De Vroege Republiek: de staatsinrichting van de vijfde eeuw BCE (deel 2)

Restanten van de duo-tempel van Mater Matuta en Fortuna in de Area Sacra di Sant’Omobono.

De Standenstrijd van de Vroege Republiek was in feite geen conflict tussen patriciërs en plebejers: het was een conflict tussen patriciërs en de elite onder de plebejers enerzijds en een conflict tussen die twee groepen samen en de lagere klassen onder de plebejers anderzijds. Waar de patriciërs een monopolie op de openbare ambten hadden of trachtten te vestigen, probeerden rijke plebejers die zelf op deze ambten aasden dit te doorbreken en daarbij zochten ze de samenwerking met de armere plebejers. Die laatsten hadden te lijden onder hun schuldenlast, die soms resulteerde in schuldslavernij: wie niet kon betalen, eindigde als nexus, een soort gijzelaar van de schuldeiser. Die schuldeiser kon een patriciër zijn, maar ook een welgestelde plebejer. Vandaar dat rijke plebejers soms met hun armere klassegenoten samenspanden, maar bij andere gelegenheden zij aan zij met de patriciërs stonden. De Standenstrijd had uiteindelijk ook invloed op de Romeinse constitutie.

De creatie van de volkstribunen

Volgens de overlevering was de schuldencrisis onder de plebejers begin vijfde eeuw BCE zo erg geworden dat zij in 494 BCE hun biezen pakten en aan een uittocht begonnen naar de Mons Sacer, de Heilige Berg aan de andere kant van de rivier de Anio, ten noorden van Rome. Volgens een alternatieve traditie vond de uittocht (secessio in het Latijn, secessie) plaats naar de Aventijn, een gedeelte van Rome dat weliswaar was opgenomen binnen de stadsmuren, maar buiten het pomerium viel. De situatie was in elk geval ernstig, maar kon uiteindelijk worden opgelost door de plebejers het recht toe te kennen hun eigen functionarissen te kiezen, de volkstribunen (tribuni plebis). Volkstribunen waren onschendbaar (sacrosanctus). Het uitoefenen van enige vorm van dwang tegen hen was streng verboden[1], en zij konden hun onschendbaarheid inzetten om aan burgers hulp te verlenen (auxilium) en de besluiten van andere magistraten en collega-volkstribunen te blokkeren (intercessio). Tenslotte konden ze wetsvoorstellen aan het plebs voorleggen en dit laten beslissen in bepaalde (vaak politiek gevoelige) rechtszaken. Zoals het hier beschreven is, zal het ambt van volkstribuun in 494 BCE overigens nog niet gefunctioneerd hebben; het ontwikkelde zich door de jaren heen in deze richting en groeide organisch, zoals ook de Romeinse constitutie dat deed.

Zicht op de Aventijn vanaf de Janiculusheuvel.

Over het oorspronkelijke aantal volkstribunen bestaat discussie. Volgens Livius waren het er twee, Gaius Licinius en Lucius Albinus, die zelf nog drie ambtsgenoten coöpteerden.[2] Een wet uit 457 BCE bepaalde vervolgens dat er 10 volkstribunen moesten zijn, terwijl een Lex Trebonia uit 448 BCE coöptatie uitdrukkelijk verboden zou hebben. Die laatste wet was mede ingegeven door het feit dat er soms patriciërs gecoöpteerd werden, terwijl het ambt van volkstribuun exclusief voor plebejers was bedoeld.[3] Ondanks de Lex Trebonia werd er in 401 BCE nog een poging tot coöptatie van patriciërs gedaan[4], waaruit moge blijken dat rijke plebejers niet alleen op de door de patriciërs gemonopoliseerde ambten aasden, maar dat het omgekeerde ook voor kon komen. Verkiezing van volkstribunen was in elk geval altijd een zaak van het plebs. Hun vergadering ontwikkelde zich op den duur tot het concilium plebis, dat niet alleen de volkstribunen koos, maar ook veel wetgeving vaststelde. Deze gold aanvankelijk alleen voor het plebs zelf, maar op den duur ook voor het gehele populus Romanus. Dat was in elk geval zo sinds de Lex Hortensia van 287 BCE, maar aan de bewering van Livius dat het al sinds 449 BCE het geval was[5], kan met recht getwijfeld worden.

