De Derde Punische Oorlog: Het Jaar 148 BCE

Baal Hammon.

Samenvatting

  • Tiberius Sempronius Gracchus en Marcus Claudius Marcellus sterven;
  • Koning Masinissa van de Numidiërs sterft; Scipio Aemilianus verdeelt zijn gebied onder zijn drie wettige zonen, Micipsa, Gulussa en Mastanabal;
  • Manius Manilius leidt een tweede expeditie naar Nepheris en behaalt wederom geen succes;
  • Himilco Phameas loopt over naar Rome;
  • De consul Lucius Calpurnius Piso Caesoninus slaagt er niet in Hippo Diarrhytos in te nemen;
  • Hasdrubal de Boetharch laat zijn rivaal lynchen en wordt alleenheerser in Carthago;
  • De Macedonische usurpator Andriskos verslaat en doodt de praetor Publius Juventius Thalna;
  • Quintus Caecilius Metellus verslaat Andriskos en verwerft daarmee de bijnaam ‘Macedonicus’;
  • Macedonië wordt een Romeinse provincie;
  • Hoewel hij formeel te jong is, wordt Scipio Aemilianus voor het volgende jaar tot consul gekozen.

Dit jaar stierf Tiberius Sempronius Gracchus, de grote staatsman en generaal die beroemd was vanwege zijn overwinningen in Spanje (zie 179 BCE) en op Sardinië (zie 176-175 BCE). Ook had Gracchus in 169 BCE als censor gediend, en met de bouw van de Basilica Sempronia op het Forum Romanum had hij zijn stempel op de stad gedrukt. Hij was getrouwd met Cornelia, dochter van Scipio Africanus, die hem twaalf kinderen had gebaard. Twee van deze kinderen waren Tiberius en Gaius Gracchus, die in de jaren 130 en 120 berucht zouden worden als volkstribunen. Het paar had tevens een dochter genaamd Sempronia, die trouwde met Publius Cornelius Scipio Aemilianus, de kleinzoon door adoptie van de grote Africanus en dus formeel haar neef. De Romeinen zouden de oude Gracchus erg missen, en dat gold ook voor Marcus Claudius Marcellus, die consul was in 166, 155 en 152 BCE en aan wie vele triomftochten waren toegekend. Hij verdronk terwijl hij onderweg was naar Romes trouwe bondgenoot Koning Masinissa van de Numidiërs.

Ook Masinissa kwam dit jaar te overlijden. Hoewel hij tijdens de Tweede Punische Oorlog aanvankelijk tegen de Romeinen had gevochten (zie 211 BCE), was hij in 206 BCE naar hen overgelopen en had hij hen sindsdien trouw gediend. De koning had altijd een uitstekende gezondheid gehad, maar dat kon niet verhinderen dat hij van ouderdom stierf op de gezegende leeftijd van 90 jaar. Zijn dood was een grote tegenslag voor de Romeinen, die het moeilijk hadden tijdens de Derde Punische Oorlog en nu ook nog eens moesten samenwerken met de opvolgers van de koning. De eerdergenoemde Scipio Aemilianus kreeg de opdracht om het gebied van de koning te verdelen onder zijn drie wettige zonen, Micipsa, Gulussa en Mastanabal. Daarbij handelde Scipio waarschijnlijk in overeenstemming met de Numidische gebruiken en tradities, maar de verdeling zorgde wel voor een tijdelijke verzwakking van het Numidische koninkrijk. Van de drie broers nam Micipsa zijn intrek in het koninklijk paleis in Cirta, terwijl Gulussa en Mastanabal belast werden met respectievelijk militaire en juridische zaken. Mastanabal had een buitenechtelijke zoon genaamd Jugurtha, wiens moeder een bijvrouw was. Later zou hij door Micipsa geadopteerd worden en de Romeinen zouden nog veel van hem horen.

Derde Punische Oorlog

Anders dan het voorafgaande jaar besloot de Senaat ditmaal geen twee consuls naar Afrika te sturen voor de oorlog tegen Carthago. Eén consul moest voldoende zijn. Spurius Postumius Albinus Magnus bleef in Rome achter en Lucius Calpurnius Piso Caesoninus moest het bevel over het Romeinse leger overnemen van zijn voorganger Manius Manilius. Manilius had in de buurt van Nepheris een tweede aanval op Hasdrubal de Boetharch uitgevoerd. De nieuwe expeditie was weliswaar beter voorbereid en uitgevoerd dan de vorige, maar toch bereikte Manilius helemaal niets. Het Romeinse moreel werd wel iets opgevijzeld toen Scipio (die nog altijd als krijgstribuun diende) erin slaagde Himilco Phameas tot overlopen te bewegen. Himilco was de ruitercommandant die het de Romeinen het voorafgaande jaar zo lastig had gemaakt. Manilius stuurde Scipio en Himilco naar Rome toe, waar de laatstgenoemde rijkelijk beloond werd door de Senaat. Himilco beloofde Rome trouw te dienen en voer vervolgens terug naar het Romeinse kamp in Afrika.

