De vroegste geschiedenis van Rome (ca. 1600-753 BCE)

De Capitolijnse wolf met Romulus en Remus (Capitolijnse musea, Rome).

Volgens de overlevering werd Rome gesticht op 21 april 753 BCE, het jaar 1 Ab Urbe Condita. Op 21 april vierden de Romeinen de stichting tijdens het feest van de Parilia. Oorspronkelijk had dit feest echter weinig te maken met de stichting van de stad: het was het feest van Pales, een godheid die van oudsher werd vereerd op de Cermalus, een van de twee toppen van de Palatijnse heuvel. De correcte naam van het feest is dan ook eigenlijk Palilia, met een ‘l’. Bij nadere beschouwing blijken de klassieke auteurs het ook over het stichtingsjaar niet volledig eens te zijn geweest. Zo meende de Griekse geschiedschrijver Timaeus dat Rome in hetzelfde jaar als Carthago was gesticht, dus in 814 BCE. Polybius, eveneens een Griek, hield het op 750 BCE. De eerste Romeinse geschiedschrijvers, Fabius Pictor en Cincius Alimentus, kwamen ook niet op hetzelfde jaar uit. Volgens Fabius was Rome in 747 BCE gesticht, maar volgens Cincius in 728 BCE. Dionysius van Halicarnassus vatte hun zienswijzen samen en kwam op basis van zijn eigen berekeningen op 751 BCE uit.[1]

Al hielden de genoemde schrijvers verschillende stichtingsjaren aan, ze waren het er onderling wel over eens dat Rome in de achtste eeuw voor onze jaartelling al als een echte stad kon worden beschouwd. Tot tamelijk kort geleden namen historici en archeologen nog wel eens aan dat Rome zich pas vanaf de tweede helft van de zevende eeuw of zelfs de eerste helft van de zesde eeuw tot stad ontwikkelde. Daarvoor was er hooguit sprake van over de verschillende heuvels verspreide nederzettingen zonder politiek en religieus centrum. Dit standpunt kan als weerlegd worden aangemerkt. De klassieke auteurs hadden het in zoverre bij het rechte eind dat Rome rond 750 BCE als stad mocht gelden.[2] De nederzettingen op de heuvels waren natuurlijk nog veel ouder.

In deze bijdrage en de daaropvolgende wordt een poging gedaan de vroegste geschiedenis van Rome in grote lijnen te reconstrueren. Bij zulke oude geschiedenis, van een tijd waarin geschreven bronnen nog niet bestonden, is een aanzienlijke mate van speculatie onvermijdelijk. De conclusie dat we over deze periode niets met zekerheid weten, is echter te somber. Daarvoor is het archeologisch bewijs te sterk.

Leven op de heuvels

De huidige stad Rome ligt in het centrum van de moderne Italiaanse regio Lazio. In de Oudheid lag de stad echter juist aan de rand van het oude Latium, op de grens van het Latijnse en het Etruskische cultuurgebied. Andere Latijnse centra waren aanvankelijk veel belangrijker. Dat gold zeker voor Alba Longa, de stad die zou zijn gesticht door Ascanius, ook wel Julus genoemd, de zoon van de Trojaan Aeneas.[3] Romulus zou vanuit Alba Longa, als verre nazaat van Ascanius, honderden jaren later Rome hebben gesticht. Er is geen reden enig geloof te hechten aan deze mythen, maar het is wel zeer waarschijnlijk dat Alba veel ouder was dan Rome. De stad lag dicht bij het belangrijke heiligdom van Jupiter Latiaris op de Mons Albanus (tegenwoordig Monte Cavo), waar jaarlijks voor de Latijnse volkeren een religieus festival met offers werd gehouden. Ook de stad Lavinium, volgens een onbetrouwbare overlevering vernoemd naar de Latijnse vrouw van Aeneas (Lavinia, dochter van de legendarische koning Latinus), had vermoedelijk oudere papieren dan Rome.

Latium omstreeks de 8e-7e eeuw BCE (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

Rome ontstond op een aantal heuvels op een strategische plek bij de rivier de Tiber. Als we het hebben over de traditionele zeven heuvels waarop het oude Rome zou hebben gelegen, dan worden doorgaans de Palatijn, de Aventijn, de Capitolijn, de Caelius, de Esquilijn, de Viminaal en de Quirinaal genoemd. De opsomming is niet onjuist, maar heeft een wat arbitrair karakter. Zo bezetten de Romeinen al vroeg om strategische redenen de Janiculusheuvel aan de andere zijde van de Tiber en lag er een belangrijke nederzetting op de Velia, een vrijwel verdwenen heuvel tussen de Palatijn en de twee zuidelijke toppen van de Esquilijn, de Fagutalis en de Oppius. Hoewel het niet overdreven is de Palatijn aan te wijzen als dé plek waar Rome is ontstaan, zijn de oudste tekenen van menselijk leven toch gevonden op de Capitolijn. Al in de midden-bronstijd, zo rond 1600 BCE, ontstond hier een stabiele nederzetting.[4]

