De Derde Macedonische Oorlog: Het Jaar 169 BCE

(PHGCOM/British Museum)

Samenvatting

  • De Illyrische koning Genthios is bereid over te lopen naar Perseus in ruil voor een grote hoeveelheid goud;
  • Waar de Romeinen geen enkele vooruitgang boeken in Illyrië en Epirus, slaagt Perseus er niet in om Stratos in te nemen;
  • De consul Quintus Marcius Philippus komt in Thessalië aan en neemt het commando over het leger over;
  • De consul slaagt erin het Olympusgebergte over te steken en door te breken tot in Macedonië;
  • De Romeinen nemen verschillende steden in Macedonië in, maar hun bevoorradingslijnen zijn een groot probleem;
  • De praetor Gaius Marcius Figulus schuimt de kust van Macedonië en het schiereiland Chalkidike af, maar boekt daarbij weinig succes;
  • De Romeinen beginnen te twijfelen aan de trouw van hun bondgenoten Koning Eumenes van Pergamum en de Rhodiërs;
  • De Achaeïsche Bond mobiliseert zijn leger en stuurt het naar de consul toe, maar krijgt vervolgens te horen dat de Romeinen geen behoefte hebben aan extra troepen;
  • De censors Gaius Claudius Pulcher en Tiberius Sempronius Gracchus botsen met een aantal equites over het aanbesteden van contracten;
  • De volkstribuun Publius Rutilius probeert de censors te laten veroordelen door de comitia centuriata, maar slaagt daar niet in; de censors nemen vervolgens wraak op de volkstribuun nadat diens ambtstermijn is verstreken;
  • Op het Forum Romanum wordt de Basilica Sempronia gebouwd;
  • De volksvergadering neemt de Lex Voconia aan;
  • Koning Antiochos IV verovert het grootste gedeelte van Egypte en sluit vervolgens een deal met Koning Ptolemaios VI Philometor; Antiochos wordt gedwongen het beleg van Alexandrië op te geven, waar Ptolemaios VIII Physcon een rivaliserende regering heeft geïnstalleerd.

De Derde Macedonische Oorlog ging nu het derde jaar in en de Romeinen realiseerden zich dat ze een tandje moesten bijzetten. Omdat het leger in Macedonië bij lange na niet op volle sterkte was, begonnen de consuls Quintus Marcius Philippus en Gnaeus Servilius Caepio direct met het werven van nieuwe soldaten. De Romeinen pakten de zaken grondig aan. Veteranen die te oud waren om nog dienst te doen kregen hun congé en de consuls kregen de opdracht om vier extra legioenen te lichten die ze konden inzetten waar de extra soldaten maar nodig waren. Het ontslaan van oude soldaten was gemakkelijk, maar het rekruteren van jongere mannen bleek heel wat lastiger te zijn. Gelukkig kregen de consuls hierbij hulp van de censors (zie hieronder), die een edict uitvaardigden dat voor een groot aantal jongemannen een stimulans was om zich bij de legioenen te melden (of opnieuw te melden, in het geval dat ze eerder verlof hadden gekregen). In slechts elf dagen werd het lichtingsproces afgerond.

Derde Macedonische Oorlog

Kaart van Epirus en Illyrië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

De consuls lootten om de provincies en Macedonië viel aan Philippus toe, terwijl Caepio achter moest blijven in Italië. Direct na de Feriae Latinae vertrok Philippus naar Griekenland om de leiding in de oorlog tegen Koning Perseus op zich te nemen. Perseus had in de tussentijd niet stilgezeten. Nadat hij het voorafgaande jaar (of wellicht begin dit jaar, maar in elk geval in de winter) Uscana had ingenomen en een aantal van de Romeinse verdedigers gevangen had genomen, trok de koning op naar andere nederzettingen. Deze werden door hem veroverd, waarbij nog meer Romeinse soldaten krijgsgevangen werden gemaakt. Tevens slaagde hij erin de zwaar verdedigde stad Oaeneum (tegenwoordig Tetovo in de Republiek Noord Macedonië) te bestormen en in te nemen, alvorens weer terug te keren naar Stuberra, het verzamelpunt voor zijn inval in Illyrië. De koning stuurde vervolgens afgezanten naar Koning Genthios, een van de machtigste Illyrische leiders. De afgezanten reisden eerst naar Skodra (nu Shkodër in Albanië), maar daar hoorden ze dat Genthios zich in Lissos (het huidige Lezhë) bevond. Toen ze daar arriveerden, deelde de koning hen mee dat hij zeker bereid was de kant van Perseus te kiezen, maar dat hij een groot gebrek aan geld had. De boodschap was duidelijk: Genthios had zijn prijs en bij de juiste hoeveelheid goud zou hij beslist overlopen.

