De Derde Punische Oorlog: Het Jaar 149 BCE

Baal Hammon.

Samenvatting

  • Utica geeft zich over aan Rome;
  • Ook Carthago geeft zich over; de stad moet de Romeinen 300 gijzelaars geven en alle instructies van de consuls opvolgen;
  • De consuls Lucius Marcius Censorinus en Manius Manilius landen in Afrika en bevelen de Carthagers al hun wapens en geschut over te dragen;
  • Censorinus beveelt de Carthagers hun stad te verlaten en te verhuizen naar een plek die tenminste vijftien kilometer van de zee verwijderd is;
  • De Carthagers besluiten dit bevel naast zich neer te leggen en hun stad te verdedigen;
  • Alle Romeinse aanvallen op Carthago mislukken uiteindelijk, maar het optreden van Scipio Aemilianus is voortreffelijk;
  • De aanval van de consul Manilius op de troepen van Hasdrubal de Boetharch loopt op een fiasco uit;
  • Een usurpator genaamd Andriskos grijpt de macht in Macedonië en start daarmee de Vierde Macedonische Oorlog;
  • De Lex Calpurnia de repetundis stelt een permanente rechtbank in die gevallen van afpersing door provinciegouverneurs moet beoordelen;
  • De voormalige praetor Servius Sulpicius Galba wordt vervolgd voor zijn massamoord op de Lusitaniërs, maar uiteindelijk wordt de aanklacht ingetrokken;
  • Dood van Cato de Censor.

Dit jaar begon de Derde Punische Oorlog, en die begon voor Rome direct met een mooi voordeel. Utica was een belangrijke stad in Afrika. Net als Carthago was ze een Fenicische kolonie, maar de stad was zelfs nog ouder. Het lijkt erop dat haar relatie met haar jongere buurvrouw, die zo’n 40 kilometer verder naar het zuidoosten lag, altijd enigszins problematisch is geweest. Zelfs nog voordat ook maar één Romeinse soldaat voet op Afrikaanse bodem had gezet besloot Utica zich aan Rome over te geven. Waarschijnlijk gebeurde dit kort nadat de tweede Carthaagse delegatie uit Italië was teruggekeerd en het duidelijk was dat de oorlog niet meer vermeden kon worden. Dankzij het overlopen van Utica beschikten de Romeinen over een uitstekende basis van waaruit ze militaire operaties konden ondernemen. De Senaat en het volk van Rome gingen nu over tot het formaliseren van de beslissing om oorlog te voeren. De comitia centuriata gaf haar goedkeuring en de Senaat droeg de beide consuls, Lucius Marcius Censorinus[1] en Manius Manilius, op om de leiding over het Romeinse leger op zich te nemen en de eindzege op de aartsvijand van Rome te behalen. Eerstgenoemde kreeg het bevel over de vloot, laatstgenoemde over het leger.

Een Derde Punische Oorlog nog vermijdbaar?

Appianus beweert dat de Romeinen een leger van 80.000 infanteristen en 4.000 ruiters op de been hadden gebracht. Veel jongemannen hadden zich vrijwillig voor militaire dienst gemeld, in de hoop dat ze rijke buit en eeuwige roem zouden vergaren. Waar de genoemde aantallen cavaleristen heel goed juist kunnen zijn, lijken de aantallen infanteristen overdreven hoog. Als er twee consulaire legers naar Afrika werden gestuurd, dan zal het eerder om 40-50.000 infanteristen zijn gegaan. Het is echter mogelijk dat Appianus ook de bemanningen van de 50 quinqueremen meetelde, en die van de andere schepen die werden gebruikt om het Romeinse leger naar Afrika over te zetten.[2] Mogelijk rekende hij tevens de knechten en kampvolgers mee. In elk geval staat vast dat het om een enorm Romeins leger ging. De Romeinen beschikten over veel meer manschappen dan de Carthagers in de stad en in hun veldleger. Het Romeinse leger was echter tevens erg groen. De mannen waren enthousiast, maar bij tijd en wijle was de discipline slecht. En het waren niet alleen de gewone soldaten die onervaren waren. De ervaring op het slagveld van de consul Manilius bestond uit een nederlaag in Spanje in 155 BCE, en welke militaire ervaring Censorinus had, is volslagen onbekend.

Carthaagse hanger.

