Viriathus: De Jaren 145-143 BCE

Zicht op het Forum Romanum.

Samenvatting

  • De consul Quintus Fabius Maximus Aemilianus strijdt met succes tegen Viriathus, maar slaagt er niet in de oorlog tegen de Lusitaniërs te beëindigen (145-144 BCE);
  • Koning Ptolemaios VI Philometor van Egypte verslaat Alexander Balas, de heerser van het Seleucidenrijk; laatstgenoemde wordt opgevolgd door Demetrios II Nikator; Ptolemaios bezwijkt zelf slechts enkele dagen na zijn zege aan zijn verwondingen (145 BCE);
  • Bouw van de Aqua Marcia in Rome (144 BCE);
  • Er ontstaan problemen in Hispania Citerior als de Arevaci, de Belli en de Titti wederom in opstand komen (143 BCE);
  • Succesvolle operaties van Viriathus en de Lusitaniërs in Hispania Ulterior (143 BCE);
  • De consul Quintus Caecilius Metellus Macedonicus verslaat de Arevaci en neemt Contrebia in (143 BCE);
  • De consul Appius Claudius Pulcher verslaat de Salassi (143 BCE);
  • De Joodse Hogepriester Jonatan Apphus hernieuwt het vriendschapsverdrag met de Romeinen (ca. 143 BCE).

De Romeinen hadden dit jaar aardig wat redenen voor een feestje. Quintus Caecilius Metellus Macedonicus had al een triomftocht gehouden voor zijn overwinningen op Andriskos in 148 BCE en nu kwam daar de triomftocht van Scipio Aemilianus Africanus voor zijn verwoesting van Carthago bij. De derde triomftocht was die van Lucius Mummius Achaicus, de ‘nieuwe man’ die de Achaeïsche Bond had verslagen en Korinthe had platgebrand. Het leek welhaast alsof Rome geen serieuze vijanden meer had: Carthago was verwoest, evenals Macedonië en de Achaeïsche Bond. De Parthen kropen steeds dichter bij het Seleucidenrijk en verzwakten dit toch al wankelende rijk nog verder. Het Ptolemaeïsche Egypte probeerde zijn positie in de regio te versterken ten koste van de Seleuciden, en dat mislukte op spectaculaire wijze. Maar Rome was nog wel verwikkeld in een oorlog in Spanje en de zaken werden er daar niet gemakkelijker op.

Spanje

Hercules-Melqart, een van de belangrijkste goden van Carthago (Musée du Louvre).

De Lusitanische Oorlog werd opgedragen aan de consul Quintus Fabius Maximus Aemilianus. Fabius was de zoon van Lucius Aemilius Paullus, de man die in 168 BCE de Macedoniërs bij Pydna had overwonnen. Als praetor en gouverneur van Sicilië had hij op dat eiland in 149 BCE de 300 Carthaagse gijzelaars in ontvangst genomen. Fabius was ervaren, maar dat gold niet voor de 15.000 infanteristen en 2.000 ruiters die hij met zich mee had genomen naar Spanje. De consul sloeg zijn kamp op bij Urso (bij het huidige Osuna) in Hispania Ulterior en gaf zijn officieren de instructie te beginnen met het drillen van de manschappen. Terwijl zijn leger langzaam maar zeker in vorm kwam, bezocht Fabius zelf de tempel van Herakles-Melqart in Gades. De Lusitanische leider Viriathus zat in de tussentijd niet stil. Hij lokte een aantal Romeinse houthakkers in een hinderlaag en versloeg een van Fabius’ legaten. Toen Fabius naar zijn kamp was teruggekeerd, besloot hij het nog niet op een geregelde veldslag met de Lusitaniërs te laten aankomen. Voorlopig beperkte hij zich tot schermutselingen en hij zorgde er altijd voor dat zijn foerageurs goed beschermd werden. Deze strategie loonde, want begin 144 BCE wist de Romeinse consul zijn tegenstander tijdens een veldslag te verslaan. Twee Lusitanische steden werden ingenomen en Viriathus verloor veel manschappen.

De nederlaag was een tegenslag voor Viriathus, maar hij was nog allesbehalve verslagen. De veldslag tegen het consulaire leger van Fabius toont bovendien aan dat hij inmiddels bereid was geregelde veldslagen te leveren tegen de legioenen in plaats van zich te beperken tot raids en hinderlagen. De oorlog tegen de Lusitanische leider had nu kunnen worden opgedragen aan een van de nieuwe consuls van 144 BCE, Servius Sulpicius Galba of Lucius Aurelius Cotta. Scipio Aemilianus had echter in de Senaat betoogd dat geen van beide mannen geschikt was om het Romeinse leger in Spanje te leiden.[1] Galba zou inderdaad een slechte keuze zijn geweest. Hij kende het gebied weliswaar goed, maar zijn betrokkenheid bij een bloedbad in 150 BCE maakte van hem een controversiële man en een jaar later was hij maar net aan een veroordeling wegens deze massamoord ontkomen. Het gevolg was dat Fabius zijn veldtocht tegen de Lusitaniërs kon voortzetten. Hij behaalde echter maar weinig succes en trok zich aan het einde van het jaar terug naar zijn winterkamp bij Corduba.