Ondertussen hadden de Romeinen enkele halfslachtige pogingen gewaagd het terrein te heroveren dat ze in Illyrië hadden verloren. Een legaat genaamd Lucius Coelius was uit Lychnidos (het huidige Ohrid) vertrokken met een leger dat voornamelijk bestond uit troepen van de bondgenoten. De discipline binnen het leger lijkt niet al te best te zijn geweest, en de poging om Uscana te heroveren liep op een fiasco uit toen de strijdmacht van Coelius werd verrast door het Macedonische garnizoen. De enige troost voor de Senaat was dat er bij het treffen maar weinig Italianen waren gesneuveld: de meeste dodelijke slachtoffers waren Illyriërs geweest. Verder naar het zuiden gingen de zaken al niet veel beter. Een andere legaat, met de naam Appius Claudius Centho, had geprobeerd de stad Phanoteia in Epirus in te nemen. De stad was in handen van Epiroten die het vorige jaar naar Perseus waren overgelopen, dus hoogstwaarschijnlijk ging het om Molossen. Claudius had troepen geworven onder de Chaoniërs en de Thesproten, Epirotische stammen die trouw waren gebleven aan Rome. De poging van de legaat om Phanoteia te veroveren mislukte omdat de stad te goed werd verdedigd door een van Perseus’ aanvoerders, een zekere Kleuas. Claudius werd gedwongen het beleg op te geven toen hij hoorde dat Perseus zelf de stad Stratos bedreigde, die een stuk verder naar het zuiden lag. Gelukkig voor de Romeinen waren zij erin geslaagd zo’n 1.000 man aan versterkingen uit Ambrakia deze stad binnen te smokkelen, zodat op zijn beurt ook Perseus gedwongen was zich terug te trekken.

Toneel van de Derde Macedonische Oorlog (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

In de lente kwam de consul Philippus in Thessalië aan en nam hij het commando over het leger over van zijn voorganger Aulus Hostilius Mancinus. Die voegde zich daarop als legaat bij de staf van de consul. Mogelijk was dit de beloning voor de goede diensten van Mancinus. De voormalige consul had er namelijk voor gezorgd dat orde en discipline in het leger waren hersteld. Slechts negen dagen nadat hij het bevel over het leger op zich had genomen, brak Philippus – meer dan zestig jaar oud en zeer corpulent – zijn kamp op en rukte hij noordwaarts op richting de grens met Macedonië. Vorig jaar had Mancinus al ervaren hoe moeilijk het was om Macedonië binnen te vallen: het Olympusgebergte dat Macedonië van Thessalië scheidt, was een formidabel obstakel. Perseus had zijn onderbevelhebbers de opdracht gegeven om alle passen te blokkeren. Zo had hij een bijna ondoordringbare ring van verdedigingswerken gecreëerd.

Munt met het hoofd van de held Perseus (bron: Classical Numismatic Group Inc.).