De Wetten van de Twaalf tafelen

Het jaar 449 BCE was traditioneel verbonden met de val van het Decemviraat. Dit was een commissie van tien (patricische) magistraten, de decemviri, die in 451 BCE was ingesteld om een Romeins wetboek op te stellen. De decemviri stonden onder leiding van Appius Claudius, een kleinzoon van de Sabijn Attius Clausus die zich 504 BCE met zijn familie en cliënten in Rome had gevestigd en in de stand van de patriciërs was opgenomen. Een andere decemvir was Gaius Julius, een verre voorvader van Julius Caesar. De decemviri beschikten over onbeperkte bevoegdheden en tijdens hun regering, die maar een jaar zou duren, werden er geen consuls of volkstribunen gekozen. De mannen slaagden erin tien van de uiteindelijk twaalf tafelen af te ronden en door de volksvergadering te laten goedkeuren. Voor voltooiing van de ontbrekende twee tafelen was nog een extra jaar nodig. Claudius werd herkozen en had volgens de overlevering grote invloed op de keuze van de andere negen decemviri. En toen ging het helemaal mis, althans volgens het klassieke verhaal.

Uitzicht over het Forum Romanum.

Volgens dit verhaal zouden de decemviri zich hebben ontpopt tot ware tirannen.[6] In plaats van louter de ontbrekende tafelen op te leveren regeerden ze als een soort junta over Rome. Fysiek geweld en moord werden niet geschuwd en hun tegenstanders, zowel patriciërs als plebejers, spraken over de decemviri als de ‘tien Tarquinii’, een duidelijke verwijzing naar de laatste Romeinse koning, de Etrusk Tarquinius Superbus, en diens familie. Het verhaal zoals verteld door geschiedschrijvers als Livius vertoont sowieso opmerkelijke gelijkenissen met dat over de verdrijving van de Tarquinii na de verkrachting van Lucretia. Appius Claudius maakte zich schuldig aan een schanddaad jegens het meisje Verginia, met als enige verschil dat ze niet verkracht werd en door haar vader werd doodgestoken in plaats van dat ze zelfmoord pleegde.[7] Tot de leiders van de oppositie tegen de decemviri behoorden Lucius Valerius Potitus en Marcus Horatius Barbatus, die na de val van Claudius en zijn kliek de nieuwe consuls werden. Het is wel heel toevallig dat er na de verdrijving van de Tarquinii in 509 BCE ook een Valerius en een Horatius als consul dienden. Uiteindelijk was het een tweede uittocht van het plebs, ditmaal zeker naar de Aventijn, dat in 449 BCE de val van decemviri veroorzaakte.[8] Valerius en Horatius herstelden vervolgens als consuls ook de macht van de volkstribunen.

Uitzicht op Rome vanaf de Janiculusheuvel.

Het verhaal van de decemviri is vooral als een moralistische vertelling over machtsmisbruik te beschouwen, maar de Wetten van de Twaalf tafelen zijn historisch. Ze werden in brons gegrift, zodat ze door latere geschiedschrijvers nog geraadpleegd konden worden.[9] De inhoud ervan is echter fragmentarisch overgeleverd. In de tafelen vonden de Romeinen voorschriften over het oproepen van procespartijen en getuigen (tafelen I en II) of het betalen van schulden (tafel III), maar ook over het doden van misvormde kinderen (tafel IV), de handelingsonbekwaamheid van vrouwen (tafel V) en een verbod om doden in de stad te begraven of te verbranden (tafel X). In de sfeer van het strafrecht kwamen de tafelen VIII en IX, met onder meer regels over schadevergoeding bij mishandeling en belediging, de omgang met dieven, het afleggen van valse getuigenissen en het omkopen van rechters. Voor de bestudering van het Romeinse staatsrecht is de regel dat niemand zonder veroordeling ter dood mocht worden gebracht relevant (tafel IX). Dat geldt ook voor de regel dat patriciërs en plebejers niet onderling mochten trouwen (tafel XI), een regel die door de Lex Canuleia van 445 BCE overigens alweer werd afgeschaft. De bewering van Livius dat de Twaalf tafelen de bron van al het publiek- en privaatrecht vormden (fons omnis publici privatique iuris)[10] lijkt voor wat betreft het publiekrecht niet echt vol te houden.

