De Derde Macedonische Oorlog: Het Jaar 170 BCE

(PHGCOM/British Museum)

Samenvatting

  • Publius Licinius Crassus plundert Koroneia en krijgt daarvoor een zware reprimande;
  • Een deel van de Epiroten loopt over naar Perseus;
  • De nieuwe consul Aulus Hostilius Mancinus wordt op weg naar Thessalië bijna gevangen genomen;
  • Mancinus slaagt er niet in met zijn leger Macedonië binnen te dringen;
  • Mancinus stuurt een diplomatieke delegatie heel Griekenland door om goodwill te kweken;
  • Koning Perseus verrast een Romeinse transportvloot in de buurt van Oreos;
  • De praetor Lucius Hortensius plundert Abdera en krijgt daarvoor een zware reprimande;
  • Perseus strijdt tegen de Dardani; later valt hij Illyrië binnen bezet de stad Uscana; het Romeinse garnizoen wordt gevangen genomen;
  • De volksvergadering legt de voormalige praetor Gaius Lucretius Gallus een boete van een miljoen as op vanwege zijn optreden tegen de burgers van Chalkis;
  • In Spanje wordt een Keltiberische opstand snel neergeslagen;
  • Begin van de Zesde Syrische Oorlog tussen het Ptolemaeïsche Egypte en het Seleucidenrijk.

Dit jaar werd de oorlog tegen Koning Perseus van Macedonië voorgezet met nieuwe bevelhebbers, maar zonder al te veel succes op het slagveld. Het had er alle schijn van dat de Romeinen na jaren van tamelijk gemakkelijke overwinningen overmoedig waren geworden. Hun leger presteerde onder de maat en de discipline in de legioenen was slecht. Een van de problemen was waarschijnlijk dat Romeinse officieren probeerden hun populariteit bij de manschappen te vergroten door deze genereus verlof toe te kennen wanneer ze maar wilden. Daardoor was het Romeinse leger ook niet op volle sterkte. Van de formidabele strijdmacht die drie decennia eerder de legers van Perseus’ vader Philippos in de pan had gehakt was weinig meer over.

Derde Macedonische Oorlog

Een deel van de uitrusting van een triarius.

Terwijl hij wachtte op de nieuwe consul om het commando van hem over te nemen, had de proconsul Publius Licinius Crassus een veldtocht in Boeotië gelanceerd. Hij was erin geslaagd de stad Koroneia in te nemen en te plunderen. Waarschijnlijk was dit de laatste van de Boeotische steden die nog altijd openlijk trouw aan Perseus was. Haliartos en Thisbai waren een jaar eerder al veroverd. De opvolger van Crassus was Aulus Hostilius Mancinus, die in de lente van dit jaar in Epirus aankwam. Helaas voor de nieuwe consul had een deel van de Epiroten toen net besloten over te lopen naar Perseus. Ze berichtten de koning dat de consul door hun gebieden trok. In de buurt van Phanoteia slaagde Perseus er bijna in zijn tegenstander gevangen te nemen, maar die werd net op tijd gewaarschuwd om een andere route naar Thessalië te nemen. Daar boekte Mancinus net zo weinig succes als eerder Crassus. Ook hij slaagde er niet in Macedonië binnen te dringen. Hoewel we niet over de details van zijn veldtocht beschikken – zo’n 40 pagina’s van Boek 43 van Livius zijn verloren gegaan – mogen we aannemen dat de consul eerst een bergroute door Elimiotis in Boven Macedonië probeerde te nemen.[1] De route liep door moeilijk begaanbaar terrein en Perseus lijkt de pogingen van de consul om een doorbraak te forceren dan ook met gemak te hebben afgeslagen. Toen Mancinus zich aan een alternatieve route via Thessalië waagde, bood een zelfverzekerde Perseus hem aan om slag te leveren. De consul sloeg het aanbod echter af.

Het gebrek aan resultaten leidde tot zorgen bij de consul. De trouw van de Griekse bondgenoten van de Romeinen hing sterk af van de mate waarin Rome haar veldslagen en oorlogen met gemak won, en van zulke eenvoudige overwinningen was nu geen sprake. De Molossen van Epirus waren al naar Perseus overgelopen en om te voorkomen dat er nog meer bondgenoten af zouden vallen, besloot Mancinus een diplomatieke delegatie heel Griekenland door te sturen om overal goodwill voor de Romeinse zaak te kweken. Gaius Popilius Laenas, de consul van 172 BCE, was een van de gezanten. De Romeinse diplomaten bezochten Thebe in Boeotië en woonden een vergadering van de Achaeïsche Bond bij die in Aigion werd gehouden. De Achaeërs hadden net de toekomstige geschiedschrijver Polybius benoemd tot aanvoerder van de ruiterij of hipparchon. De Romeinse gezanten trokken vervolgens verder naar Thermon in Aetolië, een streek waar een burgeroorlog op de loer lag, en bezochten ten slotte Akarnanië voordat ze weer terugkeerden naar de consul in Larisa.

