De Numantijnse Oorlog: De Jaren 134-133 BCE

Gezicht op het Forum Romanum.

Samenvatting

  • Kleine slavenopstanden in Rome, in Attica en op Delos worden snel de kop in gedrukt (134 BCE);
  • De consul Gaius Fulvius Flaccus slaagt er niet in de Eerste Slavenoorlog op Sicilië te beëindigen (134 BCE);
  • De consul Publius Cornelius Scipio Aemilianus vaart naar Spanje, waar hij de discipline in het leger herstelt en het onderwerpt aan een rigoureus trainingsprogramma (134 BCE);
  • Scipio verwoest de gebieden van de Vaccaei, die worden beschuldigd van het helpen van de Numantijnen (134 BCE);
  • De consul Lucius Calpurnius Piso Frugi slaagt er niet in de Eerste Slavenoorlog op Sicilië te beëindigen (133 BCE);
  • Scipio legt een ring van schanswerken om heel Numantia heen (133 BCE);
  • Na een maandenlang beleg is de hongersnood in Numantia zo hoog dat de stad zich overgeeft; einde van de Numantijnse Oorlog (133 BCE).

De slavenopstand op Sicilië – ook bekend als de Eerste Slavenoorlog – had ook elders in de Romeinse wereld consequenties. Er was sprake van soortgelijke opstanden in Rome zelf, in Attica en op Delos, een centrum van de slavenhandel. Al deze opstanden waren echter veel kleinschaliger dan die op Sicilië en ze werden allemaal snel de kop ingedrukt. Dat laatste gold niet voor de Siciliaanse opstand die was begonnen door Eunus en Cleon. Aangezien praetors er niet geslaagd waren met hun lokaal gerekruteerde troepen de rebellen te verslaan, besloot de Senaat in 134 BCE om een consul naar Sicilië te sturen. Eerder was al besloten dat Scipio Aemilianus naar Spanje zou gaan voor de oorlog tegen de Numantijnen, dus Sicilië viel toe aan de andere consul, Gaius Fulvius Flaccus. Er zijn geen details bewaard gebleven van diens veldtocht. Waarschijnlijk betekent dat dat hij noch grote overwinningen behaalde, noch grote nederlagen leed.

Na een veldtocht van bijna een jaar keerde Flaccus weer terug naar Rome en liet hij de Eerste Slavenoorlog over aan een opvolger. Die opvolger was Lucius Calpurnius Piso Frugi, een van de consuls van 133 BCE. Piso was de man die de Lex Calpurnia de repetundis van 149 BCE had voorgesteld en hij was een capabel politicus. Of hij tevens een goede generaal was, is lastig te bepalen. In elk geval slaagde ook Piso er niet in om de Eerste Slavenoorlog te beëindigen. Laten we ons daarom nu richten op de oorlog die de Romeinen dit jaar wél tot een goed einde wisten te brengen, de oorlog tegen de Numantijnen. De gebeurtenissen die dit jaar in Rome zelf plaatsvonden, zijn dusdanig belangrijk dat ze een aparte bijdrage verdienen.

De Numantijnse Oorlog

Uitrusting van een krijgstribuun uit de tijd van de Republiek.

Op 1 januari 134 BCE ving de tweede ambtstermijn van Scipio Aemilianus als consul aan. Voordat hij per schip naar Spanje afreisde, besloot Scipio geen extra soldaten te rekruteren. Waarschijnlijk herinnerde hij zich de problemen waarmee de consuls bij de lichting in 138 BCE te maken hadden gehad en realiseerde hij zich dat Rome door haar reservoir aan mankracht heen begon te raken. Er waren op zichzelf al voldoende soldaten in Spanje; die moesten slechts tot een goed gedrild Romeins leger worden omgevormd. Scipio verklaarde dat hij alleen vrijwilligers met zich mee zou nemen, en daarvan meldden zich er zo’n 4.000. Onder hen bevonden zich 500 cliënten en vrienden. Scipio gaf zijn neef Fabius Buteo de opdracht deze versterking naar Spanje over te brengen terwijl hij zelf vooruit reisde. Deze Buteo was de zoon van zijn broer Quintus Fabius Maximus Aemilianus (de consul van 145 BCE), die hem eveneens naar Spanje vergezelde.