Terwijl de Romeinse armada naar Afrika voer, stuurden de wanhopige Carthagers een derde diplomatieke delegatie naar Rome Toe. Ze hadden besloten dat hun enige optie was om het voorbeeld van Utica te volgen en eveneens een onvoorwaardelijke overgave (deditio) aan te bieden. Toen de gezanten in Rome aankwamen, kregen ze te horen dat de consuls al vertrokken waren. Niettemin besloot de Senaat de deditio te aanvaarden. Aan de gezanten werd medegedeeld dat de Carthagers in vrijheid en volgens hun eigen wetten mochten leven, gesteld dat ze onmiddellijk 300 gijzelaars uit de belangrijkste adellijke families in de stad uitleverden en deze naar Lilybaeum op Sicilië overbrachten. Ook moesten ze voetstoots alle opdrachten uitvoeren die de twee consuls, die zich nu eveneens in Lilybaeum bevonden, hun zouden geven. Even zag het eruit alsof de oorlog nog voorkomen kon worden.

Toen de gezanten terugkeerden in Carthago, werden ze door de bevolking begroet. Het algemene gevoelen was dat ze hun werk goed gedaan hadden. Wel waren mensen bezorgd dat de stad Carthago zelf niet genoemd was in het Senaatsbesluit. Zou dit kunnen betekenen dat de Carthagers ergens anders moesten gaan leven onder hun eigen wetten? Zouden de consuls hen echt dwingen hun oeroude stad, volgens de overlevering gesticht in 814 BCE, op te geven? Toch besloten de Carthagers iedere opdracht van de Romeinse magistraten te gehoorzamen en de opgeëiste gijzelaars naar Sicilië te sturen. Het was waarschijnlijk mei toen ze daar werden opgewacht door de praetor Quintus Fabius Maximus Aemilianus, die ze doorstuurde naar Ostia. De gijzelaars, van wie sommige nog erg jong waren, werden vastgezet in een omgebouwd dok dat speciaal was gemaakt om het voormalige Macedonische vlaggenschip in op te bergen, een enorme ‘zestien’ die van Koning Perseus was afgenomen (zie 167 BCE; het schip was van diens vader Koning Philippos V geweest).

Hier had het conflict kunnen eindigen, maar de consuls voeren toch van Sicilië naar Afrika, ogenschijnlijk om de Carthagers verdere instructies te geven. Ze landden bij Utica en sloegen hun kamp op bij Castra Cornelia, het oude kamp van Scipio Africanus op de smalle landtong ten oosten van de stad (zie 204 BCE). De Carthagers stuurden een volgende delegatie naar het kamp om te weten te komen wat de Romeinen van hen verwachtten. Censorinus en Manilius besloten om de gezanten “een angstaanjagend vertoon van de macht van Rome”[3] te geven. De consuls lieten een podium oprichten, waarop ze zelf plaatsnamen, geflankeerd door hun legaten en krijgstribunen. Het voltallige Romeinse leger werd rondom het podium opgesteld, met gepoetste wapens en standaarden die glommen in de zon. Censorinus, die als eerste was gekozen door de comitia centuriata, was ouder en een betere redenaar dan zijn collega. Hij richtte zich tot de gezanten en droeg de Carthagers op al hun wapens en geschut over te dragen.

Punisch borstkuras, gemaakt van brons (Bardo Museum).

De gezanten antwoordden dat ze bereid waren te toen wat er gevraagd werd, maar dat ze bezorgd waren over de activiteiten van Hasdrubal de Boetharch. Nadat deze het vorige jaar ter dood was veroordeeld vanwege zijn nederlaag tegen Masinissa, had hij een nieuw leger van zo’n 20.000 man verzameld waarmee hij gemakkelijk Carthago kon bedreigen als de stad al haar wapens en uitrustingen zou afstaan. Toen Censorinus beloofde dat de Romeinen met Hasdrubal zouden afrekenen, besloten de Carthagers aan de eis gehoor te geven. Duizenden slag- en steekwapens, pantsers en stukken geschut werden bij de Romeinen ingeleverd, al overdreven deze ongetwijfeld de hoeveelheden om de stad die ze zouden gaan verwoesten veel gevaarlijker voor te stellen dan Carthago daadwerkelijk was. Want dat was precies wat de Romeinen nog altijd van plan waren: Carthago moest verwoest worden, en aan dat voornemen hadden de Carthaagse beslissingen om gijzelaars te leveren en wapens en uitrustingen over te dragen niets veranderd. Wat interessant is, is dat Appianus beweert dat een van de Romeinse officieren die de wapenvoorraden in ontvangst moesten nemen een zekere “Cornelius Scipio Nasica” was. Het lijkt aannemelijk dat dit Publius Cornelius Scipio Nasica Serapio was, wiens vader zich een consistent en fervent tegenstander van een oorlog tegen Carthago had betoond (zie 153 BCE).

