat de naam Quirinus is afgeleid van Co-virinus and dus dezelfde etymologie heeft als het woord curia (co-viria; ‘samenkomst van mannen’) is niet algemeen aanvaard. Dionysius van Halicarnassus citeert in dit verband (Boek 2.48) ook Varro, die meent dat de naam Quirinus is afgeleid van het Sabijnse woord voor ‘speer’.

[8] Livius 2.16.

[9] Livius 1.35.

[10] Voor een reconstructie van de verdeling van de tribus over de stad zie The Atlas of Ancient Rome, part 2, Tab. Ia.

[11] De lingua Latina V.55.

[12] Vgl. Dominique Briquel, De Etrusken, p. 47-48. Lucumo zou de titel van Etruskische koningen zijn geweest.

[13] Livius 1.8; Velleius Paterculus I.8.

[14] The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 153.

[15] De Curia Hostilia ging in 52 BCE in vlammen op tijdens de crematie van de vermoorde volkstribuun Clodius (zie deze bijdrage). Het gebouw stond op de plek waar we nu de kerk van Santi Luca e Martina vinden. Het nieuwe Senaatsgebouw, de Curia Julia, werd elders op het Forum gebouwd.

[16] De bron voor het navolgende is Bernard van Daele, Het Romeinse leger, p. 16-18.

[17] Livius 1.10; Dionysius van Halicarnassus 2.33-34.

[18] Livius 1.24-25.

[19] Livius 1.29-30 en 33.

[20] Livius 1.33, The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 392.

[21] Polybius 6.11a.

[22] Philip Matyszak, Chronicle of the Roman Republic, p. 31. Dit was overigens niet de Aqua Marcia, die pas in 144 BCE door de praetor urbanus Quintus Marcius werd gebouwd. Mogelijk beschouwde deze Marcius zich wel als een verre nazaat van de half legendarische Ancus Marcius. De oudste bekende aquaducten in Rome waren de Aqua Appia uit 312 BCE en de Aqua Anio Vetus uit 272 BCE. Zie The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 92.

2 Comments:

  1. Pingback:De erfenis van de Koningstijd (753-509 BCE) – – Corvinus –

  2. Pingback:The Roman Age of Kings: the first kings (ca. 753-616 BCE) – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.