En toch wist de consul een gaatje in dit bastion te vinden. Zijn soldaten vochten eerst boven op een bergkam schermutselingen uit met troepen die onder bevel stonden van ene Hippias. Toen hij hier geen doorbraak kon forceren, nam Philippus een alternatieve route waar zelfs de meest rudimentaire wegen ontbraken. De beschrijving die Livius geeft van de tocht van Philippus doet sterk denken aan de tocht van Hannibal over de Alpen. De beschrijving is wellicht wat overdreven, maar het lijdt geen twijfel dat de consul alleen met grote moeite aan de andere kant van de bergketen kon komen. Hierbij moet men in het achterhoofd houden dat Philippus in zijn leger een handjevol olifanten had, dieren die gemakkelijk in paniek raken en nu eerder een last dan een zegen waren. Toch hadden de manschappen van de consul al op de vierde dag weer lager gelegen gebied weten te bereiken. De Romeinen waren nu eindelijk in Macedonië. Ze moeten uitgeput zijn geweest van hun moeizame tocht en als Perseus energiek had gereageerd en direct de aanval had geopend, zouden ze waarschijnlijk een zware nederlaag hebben geleden. Dat gebeurde echter niet: de koning lijkt volkomen verrast te zijn geweest. Zelfs als we de door Livius opgediste verhaaltjes over hoe de koning nu schreeuwde dat alles verloren was als anti-Macedonische propaganda terzijde schuiven, dan nog kan de reactie van Perseus alleen maar als lethargisch worden omschreven.

Standbeeld van Zeus (Allard Pierson Museum, Amsterdam).

Perseus trok zich richting het noorden terug, naar Pydna, en liet de stad Dion onverdedigd achter. Bij Dion bevond zich een beroemd heiligdom van Zeus en daarom was de stad van ongekend groot religieus belang voor Macedonië. Philippus nam haar nu met gemak in en de consul kon waarschijnlijk nauwelijks geloven hoezeer het geluk hem toelachte. Toch was de situatie voor de Romeinen verre van ideaal, want ze moesten dringend bevoorraad worden. De consul had vervolgens een ontmoeting met de bevelhebber van de vloot, de praetor Gaius Marcius Figulus, die wellicht een verre verwant van hem was. Van hem hoorde hij dat de transportschepen in Magnesië waren achtergebleven, dus er moest een bevoorradingslijn over land worden opgezet. Gelukkig was dit mogelijk geworden dankzij de inspanningen van Spurius Lucretius (die in 172 BCE praetor was geweest). Hij had namelijk alle zuidelijke passen bezet. De consul besloot nu zijn leger naar Phila te verplaatsen (zie kaart), een beslissing die hem op zware kritiek zou komen te staan. Sommigen beschuldigden hem van lafheid, maar gelet op de Romeinse bevoorradingssituatie nam Philippus waarschijnlijk de juiste beslissing. Perseus was nu weer enigszins bij zijn positieven gekomen. Hij ontdekte dat de Romeinen Dion weer verlaten hadden, dus hij marcheerde zuidwaarts en nam de stad weer in. Vervolgens sloeg de koning vijf mijl ten zuiden van de stad zijn kamp op, bij de rivier de Elpeios, die hij als een natuurlijke fortificatie gebruikte.

En er was meer succes voor de Romeinen toen de voormalige consul Marcus Popilius Laenas (zie 173 BCE), die nu als krijgstribuun diende, de stad Herakleion ten noorden van Phila veroverde. Zijn manschappen gebruikten een spectaculaire tactiek die was gebaseerd op de testudo-formatie en de spelen in het Circus Maximus om de muren van de stad in te nemen.[1] Daarna sloeg de consul zijn winterkamp op in de buurt van Herakleion, waar hij zich volledig wijdde aan het verbeteren van zijn bevoorradingssituatie. De Romeinen hadden nu een stevige voet aan de grond in Macedonië.

Vlootacties en trouw van de bondgenoten

Gaius Marcius Figulus voer met zijn vloot noordwaarts, richting de kust van Macedonië en het schiereiland Chalkidike. De praetor liet bij Thessalonike troepen aan land gaan en voer vervolgens naar Aineia, Antigoneia en Kassandreia. Hoewel zijn troepen waar ze maar konden grote verwoestingen aanrichtten, leverden de vlootacties door de bank genomen maar weinig succes op. De Romeinen werden geregeld teruggedreven en leden bij Kassandreia zelfs gevoelige verliezen. Die stad werd fel verdedigd door Agrianes en Illyrische Penestae in dienst van Perseus. Het laatste doelwit van de operatie was Torone, maar de Romeinen realiseerden zich al snel dat dit te goed verdedigd werd om aan te kunnen vallen. De vloot keerde daarom terug naar Demetrias, waar de Romeinen tot hun verbijstering moesten vaststellen dat de stad was versterkt door een van Perseus’ bevelhebbers en daardoor in feite onneembaar was geworden.