Nu was het tijd voor Censorinus om de gezanten de laatste Romeinse eis mede te delen: de Carthagers moesten hun stad verlaten zodat de Romeinen die met de grond gelijk konden maken. Vervolgens konden ze verhuizen naar een nieuwe plek op hun grondgebied en daar een nieuwe stad stichten, onder de voorwaarde dat die minstens vijftien kilometer van de zee zou liggen. Uiteraard lieten de gezanten protesten horen. Ze vroegen om toestemming om een nieuwe delegatie naar de Senaat in Rome te sturen, maar hun verzoek werd afgewezen en ze werden door de lictoren uit het kamp gezet. De gezanten brachten daarop verslag uit aan de gerousia, waarschijnlijk de Raad van Dertig Ouderen, de Carthaagse Senaat. Het nieuws over de Romeinse eisen zorgde voor grote onrust in de stad. Sommige van de Ouderen en de gezanten werden door het volk gemolesteerd, en Italianen die in Carthago verbleven werden door meutes aangevallen.

Kaart van Afrika (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Maar al snel waren de Carthagers weer bij hun positieven. Het volk schoof interne conflicten terzijde en verenigde zich om de eigen stad te verdedigen. Slaven werden vrijgelaten om voor Carthago te vechten en Hasdrubal de Boetharch kreeg gratie. Zijn leger buiten de stad was inmiddels aangezwollen tot 30.000 manschappen. Een andere Hasdrubal, die toevallig een kleinzoon van Masinissa was, werd benoemd tot commandant in de stad zelf. Toen de Romeinen weigerden in te stemmen met een wapenstilstand van dertig dagen om een nieuwe diplomatieke delegatie naar Rome te kunnen sturen, veranderden de Carthagers hun stad in één grote oorlogsfabriek. Er werden zwaarden, speren, schilden, borstkurassen en verschillende projectielen voor de artillerie geproduceerd en de vrouwen schonken hun haar om torsietouwen voor de stukken geschut te maken. De Carthagers zouden verenigd strijden, en verenigd zouden ze ten onder gaan.

Openingsstadium van de Derde Punische Oorlog

De consuls hadden tot nu toe alleen maar geprobeerd de Carthagers te intimideren door 20 quinqueremen langs hun stad te laten varen. Tot andere militaire acties was het nog niet gekomen. Waarschijnlijk hadden ze meer tijd nodig om hun onervaren leger tot een effectieve strijdmacht om te vormen. Daarnaast was hun bevoorradingssituatie verre van ideaal. Omdat Hasdrubal de Boetharch het grootste gedeelte van het platteland beheerste, moesten hun voorraden vanuit kuststeden als Hadrumetum, Leptis Parva, Thapsus, Utica en Acholla over zee naar het Romeinse kamp gebracht worden. Toen ze min of meer geregeld hadden wat geregeld moest worden, verlieten de consuls Castra Cornelia en rukten ze op naar de smalle landengte waarop Carthago lag. Ze waren klaar voor een aanval op de stad.

Die stad was nog altijd een formidabel obstakel, beschermd door zo’n 30 kilometer aan stadsmuren. Aan de kant van de zee was er slechts een enkele muur, maar aan de landzijde, direct tegenover de Romeinen, genoot de stad bescherming van een drievoudige muur. Carthago’s trots was altijd haar haven geweest (cothon in Griekse bronnen). Het eerste gedeelte van die haven was rechthoekig en bedoeld voor koopvaardijschepen. Het tweede gedeelte lag direct achter het eerste: de beroemde ronde oorlogshaven van Carthago, met plaats voor 170-220 oorlogsschepen[4] en een eiland in het midden met daarop de vertrekken van de admiraal. Uiteraard maakte de havenmond een opening in de buitenmuren van de stad noodzakelijk, maar de cothon zelf werd goed beschermd door binnenmuren en steile kades. Het Romeinse leger zou nog een hele kluif aan Carthago hebben.