In de tussentijd was de nieuwe consul Piso bij Carthago aangekomen. Het bevel over de vloot was opgedragen aan de legaat of propraetor Lucius Hostilius Mancinus, mogelijk de zoon van de consul van 170 BCE. Net als zijn voorganger slaagde de nieuwe consul er niet in ook maar iets te presteren. Hij lanceerde geen aanvallen op Carthago en leverde ook geen strijd met Hasdrubal de Boetharch. Wel viel Piso het stadje Aspis aan, waar het Romeinse leger tijdens de Eerste Punische Oorlog in 256 BCE geland was. De consul werd hier echter teruggedreven en stelde zich daarop tevreden met het plunderen van een stadje in de buurt. Dat was waarschijnlijk Neapolis, dat niet eens een Punische stad was (ze was gesticht door Grieken).

Vervolgens liep Piso klappen op bij een belangrijke stad die Appianus ‘Hippagreta’ (Ἰππάγρετα) noemt en die volgens hem tussen Carthago en Utica lag. Aangezien er geen stad met die naam bestaat, moeten we aannemen dat onze geschiedschrijver doelde op Hippo Diarrhytos, een grote stad ten westen van Utica. Hippo Diarrhytos werd beschermd door sterke muren en een citadel. Nog belangrijker waren de haven en de beroemde dokken, die nog waren gebouwd door Agathokles, de Tiran van Syracuse (317-289 BCE), die in 310 BCE Afrika was binnengevallen. Tijdens de Derde Punische Oorlog maakten de Carthagers actief gebruik van deze haven: ze stuurden van daaruit schepen op pad om te loeren op Romeinse bevoorradingsschepen. Aan die praktijken moest een einde gemaakt worden, en dus begon de consul met het beleg van de stad dat de hele zomer zou duren. Helaas voor de Romeinen kwamen ze nooit ook maar in de buurt van het innemen van Hippo. Tweemaal deden de verdedigers een uitval en tweemaal gingen de Romeinse belegeringswerktuigen in vlammen op. Uiteindelijk besloot de consul het beleg af te breken en terug te keren naar Utica om daar zijn winterkamp op te slaan.

Punisch borstkuras, gemaakt van brons (Bardo Museum).

De situatie in Afrika zag er niet goed uit voor de Romeinen. Ze waren geen stap dichter bij de verovering van Carthago gekomen en er was hooguit sprake van een nogal los beleg rondom de stad. Enkele honderden ruiters van Gulussa waren gedeserteerd en zelfs Micipsa en Mastanabal leken niet meer onwankelbaar in hun trouw. Hasdrubal de Boetharch was inmiddels teruggekeerd in Carthago en smeedde een complot tegen zijn naamgenoot Hasdrubal de kleinzoon van Masinissa. Hij beschuldigde de laatstgenoemde van een samenzwering om de stad aan zijn oom Gulussa te verraden. Kennelijk werd de zaak in de volksvergadering besproken. Toen de beschuldigde de aantijgingen niet kon weerleggen, werd hij door een meute – waarschijnlijk met sterke anti-Numidische sentimenten – gelyncht. Hasdrubal de Boetharch maakte zich vervolgens meester van Carthago. Op zoek naar bondgenoten besloten de Carthagers vervolgens gezanten te sturen naar Andriskos, de zelfverklaarde koning van Macedonië. Ze moedigden hem aan de oorlog tegen de Romeinen voort te zetten en beloofden hem geld en schepen. Laten we daarom overschakelen naar dit andere conflict, de Vierde Macedonische Oorlog.

Vierde Macedonische Oorlog

Zo rond deze tijd had de praetor Publius Juventius Thalna Macedonië bereikt. Daar raakte hij slaags met Andriskos en diens gemengde leger van Macedoniërs en Thraciërs. Andriskos slaagde er nogal verrassend in een verpletterende overwinning op zijn Romeinse tegenstander te boeken. Hoewel een aantal van zijn soldaten wisten te ontkomen, werd de praetor zelf gedood. De nederlaag was eerder vernederend dan ernstig voor de Romeinen: bij eerdere gelegenheden hadden ze beslissende overwinningen gehaald op veel grotere legers die werden geleid door de koningen van Macedonië zelf, maar nu waren ze verslagen door een troonpretendent en zijn bende.