Toneel van de Derde Macedonische Oorlog (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

In de tussentijd was de praetor Gaius Lucretius Gallus als vlootcommandant vervangen door Lucius Hortensius. Hortensius had zijn krachten gebundeld met Koning Eumenes van Pergamum en was begonnen met raids op de kust van Macedonië en Thracië. Een van hun doelen was de stad Abdera. De arrogante praetor eiste van de burgers van de stad een bedrag van 100.000 denarii en 50.000 schepel tarwe. De inwoners van Abdera wisten dat ze geen schijn van kans hadden tegen het veel grotere aantal vijanden en vroegen om toestemming om een delegatie naar de consul en de Senaat te sturen. Hortensius gaf de gevraagde toestemming, maar toen de gezanten waren vertrokken viel hij alsnog de stad aan. Die werd uiteindelijk aan de Romeinen verraden. Abdera werd geplunderd, haar leiders werden terechtgesteld en de rest van de bevolking werd als slaaf verkocht. Opgetogen over zijn zege keerde de praetor naar Chalkis terug. Waarschijnlijk vond hij dat hij met zijn optreden enigszins de schande had uitgewist die Perseus de Romeinen eerder dat jaar had bezorgd. De Macedonische koning en zijn vloot hadden toen namelijk de Romeinse transportvloot verrast toen die bij Oreos op Euboea voor anker lag. Er waren twintig transportschepen buitgemaakt, samen met vier quinqueremen die de vloot begeleidden. De rest van de transportschepen was tot zinken gebracht. De Romeinen waren kortom vernederd.

Kaart van Epirus en Illyrië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Hoewel de juiste volgorde van de gebeurtenissen lastig te reconstrueren is, staat vast dat Perseus dit jaar ook tegen de Dardani vocht en dit volk tijdens een korte veldtocht een zware nederlaag toebracht. Verder maakte hij plannen om Illyrië binnen te vallen, met als doel om de machtige Illyrische koning Genthios aan zijn kant te krijgen. Het was algemeen bekend dat Genthios, anders dan eerder zijn vader Pleuratos, weinig sympathie voor de Romeinen voelde, ook al waren het formeel nog steeds zijn bondgenoten (zie 181 BCE). Zo rond het tijdstip van de winterzonnewende (21 december) sloeg de Macedonische koning zijn kamp op bij Stuberra (meestal gelijkgesteld aan het huidige Prilep in de Republiek Noord-Macedonië. Van daaruit rukte hij op naar Uscana, de belangrijkste stad van de Illyrische stam van de Penestae. De stad werd niet slechts door inheemse Illyriërs verdedigd, maar ook door een Romeins garnizoen. Toen de verdedigers weigerden zich over te geven, besloot Perseus de stad te laten bestormen. De Romeinen en Illyriërs hadden maar weinig voorraden en wisten dat ze het niet lang uit konden houden. Uiteindelijk vroeg het Romeinse garnizoen de koning om toestemming om Uscana te verlaten met medeneming van hun bezittingen. De koning gaf zijn woord, maar nam vervolgens toch hun bezittingen in beslag en zette de Romeinen gevangen. Zo rond de jaarwisseling gaven de Illyriërs zich over en werd er een Macedonisch garnizoen in Uscana gelegerd.

Romeinse inhaligheid

Thuis in Rome werd de voormalige praetor Gaius Lucretius Gallus scherp bekritiseerd door de volkstribunen vanwege zijn optreden in Boeotië en zijn inhaligheid. Niet veel later kwamen er gezanten uit Abdera om te klagen over de wijze waarop hun stad door Gallus’ opvolger Hortensius was behandeld. De Senaat was woedend toen hij hoorde van de acties van de praetor en eiste dat de burgers van Abdera onmiddellijk hun vrijheid terug zouden krijgen. De klachten die waren ingediend tegen de voormalige consul Crassus vanwege diens optreden in Boeotië werden eveneens gegrond verklaard en ook hier besloot de Senaat dat de burgers hun vrijheid moesten terugkrijgen.

En er waren nog meer klachten. De voormalige consul Gaius Cassius Longinus, de man die het voorgaande jaar had geprobeerd via de landroute Macedonië te bereiken, werd door verschillende volkeren – onder meer Kelten, Carni, Histri en Iapydes – beschuldigd van ernstig wangedrag. Hij zou akkers hebben verwoest, oogsten hebben verbrand en mensen tot slaaf hebben gemaakt. De Senaat verklaarde dat hij dit soort praktijken met kracht verwierp en veroordeelde, als de beschuldigingen tenminste waar waren. De senatoren konden het Cassius zelf niet vragen, want die diende nu als krijgstribuun onder de consul Mancinus in Macedonië. Mogelijk had de voormalige consul zich welbewust bij het leger van de nieuwe consul gevoegd: het was de perfecte manier om deel te nemen aan de oorlog waar hij zich toch al bij aan had willen sluiten, en bovendien kon hij zo ook nog eens ontsnappen aan vervolging vanwege zijn wandaden. Hoewel de Senaat beloofde de zaak verder te onderzoeken, maken onze bronnen geen melding van een proces tegen Cassius. Terzijde kan nog opgemerkt worden dat naar aanleiding van deze affaire Gaius Laelius, de oude vriend van Scipio Africanus, als gezant naar de Kelten aan de andere zijde van de Alpen werd gestuurd. Laelius moet op dat moment al dik in de zestig zijn geweest en het was waarschijnlijk zijn laatste publieke optreden.