Kaart van Carthago.

Manilius viel de stad vanaf de landengte aan terwijl Censorinus vanaf zee op de stadsmuren afging. Tweemaal werd de Romeinse aanval na felle gevechten afgeslagen. De consuls waren bang voor een aanval van Hasdrubal de Boetharch en zijn leger en besloten daarom om twee versterkte kampen op de landengte op te slaan. Het kamp van Censorinus lag direct aan het Meer van Tunis. Toen zijn manschappen het meer overstaken om hout voor de bouw van belegeringswerktuigen te halen, werden ze plotseling aangevallen door de talentvolle Carthaagse ruitercommandant Himilco Phameas, die erin slaagde zo’n 500 van de houthakkers neer te sabelen. Ondanks deze tegenslag wisten de Romeinen een aantal stormrammen en ladders in elkaar te zetten, maar hun nieuwe aanval op de stad liep op niets uit.

Vervolgens bracht Censorinus twee gigantische stormrammen in stelling. De eerste werd bemand door soldaten, de andere door zeelieden. De consul moedigde de rivaliteit tussen het leger en de vloot aan en dirigeerde de twee rammen richting de muren. Hoewel de Romeinen een bres in een stuk muur wisten te slaan, dreven de Carthagers de aanvallers terug en probeerden ze de schade te herstellen. Daarna toonden ze ongelooflijke moed door tijdens de nacht een uitval te wagen. Ze slaagden erin de stormrammen voorlopig uit te schakelen, al konden ze de belegeringswerktuigen niet vernietigen. Toen het weer ochtend werd, bemerkten de Romeinen dat de bres niet helemaal hersteld was en dat ze nog steeds door het gat de stad binnen konden dringen. Een deel van de verdedigers was slechts bewapend met stenen en knotsen. Vol minachting voor hun tegenstanders stormden de Romeinse aanvalseenheden de stad binnen. Alleen Scipio Aemilianus, die toen als krijgstribuun diende, hield zijn manschappen in toom. Dat was maar goed ook, want de andere aanvalseenheden werden al snel door de verdedigers overweldigd en teruggedreven. Dankzij Scipio’s manschappen konden de meeste van hen de stad ongedeerd weer verlaten.

Voortzetting van de Derde Punische Oorlog

Het was nu eind juli en de Romeinen hadden nog helemaal niets bereikt. Daar kwam bij dat er in het kamp van Censorinus een ziekte uitbrak. De consul besloot het kamp daarom te verplaatsen naar de Taenia, de landtong ten zuiden van de stad tussen het Meer van Tunis en de zee. De Carthagers zagen hoe de Romeinen het meer overstaken en ze vielen de Romeinse schepen aan met primitieve branders, waarbij ze flinke schade aanrichtten. De genoemde oversteek was de laatste handeling die Censorinus in Afrika verrichtte. Hij keerde kort daarna naar Rome terug om de volgende verkiezingen voor de consuls te leiden, met als gevolg dat het commando over alle strijdkrachten nu aan Manilius toeviel. Hoewel Polybius en Appianus diens incompetentie waarschijnlijk nogal overdreven, presteerde hij zeker niet goed. Zo zorgde een Carthaagse nachtaanval op het Romeinse kamp voor grote verwarring, waarbij de rust alleen hersteld kon worden nadat Scipio Aemilianus door de achterpoort naar buiten was gegaloppeerd en met een troep ruiters de aanvallers op de vlucht had gedreven.

De nachtaanval dwong Manilius om zijn kamp te versterken en om de plek waar zijn bevoorradingsschepen aanlegden te beschermen met een fort. Daarna zonderde de consul 10.000 infanteristen en alle ruiters af, en stuurde die op pad om het platteland te verwoesten. Deze veldtocht was vooral bedoeld om op grote schaal te foerageren, maar de discipline onder de Romeinen was nog steeds slecht. Vaak verspreidden ze zich over een veel te groot terrein, waarop ze werden aangevallen door Himilco Phameas en diens snelle, wendbare ruiters. Alleen Scipio zou zijn foerageurs voldoende hebben beschermd met zijn infanteristen en ruiterij. Al met al was de veldtocht op het platteland bepaald geen succes.

Helm van een centurion.