Koning Eumenes II van Pergamum (foto: Sailko; CC BY 3.0 license).

Tijdens de vlootoperaties hadden Koning Prusias van Bithynië en Koning Eumenes van Pergamum de Romeinen gesteund met schepen. Nu deed echter een gerucht de ronde dat een vriend van Eumenes over vriendschap had gesproken met een generaal van Perseus, en wel de bevelhebber van het garnizoen van Demetrias. De Romeinen begonnen hierdoor te twijfelen aan de loyaliteit van de man die al lange tijd hun bondgenoot was. Op den duur zouden ze steeds meer de voorkeur gaan geven aan diens broer Attalos. Ook over de trouw van hun Rhodische bondgenoten hadden ze de nodige twijfels, en dat kwam door een groeiende anti-Romeinse partij op het eiland.

Tegenover dit alles stond dat de Achaeïsche Bond nog altijd rotsvast achter de Romeinen stond. Dat beweert althans Polybius, die natuurlijk niet bepaald een onpartijdige waarnemer was. Tijdens een Bondsvergadering in maart was al besloten om het leger van de Bond te mobiliseren en dit naar de Romeinen in Thessalië te sturen. Het lijkt echter niet erg aannemelijk dat de Achaeërs hun hele strijdmacht onder de wapens riepen, en toen het leger eindelijk marsklaar was, waren de Romeinen al Macedonië binnengedrongen. Polybius, nog altijd actief als hipparchon, werd als afgevaardigde van de Bond naar de consul gestuurd. In zijn verslag kunnen we tussen de regels door lezen dat de consul de Achaeïsche inspanningen veel te gering en ook veel te laat vond. Hij liet de Achaeërs weten dat hun diensten niet langer nodig waren, maar toen zijn collega Appius Claudius Centho (zie hierboven) om 5.000 Achaeïsche soldaten vroeg voor operaties in Epirus, weigerde de consul simpelweg de manschappen te sturen. Deze weigering kan worden gezien als bewijs voor de sterke rivaliteit tussen Romeinse bevelhebbers.

Binnenlandse zaken

Dit jaar werden er weer verkiezingen gehouden voor de censors. Gekozen werden Gaius Claudius Pulcher en Tiberius Sempronius Gracchus. De twee mannen hadden in 177 BCE gezamenlijk als consuls gediend, en de populariteit van Gracchus was immens. Met zijn succesvolle veldtochten in Spanje (zie 179 BCE) had hij roem vergaard en een triomftocht verdiend, waarna nog een tweede triomftocht volgde voor zijn overwinningen op Sardinië (zie 176-175 BCE). Gracchus behoorde daarmee tot de meest invloedrijke staatslieden van dat moment. De twee censors bevestigden Marcus Aemilius Lepidus als de princeps senatus. Zeven senatoren werden van de rol geschrapt, overigens zonder dat dit tot al te veel protest leidde. De censors maakten echter veel vijanden bij de leden van de ordo equester, de ridderstand of equites. Veel van de equites werd hun staatspaard (equus publicus) ontnomen, maar wat pas echt weerzin opwekte, was het edict dat Pulcher en Gracchus uitvaardigden over het aanbesteden van contracten voor publieke werken en het innen van belastingen. Op grond hiervan werden equites die tijdens de vorige censuur (in 174 BCE) contracten toegekend hadden gekregen uitgesloten bij de veiling van de nieuwe contracten. Het edict was waarschijnlijk bedoeld om de mededinging te bevorderen en monopolies van groepen publicani te voorkomen.

De Tempel van Jupiter Optimus Maximus op de Capitolijn (Capitolijnse Musea, Rome).