Overige magistraten

Overblijfselen van de tempel van Janus op het Forum Holitorium.

Volgens de overlevering werden na instelling van het volkstribunaat ook helpers van de volkstribunen aangesteld, in de vorm van twee plebejische aedielen.[11] Het bleven er ook altijd twee, ondanks de uitbreiding van het aantal volkstribunen tot tien. Het ambt van plebejische aediel stond nadrukkelijk niet open voor patriciërs, anders dan het in 367 BCE gecreëerde ambt van curulische aediel, waarvoor op den duur leden van beide standen zich verkiesbaar konden stellen. Waar de plebejische aedielen onder de Vroege Republiek duidelijk lager in rang stonden dan de volkstribunen, namen ze in de cursus honorum van de Midden- en Late Republiek juist een hogere positie in. Jonge Romeinse edellieden bekleedden doorgaans eerst het ambt van volkstribuun en dan dat van aediel. Het volkstribunaat kon ook worden overgeslagen, en het is veelzeggend dat de Lex Villia Annalis van 180 BCE wel een minimumleeftijd voor aediel noemde (waarschijnlijk 36), maar niet voor volkstribuun.

Het woord aediel (aedilis) is afgeleid van het Latijnse woord voor ‘tempel’ (aedes) en deze magistraten hadden dan ook op den duur de zorg voor het onderhoud van gebouwen in hun takenpakket, maar ook het onderhoud van straten en het toezicht op markten, de graanvoorziening en bepaalde spelen. Een curiositeit was dat ze bevoegd waren acteurs te geselen, terwijl deze straf vanaf begin tweede eeuw BCE in principe verboden was als het om Romeinse burgers ging.[12] De plebejische aedielen waren specifiek verantwoordelijk voor de jaarlijkse plebejische spelen (ludi plebeii) en hielden de archieven van het plebs bij, waarvan wordt aangenomen dat die zich in de tempel van Ceres op de Aventijn bevonden.[13] Deze tempel was volgens Dionysius van Halicarnassus in 493 BCE gewijd, dus kort na de eerste uittocht van de plebejers.[14] Tussen de tempel en het plebs bestond mede daardoor een sterke band, en dat gold ook voor de Aventijn. Niet alleen was deze heuvel met zeker één en misschien wel twee uittochten verbonden, een Lex Icilia uit 456 BCE zou het plebs hebben toegestaan de Aventijn te gaan bewonen. Tot dan toe woonden daar mogelijk voornamelijk niet-Romeinen.[15]

Overblijfselen van de tempel van Saturnus.

In de vijfde eeuw BCE werd ook het ambt van quaestor gecreëerd. Deze magistraat had voornamelijk financiële verantwoordelijkheden. Twee quaestors beheerden de Romeinse schatkist, het aerarium, die in de tempel van Saturnus werd bewaard. Aangezien deze tempel in 497 BCE werd ingewijd[16], zullen de Republikeinse quaestors rond deze tijd voor het eerst gekozen zijn.[17] In 446 BCE worden ze voor het eerst specifiek genoemd in verband met het aerarium[18] en het is mogelijk dat het beheer van de schatkist tot 421 BCE hun enige taak was. In het laatstgenoemde jaar werden hun aantal verdubbeld van twee naar vier en werd het ambt, dat tot dan uitsluitend door patriciërs werd bekleed, ook opengesteld voor plebejers.[19] De verdubbeling zal hebben samenhangen met een uitbreiding van de taken van de quaestors: twee bleven de schatkist in Rome beheren, de andere twee werden de financiële assistenten van de consuls. In 409 BCE werden met Quintus Silius, Publius Aelius en Publius Pupius de eerste plebejische quaestors gekozen.[20]