Waarom werd juist hier een nederzetting gesticht? De reden is vrij simpel. De zuidelijke top van de Capitolijn – Capitolium genoemd – lag dicht bij een bocht in de Tiber. Mede als gevolg van de aanwezigheid van het Tibereiland was de rivier op deze plek doorwaadbaar. Vanaf hun heuvel konden de bewoners van de Capitolijn het verkeer van de ene oever naar de andere in de gaten houden en – nog belangrijker – reguleren. Aan de monding van de Tiber lagen grote zoutpannen en op enig moment werd het transport van zout naar het binnenland steeds belangrijker. Zout was cruciaal voor de houdbaarheid van voedsel en economisch van grote waarde: het moderne woord ‘salaris’ is niet voor niets van het Latijnse sal afgeleid.

Zicht op het Tibereiland.

De nederzetting op de Capitolijn groeide en kon zich toen waarschijnlijk ook uitbreiden tot de noordelijke top, die de Arx of ‘burcht’ werd genoemd. Tussen het Capitolium en de Cermalus (als gezegd een van de twee toppen van de Palatijn) lag een moerassig gebied dat Velabrum werd genoemd. Hier werd volgens de overlevering het mandje met de tweeling Romulus en Remus gevonden door een wolvin, die de tweeling vervolgens zoogde. De naam van dit gebied, dat tot de drooglegging in de zesde eeuw BCE regelmatig overstroomde, is bewaard gebleven in de naam van de kerk van San Giorgio in Velabro.

Velienses, Querquetulani en Latinienses

De heuvels van Rome omstreeks 750 BCE, met de Velienses, Querquetulani en Latinienses (bron: Cristiano64, Wikimedia Commons).

We weten niet met zekerheid hoe de bewoners van de nederzettingen op de heuvels waar Rome zou ontstaan zichzelf noemden. In de Naturalis Historia van Plinius de Oudere kunnen we echter wel enige aanwijzingen vinden. In dit werk noemt de auteur de namen van 30 Latijnse volkeren die aan het hiervoor genoemde festival op de Mons Albanus deelnamen.[5] Onder hen waren de Velienses, de Querquetulani en de Latinienses. Volgens een aantrekkelijke theorie die we onder meer in de onder redactie van Andrea Carandini verschenen Atlas of Ancient Rome vinden, werd het gebied waar later Rome zou ontstaan vanaf grofweg de tiende eeuw voor onze jaartelling bewoond door deze drie volkeren. De Velienses bewoonden aanvankelijk de Velia, de heuvel waaraan ze hun naam ontleenden. De nederzetting van de Querquetulani lag op de Caelius terwijl de Latinienses op de collis Latiaris zouden zijn neergestreken, de zuidelijkste top van de Quirinaal (zie de kaart hiernaast).[6]

Hoewel de theorie als gezegd aantrekkelijk is, is ze niet geheel waterdicht. Zo is de taalkundige connectie tussen de Velienses en de Velia wel duidelijk, maar al in de Oudheid werd deze heuvel dusdanig afgegraven dat we er nu nauwelijks nog archeologische vondsten hoeven te verwachten. De aanleg van de Via dell’Impero – nu de Via dei Fori Imperiali – tussen 1924 en 1932 maakte die kans nog geringer. In de keizertijd stond hier onder meer een deel van het Domus Aurea of Gouden Huis van Nero en thans vinden we er naast de Tempel van Venus en Roma en de grote basilica van Maxentius en Constantijn onder meer de kerken van Santa Francesca Romana en Santi Cosma e Damiano. Dat de Caelius vroeger de Querquetulanus heette, weten we dankzij Tacitus.[7] Bovendien was er op deze heuvel in de stadsmuren een poort die de Porta Querquetulana werd genoemd. Waarschijnlijk bevond zich hier een heilig eikenbos (querquetum) waarin nimfen zouden wonen. De link tussen de Latinienses en de collis Latiaris lijkt het meest op speculatie gebaseerd te zijn. Bovendien is onduidelijk hoe de nederzetting op deze top zich verhield tot de oudere nederzetting op de tegenovergelegen Capitolijn.

Op de achtergrond de Basilica van Maxentius en Constantijn. Links de kerk van Santi Cosma e Damiano, onder het Huis van de Vestaalse Maagden.

De nederzettingen verenigd

Of de nederzettingen nu door Velienses, Querquetulani en Latinienses werden bewoond of niet, ze breidden zich in de loop van de tiende en negende eeuw BCE uit. De Velienses zouden zich vanaf de Velia over de Palatijn hebben verspreid en daar de twee pieken, de Cermalus en het Palatium, hebben ingenomen en ontwikkeld. In een latere fase kwamen ze ook van de heuvels af en ontplooiden activiteiten in het reeds genoemde Velabrum en de vallei tussen de Palatijn en de Aventijn, die Vallis Murcia werd genoemd en waar later het Circus Maximus werd gebouwd. De Querquetulani gingen ook de Oppius bewonen. Al veel eerder, waarschijnlijk al rond 1350 BCE, hadden de bewoners van de Capitolijn – al dan niet gelijk te stellen aan, dan wel versmolten met de Latinienses – zich meester gemaakt van het drassige terrein dat ten westen van hun heuvel lag en dat later het Campus Martius of Marsveld werd genoemd.