Eenmaal op het schiereiland aangekomen herstelde de consul snel de discipline in het Romeinse kamp. Iedereen die geen soldaat was, werd uit het kamp verwijderd, inclusief alle hoeren, kooplieden en waarzeggers. De manschappen kregen te horen dat ze op stro moesten slapen (wat Scipio zelf ook deed) en het werd hen verboden tijdens de mars op muildieren te rijden. De consul betrachtte uiterste terughoudendheid bij het toekennen van privileges. Scipio geloofde namelijk heilig dat strikte generaals nuttig waren voor hun eigen manschappen, terwijl generaals die makkelijk in de omgang waren alleen nuttig waren voor de vijand. Nadat hij de discipline had hersteld, was het tijd voor de training. De mannen kregen opdracht te marcheren, te graven, een kamp te bouwen en het weer af te breken. Dit hele proces werd herhaald totdat Scipio ervan overtuigd was dat het tijd was om op Numantia af te gaan. We weten niet zeker hoe groot zijn leger was, maar het ging waarschijnlijk om een versterkt consulair leger. Quintus Pompeius zou over een leger van 30.000 infanteristen en 2.000 ruiters hebben kunnen beschikken, en voor Scipio’s strijdmacht mogen we ook wel van dergelijke aantallen uitgaan. Het volgende jaar zouden duizenden Spaanse hulptroepen zich bij dit leger aansluiten, samen met enkele honderden Numidiërs.

Romeinse ruiter (eques) van een legioen uit de tijd van de Republiek.

Ook al beschikte hij over een groot leger, Scipio besloot geen directe aanval op Numantia te wagen. De stad was een formidabel bolwerk en de consul wilde daarom de zaken voorzichtig aanpakken. Eerst verwoestte hij de gebieden van de naburige Vaccaei, die er wederom van beschuldigd werden de Numantijnen voedsel te voorzien (het is altijd moeilijk om vast te stellen wat er waar is van zulke beschuldigingen). Terwijl hij oprukte naar de stad Pallantia bedreigde een troep ruiters van de Vaccaei een groepje Romeinse foerageurs. Scipio stuurde de krijgstribuun Publius Rutilius Rufus op hen af met vier turmae eigen cavalerie. Rufus was jong en enthousiast. Mogelijk was hij een van de vrijwilligers, en na terugkeer in Rome schreef hij een geschiedenis van de Numantijnse Oorlog, die overigens niet bewaard is gebleven. In 105 BCE diende hij als consul van de Romeinse Republiek. Nu haalde hij zich echter grote problemen op de hals. Hij achtervolgde zijn tegenstanders op te korte afstand en werd daarbij in een hinderlaag gelokt. Gelukkig voor hem had Scipio veel ervaring met het redden van omsingelde Romeinse eenheden. In 149 BCE, toen hij zelf krijgstribuun was, had hij hetzelfde gedaan. Nu schoot hij weer te hulp met extra ruiters en slaagde erin Rufus en zijn manschappen in veiligheid te brengen.

Scipio kende het gebied van de Vaccaei vrij goed, want hij had er zelf gevochten tijdens de mislukte veldtocht van de consul Lucullus in 151 BCE. Lucullus had toen de bevolking van het stadje Cauca uitgemoord en Scipio gaf nu de overlevenden van dat bloedbad toestemming om terug te keren. Scipio’s eerste jaar in de Numantijnse Oorlog zat er inmiddels bijna op en het was tijd om terug te keren naar het oorspronkelijke doelwit, Numantia zelf. Eenmaal in zijn winterkamp kreeg Scipio gezelschap van een zeer getalenteerde jongeman, de Numidische prins Jugurtha. Hij was de zoon van Mastanabal, die zelf weer een zoon was van Masinissa, een oude vriend en bondgenoot van de Romeinen. Mastanabal was al lang geleden overleden en Jugurtha was opgevoed door zijn oom Micipsa (die hem later formeel zou adopteren). Micipsa had de jongeman met een dozijn olifanten en enkele eenheden boogschutters en slingeraars naar Spanje gestuurd. Jugurtha zou tijdens het ophanden zijnde beleg van Numantia zeer goed presteren en zich bij de Romeinen uiterst populair maken.

De oorlog in Spanje, 147-133 BCE (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Het beleg van Numantia

Reconstructie van de muren van Numantia (bron: Multitud, CC BY 3.0).

Nadat zijn imperium was verlengd, rukte Scipio vroeg in het jaar 133 BCE op naar Numantia. Wederom koos de Romeinse aanvoerder ervoor de stad niet direct aan te vallen. De Numantijnen kwamen naar buiten en boden hem aan slag te leveren, maar Scipio ging niet op hun uitdaging in. Numantia zou worden uitgehongerd. Scipio gaf de bevriende Spaanse gemeenschappen opdracht hem hulptroepen te sturen. Als gevolg daarvan groeide de omvang van zijn leger tot in totaal zo’n 60.000 man. Misschien dat Appianus – onze voornaamste bron – in dit opzicht wat overdreef, maar de proconsul had zeker meer soldaten dan de Numantijnen, die met 8.000-10.000 strijders hun stad moesten verdedigen.