Senaat

Het is zeer waarschijnlijk dat er in de Romeinse Koningstijd al een Senaat bestond. De senatoren werden toen gerekruteerd uit de adel en vormden de vaste adviseurs van de koning. Zij werden de patres of ‘vaders’ genoemd, en het is zeker geen toeval dat de woorden patres en patricii (patriciërs) aan elkaar verwant zijn. In de Vroege Republiek zal een zeer groot deel van de senatoren patriciër zijn geweest en de Senaat vormde dan ook een – overwegend conservatief – bolwerk van patricische macht. Er waren echter beslist ook plebejische senatoren. Mogelijk bevonden zij zich vooral onder de conscripti, de senatoren die na de verdrijving van de Tarquinii waren benoemd om de Senaat weer op volle sterkte te brengen.[21] Juist deze plebejische senatoren zullen voorop hebben gelopen om het patricische monopolie op ambten als het consulaat te doorbreken.

De Curia Julia, opvolger van de Curia Hostilia als Senaatsgebouw. Links de kerk van Santi Luca e Martina, op de plek waar de Curia Hostilia stond.

De taken en bevoegdheden van de Senaat waren nergens vastgelegd, maar de facto was de macht van dit college erg groot. De senatoren vormden in de eerste plaats een adviesraad voor de magistraten, in het bijzonder de consuls. Senatoren konden adviseren over binnenlandse aangelegenheden, maar ook over het buitenlands beleid, dat in de vijfde eeuw BCE vooral het beleid jegens de volkeren in en rondom Latium zal hebben bestreken. Aangezien de consuls uit dezelfde sociale klasse als de senatoren kwamen en zij na hun ambtstermijn onder de senatoren plaatsnamen, werden de adviezen van de Senaat doorgaans serieus genomen. Een vastberaden consul kon echter zijn veto over een Senaatsbesluit (senatus consultum) uitspreken[22] en de Senaat had geen machtsmiddelen om dat besluit dan alsnog door te drukken. De Senaat stelde geen wetgeving vast. Dat was de taak van de volksvergadering, maar de senatoren lijken tot begin derde eeuw BCE wel een recht te hebben gehad om te weigeren een verkiezing of een door de volksvergadering aangenomen wet te bekrachtigen.[23] Daarna speelde de Senaat op wetgevingsgebied alleen nog een adviserende rol, waarvan het belang echter zeker niet onderschat moet worden.

In de Late Republiek kon de Senaat de consul opdragen alle noodzakelijke maatregelen te treffen om de Republiek te beschermen. De voor deze opdracht gebruikte formule was consul videret ne quid res publica detrimenti caperet. Uit het proces in 120 BCE tegen de moordenaars van de volkstribuun Gaius Gracchus kan worden afgeleid dat deze opdracht een rechtvaardiging vormde voor het zonder vorm van proces doden van Romeinse burgers. Livius stelt dat de geciteerde formule al in 464 BCE door de Senaat werd gebruikt, maar dat is zeer waarschijnlijk een anachronisme.[24]

Volksvergadering

Overblijfselen van de muren van Servius Tullius.

De volksvergadering was belast met het vaststellen van wetten, het kiezen van magistraten en het spreken van recht. Het Romeinse staatsrecht kende in feite verschillende volksvergaderingen. In de eerste plaats was er een verschil tussen de vergadering van het gehele populus Romanus en die van het plebs Romana. In het eerste geval was de term comitia gebruikelijk, in het tweede werd vanaf enig moment van het concilium plebis gesproken. De laatstgenoemde vergadering kon alleen door een volkstribuun bijeengeroepen worden, terwijl alleen curulische magistraten het gehele volk konden bijeenroepen. Het Romeinse volk, en dus ook het plebs, was voorts verdeeld in 30 curiae, 193 centuriae en – vanaf 495 BCE – 21 tribus, vier stedelijke en zeventien landelijke. Afhankelijk van het besluit dat genomen moest worden, kwam het gehele volk of het plebs samen als vergadering van de curiae, centuriae of tribus. De curiae waren een relict uit de Koningstijd. De instelling ervan werd nog aan de eerste koning Romulus toegeschreven, maar in de Vroege Republiek speelden ze waarschijnlijk alleen nog een ceremoniële rol.[25] Daar lag anders bij de centuriae en tribus.