De voormalige Vallis Murcia, met de overblijfselen van het Circus Maximus.

De nederzettingen kwamen met elkaar in conflict maar leefden en werkten ook met elkaar samen. Tussen ca. 850 en 775 BCE ontstond er zo langzaam één nederzetting. Begraafplaatsen werden naar de randen van de nederzetting verplaatst zodat men niet tussen de doden hoefde te wonen.[8] In het eenwordingsproces speelde het oeroude religieuze feest van de Argei een belangrijke rol. Livius schrijft de instelling van de sacella Argeorum of heiligdommen van de Argei toe aan koning Numa Pompilius (ca. 715-672 BCE), maar het ging om tradities en plechtigheden die veel en veel ouder waren. Dankzij Varro[9] en Festus[10] kunnen we 27 sacella lokaliseren, die op verschillende van de al genoemde heuvels, maar niet op de Capitolijn of de plek van het toekomstige Forum Romanum stonden.[11] Jaarlijks werd op 16 en 17 maart een processie langs de 27 sacella gehouden. Op 15 mei werden 27 rieten poppen – ook Argei genoemd – in de Tiber gegooid. Mogelijk verwees deze ceremonie naar de tijd dat er nog mensenoffers werden gebracht. De 27 sacella correspondeerden mogelijk met 27 districten of curiae[12]in het proto-urbane Rome. Het is niet te bewijzen, maar tegelijkertijd niet ondenkbaar hieruit de 30 curiae van de Koningstijd zijn ontstaan.

Uitzicht op het Forum Romanum vanaf de Capitolijn.

Uit het ontbreken van sacella op de Capitolijn en het Forum kan worden afgeleid dat het proto-urbane Rome nog geen politiek en religieus centrum had. Ondertussen besloegen de verenigde nederzettingen al een oppervlak van 205 hectare. Daarmee was het proto-Urbane Rome groter dan haar toekomstige rivaal, de Etruskische stad Veii. Veii lag maar iets meer dan 15 kilometer ten noordwesten van Rome, op een plateau aan de andere kant van de Tiber (zie de kaart hierboven). De stad besloeg een oppervlak van ‘slechts’ 180 hectare.[13] De komst van het urbane Rome, van Rome als Urbs of stad, was nu nabij. In de periode 775-750 BCE werden de eerste muren om de Palatijn heen gebouwd. Deze waren gemaakt van gestampte aarde, hout en steen. In dezelfde periode werd begonnen met de inrichting van het Forum Romanum in de vlakte tussen de verschillende bewoonde heuvels. Er werden heiligdommen ingericht voor goden die verbonden waren met vuur, Vulcanus en Vesta, en de belangrijkste leider van de proto-urbane nederzetting verplaatste zijn residentie van de Palatijn naar het Forum. Daar ging hij het gebouw dat de Regia werd genoemd bewonen. En zo werd inderdaad omstreeks 750 BCE de stad Rome gesticht. Met de vestiging van het politieke en religieuze centrum nam ook de Romeinse Koningstijd zijn aanvang.

Noten

[1] Dionysius van Halicarnassus 1.74. Als Griek rekende hij uiteraard in Olympiaden.

[2] Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 37: “It was long believed that Rome dated from the second half of the seventh century or the first half of the sixth century BC; that is the story that has been historiographically diffused. However, today archaeology can make the clear argument (based on an enormous and well-ordered quantity of data) that the origin of the city and “public entity” dates from approximately 750 BCE.”

[3] Livius 1.3. Julus gold als voorvader van de Julii. Hij was de zoon van Aeneas en de godin Venus, waardoor de Julii ook van Venus zouden afstammen.

[4] The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 149.

[5] Plinius de Oudere, Naturalis Historia 3.69.

[6] Zie The Atlas of Ancient Rome, part 1, passim, maar in het bijzonder p. 69, p. 149-150, p. 218, p. 284, p. 309, p. 344, p. 361, p. 424 en p. 429.

[7] Annales 4.65.

[8] Het verbod de doden binnen de stadsmuren te verplaatsen zou eeuwen later in de Wetten van de Twaalf Tafelen worden vastgelegd.

[9] O.a. De lingua Latina V.45-54 en VII.44.

[10] Festus 142 L, die schrijft over het oeroude heiligdom van de vruchtbaarheidsgod Mutunus Tutunus op de Velia.

[11] Zie de kaart in The Atlas of Ancient Rome, part 2, Tab. Ia.

[12] Mogelijk van co-viriae, ‘samenkomst van mannen’.

[13] The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 326. Dominique Briquel, De Etrusken, p. 43 spreekt van 194 hectare.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.