Het jaar was nu bijna voorbij. Na een volgende nachtaanval op het Romeinse kamp besloot Manilius om de confrontatie te zoeken met het Carthaagse veldleger onder Hasdrubal de Boetharch, dat bij Nepheris gelegerd was. Het terrein was hier rotsachtig en moeilijk begaanbaar. Om bij het vijandelijke leger te komen moesten de Romeinen een rivier met steile oevers oversteken. Manilius besloot het erop te wagen en na felle gevechten slaagde hij erin Hasdrubals troepen terug te dringen. De Romeinen meenden dat ze de strijd al gewonnen hadden; ze keerden terug naar de rivier en probeerden die weer over te steken. Aangezien de stroom maar op enkele plekken doorwaadbaar was, moest ze hun gelederen verbreken, waardoor Hasdrubal de kans kreeg om een zware tegenaanval in te zetten. De Carthaagse generaal en zijn troepen stormden op de hulpeloze Romeinen af en doodden velen van hen, onder wie drie krijgstribunen. Wederom zou Scipio degene zijn geweest die wist te redden wat er te redden viel. Met 300 ruiters viel hij de Carthagers aan en bestookte ze met werpspiesen. Hierdoor kreeg de Romeinse infanterie een kans om de rivier over te steken.

Vervolgens werd echter ontdekt dat vier manipels infanterie nog altijd vastzaten aan de andere kant van het water. Toen Hasdrubal aanviel, hadden ze zich teruggetrokken op een heuvel, waar ze nu door de Carthagers omsingeld waren. Hoewel enkele van de hogere officieren deze manschappen aan hun lot wilden overlaten, tekende Scipio daar protest tegen aan (en met hem waarschijnlijk nog flink wat anderen). Uiteindelijk kreeg Scipio het bevel over enkele turmae ruiters en rantsoenen voor twee dagen. Hij stak de rivier over, en hoewel de vijand veel talrijker was, slaagde hij erin de omsingelde soldaten uit hun benarde positie te redden. De redding van deze manschappen zorgde voor grote vreugde, maar dat nam niet weg dat de expeditie zelf rampzalig was verlopen. Terwijl de Romeinen terugmarcheerden naar hun kamp op de landengte werden ze wederom aangevallen door Himilco. En om het allemaal nóg erger te maken, lanceerden de burgers van Carthago vanuit de stad een nieuwe aanval op het kamp, waarbij enkele knechten om het leven kwamen. Het eerste jaar van de Derde Punische Oorlog was voor de Romeinen een regelrechte catastrofe.

Macedonië

Munt van Andriskos als Philippos VI (bron: Classical Numismatic Group Inc., CC BY-SA 2.5 license).

Het Koninkrijk Macedonië was na de Derde Macedonische Oorlog in vier aparte republiekjes opgesplitst (zie 167 BCE). In feite waren dat Romeinse cliëntstaten. De Romeinen hadden de belastingen verlaagd, maar dat betekende niet dat ze populair waren bij de bevolking. Dit jaar greep een bekende herrieschopper de macht in Macedonië en begon er onder de naam Koning Philippos VI aan zijn regering. Zijn echte naam was Andriskos en zijn achtergrond is nogal obscuur. Vermoedelijk was hij van lage komaf en afkomstig uit Adramyttion in Aeolis, Klein-Azië. De satiricus Lucianus van Samosata, die in de tweede eeuw CE leefde, noemde hem een voller. Dom was deze Andriskos echter zeker niet. Het lijkt erop dat hij een goed acteur was en mensen ervan kon overtuigen dat hij in werkelijkheid Philippos was, de zoon[5] van wijlen Koning Perseus, die door de Romeinen was afgezet. De Romeinse geschiedschrijver Florus, die Andriskos “een man van het laagste allooi” noemde en niet zeker wist of hij “een vrijgelatene of een slaaf” was, schreef dat de man zelfs sterk op Philippos leek. De échte Philippos was natuurlijk in de jaren 160 in Alba Fucens, Italië, overleden, en dat is de reden dat Andriskos in veel bronnen de Pseudo-Philippos wordt genoemd.