Instelling van de centuriae werd traditioneel toegeschreven aan de zesde koning, Servius Tullius (ca. 578-534 BCE). Hij zou ook de vier stedelijke tribus hebben gecreëerd (Esquilina, Palatina, Suburana en Collina). Het maakte nogal uit of een besluit door de comitia centuriata of de comitia tributa werd genomen. Zoals elders uitgebreider is beschreven werd de eerstgenoemde vergadering gedomineerd door de ridders (equites) en de eerste vermogensklasse, die tijdens de Vroege Republiek samen over 98 centuriae beschikten. De vergadering werd dus gedomineerd door de rijkste Romeinen. De opzet van de comitia tributa was iets democratischer en gaf de gewone burgers meer invloed. Tot welke tribus iemand behoorde, werd bepaald in de census en in principe was dit erfelijk: de zonen werden ingedeeld in de tribus van hun vaders. Toch moet de invloed van gewone burgers wel enigszins gerelativeerd worden. Zo waren er veel meer Romeinse burgers, en dan voornamelijk de armere, ingedeeld bij de vier stedelijke tribus. De censors konden voor straf een Romeins burger degraderen tot een van deze tribus en dat zou de voormalige dictator Mamercus Aemilius al in 434 BCE zijn overkomen.

Fundamenten van de tempel van Jupiter Capitolinus.

Onder de veel kleinere zeventien landelijke tribus bevonden zich er vele die een band lijken te hebben gehad met patricische gentes[26]: Aemilia, Claudia, Cornelia, Fabia, Horatia, Papiria, Sergia en zelfs Romilia, een tamelijk obscuur patricisch geslacht dat met Titus Romilius slechts één consul leverde (in 455 BCE). De tribus Clustumina hield waarschijnlijk verband met de stad Crustumerium ten noorden van Rome, die in 499 BCE was veroverd. Mogelijk hadden de burgers van deze stad Romeins burgerrecht gekregen en waren ze in een aparte tribus ingedeeld. Op den duur had het begrip tribus, dat als ‘district’ vertaald zou kunnen worden, echter geen geografische betekenis meer. Van nog weer andere tribus, zoals Pollia, Pupinia en Voltinia, is de herkomst duister. Pupinia zou kunnen verwijzen naar een streek in Latium niet ver van Rome[27], terwijl de andere namen met tamelijk obscure gentes uit de Koningstijd verbonden geweest kunnen zijn, waarvan de leden het ten tijde van de Vroege Republiek nooit tot consul schopten (er bestond in elk geval een gens Pollia).

Al in de vijfde eeuw BCE is er een verschuiving van besluitvorming in de vergadering van de centuriae naar besluitvorming in de vergadering van de tribus te ontwaren. Zo kende de Lex Publilia van 471 BCE het recht om de volkstribunen te kiezen toe aan de vergadering van de tribus, hetgeen suggereert dat dit daarvoor het recht van de vergadering van de centuriae was (of in theorie nog van de curiae).[28] Qua wetgeving gold dat de Wetten van de Twaalf tafelen nog door de comitia centuriata werden aangenomen.[29] Waarschijnlijk vond er kort daarna al een verschuiving richting de comitia tributa en het concilium plebis plaats. In de Late Republiek werd alle wetgeving in een van deze vergaderingen vastgesteld en verkozen deze de meeste magistraten. Alleen de verkiezing van de consuls, de censors en – sinds 366 BCE – de praetors bleef het prerogatief van de comitia centuriata. Tot halverwege de tweede eeuw BCE bleef deze vergadering ook de beslissingen over oorlog en vrede nemen. De oorlogsverklaring tegen Carthago in 149 BCE, die leidde tot de Derde Punische Oorlog, is hier mogelijk het laatste voorbeeld van. Daarna nam de Senaat deze taak van de comitia centuriata de facto over.

Provocatio en regnum

De tempel van Castor en Pollux op het Forum Romanum.

Tot besluit van deze bijdrage moeten nog twee begrippen worden besproken die in de Midden- en Late Republiek een belangrijke rol speelden, maar die waarschijnlijk al wortels in de Vroege Republiek hebben. Het gaat om de begrippen provocatio (‘beroep’) en regnum (koningschap of alleenheerschappij).