Gezicht op het Forum Romanum.

Het was duidelijk dat de Romeinse bevelhebbers hun gebrek aan talent compenseerden met overmatige inhaligheid. Later dit jaar dienden ook de burgers van Chalkis klachten in tegen zowel Gaius Lucretius Gallus als Lucius Hortensius. Eerstgenoemde werd ervan beschuldigd dat hij tempels had onteerd door ze van hun decoraties te ontdoen. Deze versieringen zou hij naar zijn villa in Antium in Italië hebben verscheept. Ook had hij vrije burgers tot slaaf gemaakt en hun bezittingen gestolen. Hortensius had op zijn beurt huizen in Chalkis gevorderd en daar zijn zeelieden en deksoldaten in ondergebracht. Het was duidelijk dat de Senaat schoon genoeg had van dit soort praktijken. Lucretius, die op dat moment op zijn landgoed verbleef, kreeg het bevel in de Curia te verschijnen, waar hij stevig vermaand werd. Twee volkstribunen sleepten hem vervolgens voor de volksvergadering om terecht te staan. Daar werd hij door alle 35 tribus schuldig verklaard en veroordeeld tot een geldboete van een miljoen as. De Senaat stuurde daarnaast een boze brief naar Hortensius in Chalkis, met de opdracht om burgers van de stad genoegdoening te geven.

Varia

De andere consul van dit jaar, Aulus Atilius Serranus, had het tamelijk gemakkelijk. Hij had Ligurië als provincie gekregen en daar was niet veel gebeurd. In Spanje was er sprake van een kortstondige rebellie van de Keltiberiërs onder leiding van een zekere Olonicus of Olyndicus. Toen deze leider echter gedood werd, was het al gauw gedaan met de opstand. Volgens de Romeinse geschiedschrijver Florus (ca. 74-130) zwaaide deze Olonicus met een zilveren speer waarvan hij beweerde dat die uit de hemel kwam en zou hij zich hebben gedragen als een profeet. Hij had midden in de nacht geprobeerd te infiltreren in het Romeinse kamp, met als waarschijnlijke doel het vermoorden van de praetor in zijn tent. Hij was echter betrapt door de schildwachten, die korte metten met hem maakten. De praetor liet zijn hoofd naar het vijandelijke kamp brengen, waar de Keltiberiërs dusdanig geschrokken zouden zijn dat ze direct aanboden de vijandelijkheden te staken. De praetor schonk hun vergiffenis voor hun opstand en daarna was het wederom vrede in Spanje.

Antiochos IV Epiphanes (bron: Classical Numismatic Group, Inc.).

Eveneens dit jaar brak een nieuwe oorlog uit tussen het Seleucidenrijk en het Ptolemaeïsche Egypte. Dit conflict staat nu algemeen bekend als de Zesde Syrische Oorlog en wederom was de twistappel het gebied Koile-Syrië. De Egyptische koning Ptolemaios VI Philometor was nu omstreeks zestien jaar oud en was er kennelijk door zijn hovelingen toe verleid om Koning Antiochos IV de oorlog te verklaren. Het volgende jaar zou duidelijk worden hoe dom die beslissing was geweest. Beide koningen stuurden nu gezantschappen naar Rome. Die van Antiochos klaagden over de agressie en trouweloosheid van de Egyptenaren, maar de Romeinen besloten voorlopig een neutrale houding aan te nemen. Ze werden veel te veel in beslag genomen door de oorlog tegen Macedonië en waren niet van plan te interveniëren ten gunste van ofwel de Ptolemeeërs – van oudsher hun bondgenoten – ofwel de Seleuciden. Het conflict tussen deze twee regionale machten had wel ernstige gevolgen voor een andere Romeinse bondgenoot: Rhodos. De Rhodiërs konden nu geen graan meer importeren uit Egypte. De Senaat gaf hun daarom toestemming om bij wijze van alternatief graan uit Sicilië te importeren.

Bronnen

Primaire bronnen

Noot

[1] In plaats van Elimiotis lezen we ook wel Elimeia of Elimaea, zie Plutarchus, Het Leven van Aemilius 9.4.

2 Comments:

  1. Pingback:De Derde Punische Oorlog: Het Jaar 148 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback:Het Einde van Macedonië: Het Jaar 167 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.