De publicani die nu werden buitengesloten richtten zich met hun klachten eerst tot de Senaat, maar de senatoren weigerden de censors terug te fluiten, wat wellicht een indicatie is dat Pulcher en Gracchus de steun van de Romeinse politieke elite hadden. Vervolgens wendden de equites zich tot een volkstribuun genaamd Publius Rutilius. Deze koesterde een persoonlijke wrok tegen de censors vanwege de manier waarop die een cliënt van hem hadden bejegend. De volkstribuun diende een wetsvoorstel in dat bepaalde dat alle contracten die door de huidige censors waren verstrekt ongeldig waren. De aanbesteding van deze contracten moest overgedaan worden en aan de nieuwe aanbesteding mocht iedere Romeinse burger deelnemen. Toen het wetsvoorstel in de volksvergadering werd besproken, liep de zaak al snel uit de hand. Het volk luisterde in stilte naar Gracchus, maar de veel minder populaire Pulcher werd uitgejouwd. Toen Pulcher daarop aan een heraut vroeg hem het woord te verlenen, vatte Rutilius dat op als een poging hem het voorzitterschap van de vergadering te ontnemen. Boos verliet hij de Capitolijn, de plek waar het volk was samengekomen.

De volgende dag escaleerde de boel pas echt. Rutilius beschuldigde beide censors van verraad[2] en sleepte hen voor de comitia centuriata, de vergadering van de centuriën die eerder de censors ook had gekozen. Pulcher zou daar zeker zijn veroordeeld als Gracchus hem niet onder gebruikmaking van zijn enorme populariteit te hulp was geschoten. Hij deed namelijk de plechtige belofte dat als het volk zijn collega zou veroordelen, hij zich bij hem zou voegen en in vrijwillige ballingschap zou gaan. Dit maakte grote indruk op de centuriën die nog moesten stemmen, en hoewel uiteindelijk 89 van de 193 centuriae Pulcher schuldig verklaarden (slechts acht minder dan vereist voor een meerderheid), werd de censor uiteindelijk vrijgesproken. Rutilius besloot toen de zaak tegen Gracchus te laten vallen. Hij realiseerde zich dat het onmogelijk zou zijn om die veroordeeld te krijgen.

Restanten van de Basilica Julia.

De censors zouden later wraak nemen op de volkstribuun. Nadat zijn ambtstermijn was verstreken (op 10 december van de Romeinse kalender) en als gevolg daarvan zijn onschendbaarheid was opgeheven, namen ze hem zijn staatspaard af en degradeerden hem naar de obscure klasse van de aerarii. Gracchus liet vervolgens de Basilica Sempronia op het Forum Romanum bouwen, een basilica die Caesar later zou vervangen door zijn Basilica Julia. Het gebouw stond tussen de Tempel van Saturnus en de Tempel van Castor en Pollux. Om de bouw mogelijk te maken had Gracchus verschillende gebouwen opgekocht, bijvoorbeeld het huis van zijn overleden schoonvader Scipio Africanus, dat achter de zogenaamde Tabernae Veteres of ‘oude winkels’ stond.

Een andere belangrijke gebeurtenis dit jaar was de aanvaarding door de volksvergadering van de Lex Voconia. Het voorstel voor de wet kwam van de volkstribuun Quintus Voconius Saxa. De wet verbod Romeinse burgers van de hoogste vermogensklasse om vrouwen tot erfgenaam te benoemen. Legaten waren nog wel toegestaan, maar deze mochten niet groter zijn dan de erfenis van een gewone erfgenaam. Het is niet helemaal duidelijk welk doel de wet beoogde te dienen, maar er lijkt sprake te zijn geweest van een weeldewet die al te veel rijkdom en extravagantie onder vrouwen wilden voorkomen. Cato de Oudere was een warm voorstander van de wet, dus deze werd zeker ingegeven door sociaal conservatisme. Een volgende reeks voorstellen voor weeldewetten was afkomstig van de censor Pulcher: zijn Leges Claudianae in cenis verboden het opdienen van lekkernijen als slaapmuizen tijdens banketten.[3]

De Zesde Syrische Oorlog

Antiochos IV Epiphanes (bron: Classical Numismatic Group, Inc.).