Provocatio bood burgers een middel om bij machtsuitoefening (coercitio) door magistraten een beroep op het volk te doen. Bij de uitoefening van het instrument speelden de volkstribunen een belangrijke rol: zij verleenden de feitelijke bescherming. Al in 509 BCE zou de consul Publius Valerius Poplicola de volksvergadering een wet over provocatio hebben laten aannemen. Deze werd door de decemviri (zie hierboven) buiten werking werd gesteld, maar vervolgens door de consuls Lucius Valerius Potitus en Marcus Horatius Barbatus heringevoerd. De historiciteit van de wetten van 509 en 449 BCE is nogal twijfelachtig. Mogelijk werd het recht van provocatio pas door de Lex Valeria van 300 BCE daadwerkelijk ingevoerd.[30] Het is natuurlijk ook opmerkelijk dat bij elk van de drie beweerde wetten een Valerius betrokken was, in het laatste geval de consul Marcus Valerius Maximus Corvus. Het recht van provocatio werd vervolgens begin tweede eeuw BCE nog uitgebreid door een drietal Leges Porciae, zodat het recht tot een mijl buiten de stad gold en ook tegen een dreigende geseling beroep kon worden ingezet. Toch hoeven we de wetten van 509 en 449 BCE niet helemaal als fantasie van latere geschiedschrijvers terzijde te schuiven. De Wetten van de Twaalf tafelen kenden in tafel IX wel degelijk een bepaling die op provocatio wijst, namelijk de regel dat een burgers niet gedood mocht worden zonder veroordeling in de volksvergadering (nisi per maximum comitiatum).[31]

Uitzicht op de Tarpeïsche rots.

In de Late Republiek gold de gedachte dat iemand die koningschap (regnum) nastreefde gedood mocht worden, zelfs als deze persoon nog geen geweld had gebruikt of zijn staatsgreep tegen de Republiek in gang had gezet. De gedachte was ontleend aan een reeks voorvallen in de Vroege Republiek, die teruggingen tot de vierde, vijfde en zesde eeuw BCE. Vrijwel alle verhalen zullen deels verzonnen en deels later verfraaid zijn, maar voor de geldingskracht ervan in de Late Republiek maakte dat niet uit. Al in 509 BCE, dus kort na de verdrijving van de laatste koning, zou de genoemde Publius Valerius Poplicola een wet hebben laten aannemen die personen die het koningschap nastreefden vogelvrij (sacer) verklaarde.[32] Spurius Cassius, de consul van 486 BCE, werd ervan beschuldigd dat hij met zijn landhervormingen een troon voor zichzelf wilde kopen. Direct na het aflopen van zijn ambtstermijn werd hij veroordeeld en terechtgesteld.[33] Of de straf nu werd voltrokken door zijn eigen vader of na een veroordeling wegens perduellio (hoogverraad) door het Romeinse volk is minder van belang dan de constatering dat Cassius voor zijn streven kennelijk de doodstraf verdiende.

Dat gold ook voor de rijke ridder Spurius Maelius, die tijdens een hongersnood gratis graan uitdeelde en daarom werd verdacht van het nastreven van het koningschap. Daar was ook wel enige grond voor, want in zijn huis werden wapens gevonden.[34] In 439 BCE werd Maelius zonder vorm van proces gedood door de magister equitum Gaius Servilius Ahala, de rechterhand van de dictator Cincinnatus. Deze moord was terecht, ondanks de Wetten van de Twaalf tafelen en eventuele provocatio-wetgeving.[35] Het laatste voorbeeld dateert van de vroege vierde eeuw BCE. Marcus Manlius Capitolinus had veel roem vergaard door in 387 BCE de Capitolijnse heuvel te verdedigen tegen een horde Kelten die een Romeins leger hadden verslagen en de stad zelf hadden ingenomen. Enkele jaren later trad Manlius op als kampioen van het gewone volk. Hij verzette zich daarbij tegen schuldwetten en schuldslavernij. Daarmee maakte hij zich zo populair dat de gevestigde orde hem als een gevaar ging beschouwen. De beschuldiging van het nastreven van een regnum was gauw genoeg gevonden. Over zijn proces bestaan verschillende versies, maar uiteindelijk werd hij van de Tarpeïsche rots gegooid.[36] Daarmee werd hij letterlijk een ‘gevallen held’.[37]

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic, hoofdstukken IV-VI en VIII;
  • Philip Matyszak, Chronicle of the Roman Republic, p. 46-65;
  • Timothy Venning, A Chronology of the Roman Empire, p. 34-56.