In de late jaren 150 reisde Andriskos naar het hof van de toenmalige koning van het Seleucidenrijk, Demetrios I Soter. Demetrios vertrouwde de man voor geen cent en stuurde hem door naar Rome. De Romeinen zetten hem vast, maar de sluwe Andriskos wist te ontsnappen. Diodorus Siculus beweert dat hij naar Miletos in Klein-Azië voer, waar hij de rol van rechtmatige koning van Macedonië bleef spelen. Hoewel de autoriteiten hem aanvankelijk in de gevangenis gooiden, lieten ze hem later weer vrij omdat ze meenden dat zijn toneelstukje geen kwaad kon. Andriskos slaagde er daarna zelfs in om vriendschap aan te knopen met de vrouw van Athenaios, de broer van Koning Attalos II van Pergamum. De toekomst van Andriskos lag echter niet in Klein-Azië. Hij stak over naar Thracië en voegde zich bij een Thracisch stamhoofd genaamd Teres, die over de stam van de Odrysiërs heerste. Deze Teres was mogelijk een zoon van Cotys, de leider die een bondgenoot van Koning Perseus was geweest. Dat zou goed verklaren waarom Andriskos zo hartelijk ontvangen werd in Thracië.

Korinthische helm (Allard Pierson Museum, Amsterdam).

Verschillende Thracische stammen stelden aan de Pseudo-Philippos troepen ter beschikking en al snel had die een leger verzameld waarmee hij Macedonië kon bedreigen. Het antwoord van de vier republiekjes was dat zij hun milities onder de wapenen riepen, maar hun onervaren troepen werden snel verslagen in een veldslag die werd uitgevochten in het gebied van de Odomanti, een Thracische stam die aan de overzijde van de rivier de Strymon leefde. Na zijn zege stak Andriskos de rivier over en één voor één vielen de vier republiekjes in zijn handen. Daarop riep Andriskos zich officieel tot Koning Philippos VI uit en liet hij munten slaan met daarop zijn naam (en uiteraard zonder nummer, dat is een modern gebruik). Over het algemeen lijkt de Macedonische bevolking zijn gezag te hebben aanvaard. Een nogal naïeve Polybius geloofde oprecht dat de Macedoniërs geen reden tot klagen hadden over de Romeinen, die hun immers vrijheid hadden geschonken door de eeuwenoude monarchie af te schaffen en de belastingen te verlagen. Onze geschiedschrijver beweerde tevens dat Andriskos een wrede man was, die zich schuldig maakte aan het verbannen, martelen en vermoorden van mensen.

Het lijkt erop dat de waarheid iets gecompliceerder was. Veel jongemannen waren bereid voor Andriskos te vechten. Deze begon nu Thessalië te bedreigen, een streek die van oudsher onder Macedonische heerschappij had gestaan. De Romeinen konden nu niet langer stilzitten en besloten een praetor met een leger naar de regio te sturen. Deze praetor was Publius Juventius Thalna, waarschijnlijk een familielid van de praetor die in 167 BCE de oorlog wilde verklaren aan Rhodos. Thalna zou de dag vervloeken dat hij naar Macedonië werd gestuurd.

Rome

Een belangrijke staatsrechtelijke ontwikkeling dit jaar was de Lex Calpurnia de repetundis.[6] Deze wet was voorgesteld door de volkstribuun Lucius Calpurnius Piso Frugi. Ze stelde een permanente rechtbank in Rome in – een quaestio perpetua de repetundis – waar de niet-Romeinse inwoners van de provincies zaken konden aanspannen tegen provinciegouverneurs en voormalige gouverneurs wegens wanbestuur en afpersing; repetundae betekent zoiets als ‘terugkrijgen van afgeperst geld’, en dit was oorspronkelijk ook de staf als de beschuldigde veroordeeld werd. De rechtbank had een praetor als voorzitter en de beslissingen werden genomen door juryleden die – toen in elk geval – afkomstig waren uit de senatorenstand. Dit betekende dat leden van de senatorenstand – bijna alle provinciegouverneurs waren senatoren – door hun gelijken werden berecht. Hoewel er al eerder provinciegouverneurs waren vervolgd wegens wanbestuur (zie 171 BCE), ging het daar om zaken die waren behandeld door speciale ad hoc-rechtbanken. De quaestio perpetua de repetundis was juist, zoals de naam al suggereert, een permanente rechtbank. De samenstelling van de jury’s zou later tot fel debat leiden. De uitsluiting van de equites en leden van de andere klassen werd toen ter discussie gesteld.

Gezicht op het Forum Romanum.