Het vorige jaar had Koning Ptolemaios VI Philometor een dwaasheid begaan door zijn buurman, het Seleucidenrijk van Koning Antiochos IV, aan te vallen. Het gebied dat bekendstond als Koile-Syrië was weer eens de twistappel geweest. Ptolemaios moet al snel spijt hebben gekregen van zijn beslissing om oorlog te gaan voeren, want zijn leger werd door dat van de Seleuciden in de pan gehakt. Antiochos nam vervolgens de strategisch gelegen stad Pelousion in, waarna hij richting het zuiden oprukte en Memphis bezette. Zo rond deze tijd was Ptolemaios niet langer de enige koning van Egypte, want zijn jongere broer Ptolemaios VIII[4] was als medeheerser aangesteld. Diens officiële epitheton was kennelijk Euergetes (‘weldoener’), maar bij latere generaties was hij vooral bekend als Physcon (‘de dikke’).

Na zijn nederlaag had Ptolemaios VI eerst geprobeerd naar Samothrake te vluchten, maar toen Antiochos naar Alexandrië oprukte, hadden de twee koningen een deal gesloten, waarschijnlijk in april. Ptolemaios mocht de troon van Egypte behouden, maar de facto werd hij een marionet van Antiochos. Memphis werd de officiële regeringszetel. De deal werd echter verworpen door de Alexandrijnen. Zij stelden een eigen regering in, die werd geleid door de broer van de koning, de eerdergenoemde Physcon, en hun beider zuster Cleopatra II. Antiochos viel daarop Alexandrië aan, maar gaf in de herfst het beleg weer op. Het is niet helemaal duidelijk waarom hij dat deed. Misschien was hij simpelweg niet voorbereid op een langdurig beleg, maar een andere mogelijkheid is dat hij een Romeinse interventie vreesde. In elk geval verspeelde Antiochos met de terugtrekking een kans om wat er nog over was van het Ptolemaeïsche Rijk te vernietigen.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, In the Name of Rome, p. 89-90.

Noten

[1] Zie Livius 44.9: “Na het uitvoeren van enkele andere manoeuvres vormden ze een carré en hielden de schilden dicht aaneengesloten boven hun hoofden, de eersten staande, de volgende enigszins gebukt, de derde en vierde nog meer, de laatsten zelfs steunend op een knie. Zo vormden ze een schilddak dat schuin opliep zoals daken van huizen. Van ongeveer vijftig voet afstand stormden twee gewapende mannen naar voren. Ze bedreigden elkaar, liepen over de aaneengesloten schilden naar boven, renden al vechtend over de uiterste rand van het schilddak of vochten in het midden, en sprongen niet anders rond dan op vaste grond. Een dergelijk schilddak werd naar het laagste deel van de muur gebracht. Toen gewapende mannen ertegenop waren gelopen, stonden ze op de top even hoog als de verdedigers van de muur. Ze dreven die eraf en de soldaten van twee manipels daalden af in de stad. Het verschil was nu alleen dat de buitenste mannen aan de voorkant en de zijden de schilden niet boven hun hoofd hielden om hun lichaam niet bloot te geven, maar vóór zich, zoals in een gevecht. Daardoor konden de wapens die vanaf de muren werden geworpen de mannen niet verwonden en als ze naar het schilddak werden geschoten gleden ze zonder schade toe te brengen naar de grond, zoals regen van een glad dak.” (vertaling: Hedwig van Rooijen-Dijkman)

[2] Livius 43.16 spreekt van perduellio, maar het is niet erg aannemelijk dat het om een klassiek geval van perduellio ging. Zie deze bijdrage.

[3] De wet wordt alleen genoemd bij Plinius (Natural History 36.4).

[4] Mogelijk heeft er een Ptolemaios VII bestaan, een zoon van Ptolemaios VI. Daarbij moet worden aangetekend dat het toekennen van nummers aan Egyptische koningen een modern gebruik is.

One Comment:

  1. Pingback:Aquileia: Overblijfselen van een Romeinse stad – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.