Noten

[1] Toch zou in 473 BCE de volkstribuun Gnaeus Genucius vermoord zijn (Livius 2.54). Dionysius van Halicarnassus hield het op een natuurlijke dood (9.38).

[2] Livius 2.33.

[3] Livius 3.30 en 3.65.

[4] Livius 5.10.

[5] Livius 3.55.

[6] Zie Livius 3.32-3.55 en Dionysius van Halicarnassus 11.1-11.45.

[7] Marcus Claudius, een cliënt van Appius, claimde dat Verginia als slavin aan hem toebehoorde. Toen ze door toedoen van Appius aan hem werd toegewezen, pakte haar vader een slagersmes en stak haar daarmee dood, waarmee haar eer was gered.

[8] Appius Claudius stierf in gevangenschap. Hij werd in opdracht van de in ere herstelde volkstribunen vermoord of hing zichzelf op voordat hij berecht kon worden (Dionysius van Halicarnassus 11.46). Zijn bezittingen werden verbeurd verklaard (Livius 3.58).

[9] Zie voor het navolgende Philip Matyszak, Chronicle of the Roman Republic, p. 65.

[10] Livius 3.34.

[11] Volgens Dionysius van Halicarnassus 6.90.

[12] Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic, p. 130. De Leges Porciae kenden Romeinse burgers een recht van beroep tegen een dreigende geseling toe.

[13] Lintott, p. 129.

[14] Dionysius van Halicarnassus 6.94.

[15] Livius 3.31. In de Koningstijd zouden de verslagen bewoners van de Latijnse steden Politorium, Tellenae, Ficana en Medullia naar de Aventijn zijn overgebracht.

[16] Livius 2.21.

[17] Er bestonden mogelijk al quaestors in de Koningstijd (zie The Constitution of the Roman Republic, p. 134).

[18] Livius 3.69.

[19] Livius 4.43.

[20] Livius 4.54.

[21] Livius 2.1. De senatoren werden aangesproken als patres et conscripti.

[22] Livius 5.9.

[23] Zie The Constitution of the Roman Republic, p. 37 en 86. Voor een voorbeeld: Livius 6.42.

[24] Livius 3.4.

[25] Ze stelden na verkiezing van de consuls bijvoorbeeld een lex curiata vast, waarmee mogelijk het imperium en het recht om de auspicia te interpreteren werd toegekend, al is de precieze betekenis van deze lex niet bekend.

[26] Zie voor de complete lijst Timothy Venning, A Chronology of the Roman Empire, p. 35.

[27] Zie Livius 9.41.

[28] Livius 2.56-2.58

[29] Livius 3.34, 3.37 en 3.55.

[30] Zie Livius 2.8, 3.55 en 10.9.

[31] Cicero, De legibus III.4.11.

[32] Livius 2.8.

[33] Livius 2.41.

[34] Livius 4.13-4.14.

[35] Het verhaal wordt ook verteld door Dionysius van Halicarnassus (Boek 12.1-12.4). Hij verwijst in dit verband naar een alternatieve versie van de dood van Maelius, waarin Servilius Ahala niet de rechterhand van de dictator is, maar een privé persoon. Die versie komt van Lucius Cincius Alimentus (een geschiedschrijver uit de late derde eeuw BCE) en Lucius Calpurnius Piso Frugi, de consul van 133 BCE en censor van 120 BCE.

[36] Livius 6.20.

[37] In Livius 6.17 en 6.18 worden de verhalen van Cassius, Maelius en Manlius expliciet aan elkaar gekoppeld.

One Comment:

  1. Pingback:De Vroege Republiek: de staatsinrichting van de vijfde eeuw BCE (deel 1) – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.