Piso’s collega Lucius Scribonius Libo probeerde de voormalige praetor Servius Sulpicius Galba veroordeeld te krijgen vanwege diens massamoord op de Lusitaniërs het vorige jaar. Aangezien er geen speciale rechtbank voor etnocide was, werd de zaak behandeld door de volksvergadering, mogelijk na een debat in de Senaat. Cato de Censor, nu omstreeks 85 jaar oud, stond vierkant achter de aanklacht. Quintus Fulvius Flaccus, een voormalige consul die berucht was vanwege een mislukte veldtocht in Spanje in 153 BCE, steunde juist de beklaagde. Galba was een getalenteerd redenaar, maar al snel werd duidelijk dat het hem niet zou lukken zich uit de problemen te praten. Zijn bewering dat hij uit zelfverdediging had gehandeld was ronduit ongeloofwaardig. Toen hij op het punt stond veroordeeld te worden, liet hij zijn kinderen komen en huilde hij bittere tranen. Een van deze kinderen was de jonge zoon van Gaius Sulpicius Gallus (de consul van 166 BCE), een wees van wie Galba de voogd was geworden. De kinderen huilden zo hard en riepen zoveel medelijden op, dat de aanklacht uiteindelijk werd ingetrokken. Appianus suggereert dat dit mede het gevolg was van omkoping. Het proces lijkt geen negatieve gevolgen te hebben gehad voor Galba’s carrière, want vijf jaar later werd hij tot consul gekozen.

De Senaat besloot dit jaar een diplomatieke delegatie naar Bithynië te sturen om te bemiddelen in een geschil tussen Koning Prusias II en diens zoon Nikomedes. De samenstelling van de delegatie gaf wel aan dat de senatoren dit niet bepaald een belangrijke missie vonden. De drie man sterke delegatie bestond uit een man die vanwege zijn jicht nauwelijks kon lopen, een man die ernstige verwondingen aan zijn hoofd had opgelopen toen hij door een dakpan werd geraakt (in één versie van het verhaal: terwijl hij een bordeel betrad) en een man die algemeen bekendstond als de domste man in heel Rome. Cato meende dat deze gezanten niets zouden klaarspelen en merkte sarcastisch op dat de delegatie geen voeten, geen hoofd en geen hart had (in de versie van Livius: geen hersens). En inderdaad: ondanks de diplomatieke interventie van de Romeinen slaagde Nikomedes er met wat hulp van Koning Attalos II van Pergamum in zijn vader te doden. Hij zou over Bithynië heersen als Nikomedes II Ephiphanes.

149 BCE was tevens het jaar waarin Cato de Censor kwam te overlijden. De grote staatsman, militair, boer, geschiedschrijver, jurist en redenaar stierf op de gezegende leeftijd van 85 jaar. Jarenlang had hij de verwoesting van Carthago bepleit. Hij had lang genoeg geleefd om de oorlogsverklaring nog mee te maken, maar niet lang genoeg om te zien hoe, iets meer dan twee jaar na zijn dood, de aartsvijand van Rome in vlammen opging.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, Pax Romana, p. 58-61;
  • Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 338-345;
  • Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic, p. 158-159;
  • Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 339-343.

Noten

[1] Marcius diende in 147 BCE als censor en verkreeg zo zijn cognomen. Strikt genomen is het dus anachronistisch om deze bijnaam al voor 149 BCE te gebruiken, maar om de zaken niet te gecompliceerd te maken, zal ik dat toch doen.

[2] De bemanningen van deze schepen zouden ook daadwerkelijk meevechten. Zie de aanval van Censorinus van dit jaar en die van Mancinus in 147 BCE.

[3] “A daunting display of Rome’s might”, Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 338.

[4] Richard Miles meent dat de haven een capaciteit van 170 schepen had (Carthage must be destroyed, p. 2 en nogmaals p. 326), maar Appianus spreekt van 220 schepen (The Punic Wars 96). Misschien hing een en ander af van de grootte van de schepen, want het is niet ondenkbaar dat verschillende kleinere schepen samen een ligplaats konden delen.

[5] Eigenlijk zijn halfbroer, die hij als zoon had geadopteerd.

[6] Genoemd door Cicero in In Verrem 2.3.195.

3 Comments:

  1. Pingback:De Derde Punische Oorlog: Het Jaar 150 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback:De Derde Punische Oorlog: Het Jaar 148 BCE – – Corvinus –

  3. Pingback:De Numantijnse Oorlog: De Jaren 134-133 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.