De oorlog in Spanje, 147-133 BCE (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Viriathus zorgde er nu voor dat de oorlog ook de naburige provincie Hispania Citerior bereikte. In 143 BCE, stookte hij de Arevaci, de Belli en de Titti op om terug te komen van hun overgave aan Rome in 151 BCE. De ‘Oorlog als Vuur’ in Spanje dreigde nu compleet uit de hand te lopen. Viriathus trok vervolgens weer richting het zuiden en leed daar aanvankelijk een nederlaag tegen een Romeins leger. Appianus beweert dat dit werd geleid door een zekere “Quintus, een andere Romeinse generaal”, dus misschien was hij een van Fabius’ legaten. Deze Quintus achtervolgde zijn tegenstander naar de Venusberg, waar Viriathus zijn schuilplaats had. Daar leed hij een ernstige nederlaag waarbij 1.000 van zijn manschappen sneuvelden en enkele legioenstandaarden werden buitgemaakt. Energiek als altijd haastte Viriathus zich daarop weer naar het zuiden, verdreef een Romeins garnizoen uit Itucca en verwoestte de gebieden van de Bastetani. Fabius was nergens te bekennen en de eerdergenoemde Quintus was niet bij machte iets te doen. Quintus sloot zichzelf uiteindelijk op in zijn winterkamp bij Corduba en droeg het bevel over aan een zekere Gaius Marcius, een man die afkomstig was uit de Romeinse kolonie Italica.

Hastatus (bron: Europa Barbarorum).

Veles (bron: Europa Barbarorum)

In het Nabije Spanje gingen de zaken veel beter voor de Romeinen. Hun troepen daar werden aangevoerd door een veteraan, de consul Quintus Caecilius Metellus Macedonicus (zie hierboven). Hij verraste de Arevaci toen die met de oogst bezig waren en bracht veel van de clans weer onder Romeins gezag. En er was meer succes: na een moeilijk beleg slaagde de consul erin het stadje Contrebia in te nemen. Er waren nu nog twee steden in de handen van de rebellen: Termantia en Numantia. Vooral de laatste stad zou een zeer harde noot blijken te zijn. Metellus zou haar ook niet aanvallen. Dat liet hij aan zijn opvolger over.

Italië

In 144 BCE nam de Senaat belangrijke maatregelen met betrekking tot de watervoorziening in Rome. Voor een stad die zo groot was als Rome was vers water van levensbelang. Het water van de Tiber was vies en ongezond, dus de mensen waren afhankelijk van schoon water dat door aquaducten van ver werd aangevoerd. De twee belangrijkste aquaducten waren de Aqua Appia – toegeschreven aan de beroemde censor Appius Claudius Caecus – en de Aqua Anio Vetus. Deze aquaducten kampten met achterstallig onderhoud, en daarom gaf de Senaat de praetor urbanus Quintus Marcius de opdracht ze te repareren en een derde te bouwen. Naar deze praetor zou het aquaduct de Aqua Marcia worden genoemd.

Tegelijkertijd zetten de Romeinen hun noordwaartse expansie in Italië voort. In 143 BCE, streed de consul Appius Claudius Pulcher tegen de Salassi, een Keltische stam die dicht bij de Alpen leefde. Hoewel er geen details van de veldtocht bewaard zijn gebleven, lijkt het erop dat deze een succes was.

Syrië

Munt van Alexander Balas (bron: Classical Numismatic Group Inc.)

In 145 BCE was er weer eens een regeringswissel in het Seleucidenrijk. Gek genoeg leidde deze ertoe dat ook in het Ptolemaeïsche Egypte een regeringswissel plaatsvond. Alexander Balas zat al sinds 150 BCE op de Syrische troon, maar hij bleek al snel een zwakke en impopulaire heerser. Al in 147 BCE was een zekere Demetrios met een bende huurlingen van Kreta naar Cilicië overgestoken. Hij was de zoon van Demetrios I Soter, de man die door Alexander was afgezet en gedood. De jonge Demetrios lijkt weinig te hebben bereikt na zijn oversteek, maar Alexander had ook andere problemen. Zijn gouverneur van Koile-Syrië was zo dom geweest om Jonatan aan te vallen, de Joodse Hogepriester die formeel een bondgenoot van de Seleuciden was. Niet alleen had deze Apollonios een nederlaag geleden, zijn optreden had ook tot ernstige spanningen tussen de Makkabeeën en de Seleucidische koning geleid. Alexander deed het voorkomen alsof Apollonios op eigen initiatief had gehandeld, maar dit verweer was nauwelijks geloofwaardig te noemen. De belangrijkste ontwikkeling was echter dat Alexander de steun verloor van zijn schoonvader Koning Ptolemaios VI Philometor van Egypte. Die beweerde dat Alexander had geprobeerd hem te laten vermoorden – wat misschien ook wel waar was – en had daarop zijn dochter Cleopatra Thea bevolen van haar echtgenoot te scheiden. Vervolgens verbond hij zich aan Demetrios en liet hem met Cleopatra trouwen.