De Senaat stuurde snel een nieuwe praetor naar de regio. Deze Quintus Caecilius Metellus was een stuk competenter dan zijn voorganger. Hoewel de details van zijn veldtocht tegen Andriskos wat wazig zijn, lijkt het erop dat hij de Pseudo-Philippos in de buurt van Pydna wist te verslaan, de plek waar de Romeinen in 168 BCE een grote overwinning op Perseus hadden behaald. Andriskos werd daarna nogmaals verslagen en vervolgens gevangen genomen. Metellus kreeg voor zijn overwinningen het agnomen ‘Macedonicus’. Belangrijker nog was dat de vier republiekjes werden opgeheven en dat van Macedonië een Romeinse provincie werd gemaakt. Vanaf dat moment was een Romeinse magistraat het hoogste civiele en militaire gezag in dit gedeelte van de Oude Wereld. De omvorming tot provincie was een proces dat enige tijd in beslag nam, want van de nieuwe provincie maakten ook Thessalië, Epirus en delen van Illyrië, Paeonië en Thracië deel uit. Achaea – i.e. de gebieden die onder gezag van de Achaeïsche Bond stonden – zouden twee jaar later, na een volgende oorlog, worden toegevoegd.

Rome

Het Forum Romanum anno nu.

In december werden er nieuwe verkiezingen voor de consuls gehouden. Scipio Aemilianus was nu 36 of 37 jaar oud, dus onder de bepalingen van de Lex Villia van 180 BCE was hij formeel nog te jong om zich kandidaat te stellen. Scipio stelde zich daarom kandidaat voor het ambt van aediel, waarvoor hij wel de vereiste leeftijd bezat. Het nieuws over zijn prestaties in Afrika had echter al de stad bereikt en daarmee ook de kiezers. De comitia centuriata verkeerde kennelijk in de veronderstelling dat de oorlog tegen Carthago alleen gewonnen kon worden als Scipio het volgende jaar de legers van Rome zou aanvoeren. Scipio werd namelijk als een van de nieuwe consuls gekozen. Aangezien dit strikt genomen in strijd was met de Lex Villia, maakte de consul die de verkiezingen voorzat bezwaar. Zijn interventie leidde tot grote commotie onder het volk. Uiteindelijk vroeg de Senaat de volkstribunen om aan het concilium plebis voor te stellen de wet voor één jaar opzij te zetten. Het concilium stemde daar graag mee in.

Dit hele verhaal, dat we bij Appianus vinden, is waarschijnlijk een sterk gedramatiseerde versie van de werkelijkheid. Het lijkt simpelweg onvoorstelbaar dat Scipio écht verrast was door zijn verkiezing. Verder kan zijn leeftijd geen heel groot probleem zijn geweest. Zijn grootvader was pas 30 of 31 jaar oud geweest toen hij in 205 BCE tot consul werd gekozen (toegegeven, dit was 25 jaar voordat de Lex Villia werd aangenomen, maar de verkiezing betekende wel een breuk met de traditie). Aemilianus was enkele jaren ouder dan zijn grootvader destijds was en zat slechts enkele jaren onder de vereiste leeftijd voor het consulaat, die 42 of 43 was. Verder hadden de Romeinen de gewoonte in moeilijke omstandigheden van geldende wetgeving af te wijken. In dat licht bezien was de beslissing de Lex Villia voor slechts één jaar op te schorten teneinde een exceptionele aanvoerder te kunnen verkiezen die het Romeinse leger tegen zijn aartsvijand aan moest voeren bepaald niet uitzonderlijk.

Nog voordat de consuls formeel aantraden op 1 januari stelde Scipio’s toekomstige collega Gaius Livius Drusus voor om lootjes te trekken voor de provincie Afrika. Het was duidelijk dat ook Drusus een kans wilde krijgen om tegen Carthago te vechten. Een volkstribuun legde de zaak echter aan het concilium plebis voor, en het plebs gaf het commando aan Scipio.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 345-347;
  • Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 343.

2 Comments:

  1. Pingback:Viriathus: De Jaren 145-143 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback:De Numantijnse Oorlog: Het Jaar 135 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.