Scipio bouwde zeven grote kampen rondom Numantia en omringde daarna de hele stad met een wal en een gracht (circumvallatio). De wal was gemaakt van steen en had een totale lengte van bijna negen kilometer. Het doel ervan was niemand uit Numantia te laten ontsnappen. Aangezien het tevens de bedoeling was dat niemand de stad meer in zou kunnen, liet Scipio een tweede wal en gracht aanleggen die naar buiten gericht waren (contravallatio). Voorlopig was er echter nog een gat in de Romeinse schanswerken op het punt waar de rivier de Durius (tegenwoordig de Douro) Numantia binnen stroomde. De verdedigers gebruikten de rivier om voorraden de stad binnen te halen en mensen de stad uit te krijgen. Scipio loste dit probleem op door twee torens te bouwen, één op elke oever. Vervolgens sloot hij de rivier af met een grote dwarsbalk die was afgezet met scherpe voorwerpen.

Deel van de uitrusting van een triarius.

Keer op keer bestormden de Numantijnen de Romeinse schanswerken. Scipio had echter een ingenieus roulatiesysteem bedacht, waardoor hij altijd manschappen beschikbaar had om naar de sectoren te sturen die het meest bedreigd werden. Het begon er voor de Numantijnen nu buitengewoon somber uit te zien. Toen besloot een dappere edelman genaamd Rhetogenes Caraunius een uitbraak te wagen met slechts vijf van zijn vrienden. Gezamenlijk slaagden ze erin in het holst van de nacht bij de Romeinse wal te komen, er overheen te klimmen en de schildwachten te doden. De mannen wisten zelfs door middel van een draagbare brug hun paarden over de muur te krijgen. Voordat de Romeinen konden reageren galoppeerden Rhetogenes en zijn vrienden al het land in op zoek naar bondgenoten. De Numantijnen behoorden tot de stam van de Arevaci, dus het lag voor de hand dat Rhetogenes als eerste bij de Arevaci om hulp vroeg. Ten zuiden van Numantia lag het stadje Lutia en de jongeren die hier woonden waren bereid hun Numantijnse broeders bij te staan. De ouderen meldden dit voornemen echter bij Scipio, die meteen naar Lutia reed en dreigde het stadje plat te branden als de jonge strijders niet aan hem werden uitgeleverd. Dat had effect. Zo’n 400 jongemannen werden aan hem overdragen en als grimmige waarschuwing voor anderen liet Scipio hun handen afhakken.

Zo rond deze tijd waren de Numantijnen door hun voedselvoorraden heen. Ze besloten onderhandelingen te openen om tot een eervolle overgave te komen. Hun leider was een zekere Avarus, die bij de Romeinse aanvoerder om clementie vroeg. Scipio reageerde hierop met de eis van een deditio, een onvoorwaardelijke overgave. Die eis was duidelijk onacceptabel voor de Numantijnen. Toen Avarus en de andere gezanten hun stadgenoten hierover inlichtten, werden ze door een boze menigte gelyncht. Nu ze geen voedsel meer hadden, waren de burgers van Numantia gedwongen aan gekookte huiden te likken. Appianus beweert dat ze zelfs overgingen tot kannibalisme toen ook de huiden op waren. Uiteindelijk hadden de Numantijnen geen andere keuze dan zich over te geven. Een aantal burgers pleegde liever zelfmoord om te voorkomen dat ze in Romeinse handen zouden vallen. De rest marcheerde als een leger geesten de stad uit: vies en uitgemergeld, met gescheurde kleren en vreselijk stinkend. Scipio toonde zich een allesbehalve milde overwinnaar. Hij selecteerde 50 Numantijnen die moesten meelopen in zijn triomftocht. Die was nog niet eens aan hem toegekend, maar dat dat zou gebeuren stond vast. De rest van de bevolking werd als slaaf verkocht. Numantia, de stad die zich zoveel jaren zo dapper had geweerd, werd met de grond gelijk gemaakt.

Numidische ruiter (bron: Europa Barbarorum).

Na zijn overwinning verwierf Scipio een tweede bijnaam of agnomen: Numantinus. Voordat hij een schip terug naar huis nam, zou de proconsul volgens Sallustius de jonge Jugurtha hebben meegenomen naar zijn tent en hem daar onder vier ogen de raad hebben gegeven liever vriendschap te onderhouden met Rome in het algemeen dan met bepaalde Romeinse burgers. Ook moest hij geen gewoonte maken van omkoping. Het waren wijze woorden, ook al werden ze wellicht verzonnen door de genoemde auteur. Maar hoe dat ook zij, zo’n vijftien jaar later zou Jugurtha de goede raad compleet negeren.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, In the Name of Rome, p. 119-125.

2 Comments:

  1. Pingback:Tiberius Gracchus: Het Jaar 133 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback:De Opkomst van Marius en Jugurtha: De Jaren 120-118 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.