De volgende stap was dat Ptolemaios het Seleucidenrijk binnenviel. Jonatan de Hogepriester had hem de weg kunnen versperren, maar besloot niet in te grijpen. Daardoor bereikte de Egyptische koning al snel Antiocheia. Alexander was daar op dat moment niet afwezig, aangezien hij in Cilicië strijd leverde tegen opstandelingen (misschien aanhangers van Demetrios). Slechts 23 jaar eerder had een Seleucidisch leger aan de rand van Alexandrië, de Egyptische hoofdstad, gestaan. Nu waren de rollen omgedraaid: Ptolemaios nam de Seleucidische hoofdstad in. Dit had tot een formele vereniging van het Ptolemaeïsche Koninkrijk en het Seleucidenrijk kunnen leidden, met Ptolemaios als heerser over beide rijken. Als we echter af mogen gaan op het relaas van Josephus, deinsde Ptolemaios ervoor terug om beide kronen te dragen omdat hij dacht dat zijn Romeinse vrienden hierdoor gealarmeerd zouden raken. Daarom stelde hij zijn schoonzoon Demetrios aan als de nieuwe Seleucidische koning. Alexander was echter nog niet verslagen. Hij keerde terug uit Cilicië, en dicht bij Antiocheia botsten de beide legers op elkaar. Alexander leed een nederlaag en vluchtte naar Arabië, maar Ptolemaios had tijdens het gevecht dodelijke verwondingen opgelopen. Volgens Josephus had zijn paard hem afgeworpen toen het dier schrok van het geluid van een olifant. Vervolgens hadden de manschappen van Alexander hem zware verwondingen toegebracht. Hoewel zijn lijfwachten hem hadden weten te ontzetten, had Ptolemaios zulke ernstige verwondingen aan zijn hoofd opgelopen dat hij enkele dagen later stierf. Net voordat hij de geest gaf, had hij nog het nieuws gehoord dat Alexander was onthoofd door een Arabisch stamhoofd.

Munt van Diodotos Tryphon (bron: British Museum, CC BY-SA 3.0 license).

Ptolemaios VI Philometor was nog maar begin veertig toen hij kwam te overlijden. Zijn broer Ptolemaios VIII Physcon (“de Dikke”), heerser over Kyrene, profiteerde van zijn dood en eiste de troon van Egypte voor zichzelf op. Demetrios zou als Demetrios II Nikator over het Seleucidenrijk heersen, maar al snel verloor hij aan populariteit bij het leger en de bevolking van Antiocheia. Tegelijkertijd broedde de Hogepriester Jonatan op manieren om zijn macht te vergroten. De Toren van David – de citadel van Jeruzalem – was nog altijd in handen van een Seleucidisch garnizoen. Jonatan besloot het bolwerk te belegeren, maar sloot later een deal en een nieuw vriendschapsverdrag met Demetrios. Dat hield echter niet lang stand. Een generaal genaamd Diodotos Tryphon had al een rivaal van Demetrios op de troon gezet. Zijn naam was Antiochos VI, de nog piepjonge zoon van Alexander Balas. Demetrios werd, waarschijnlijk in 144 BCE, uit Antiocheia verjaagd, de stad waar zijn populariteit als gevolg van een bloedbad door zijn huurlingen toch al tot het nulpunt was gedaald. Demetrios was echter nog niet bereid de handdoek in de ring te gooien. Vanuit andere delen van Syrië bleef hij zich verzetten tegen Tryphon en diens marionet Antiochos.

Jonatan was in de tussentijd al overgelopen naar Antiochos. Hij vernieuwde, waarschijnlijk in 143 BCE, het vriendschapsverdrag met de Romeinen. Dit verdrag was in 160 BCE gesloten op gezag van zijn broer Judas Makkabeüs. Vervolgens trapte Jonatan in een val die Tryphon voor hem had gezet. Tryphon nodigde de Hogepriester uit voor gesprekken naar Ptolemais te komen, maar daar werd Jonatan op verraderlijke wijze gearresteerd. In de veronderstelling dat de Makkabeeën nu zonder leider zaten, trof de heerser over het Seleucidenrijk vervolgens voorbereidingen voor een inval in Judea.

Bronnen

Primaire bronnen

Noot

[1] Volgens Valerius Maximus 6.4.2.

One Comment:

  1. Pingback:Viriathus: De Jaren 142-140 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.