Politieke rechtspraak in het Oude Rome: het proces tegen Gaius Rabirius

Buste van Gaius Julius Caesar (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

1. Inleiding

Dit artikel staat stil bij een proces dat in het jaar 63 voor Christus plaatsvond in Rome. Het is een proces dat met mysteriën omgeven is. Ook in zijn eigen tijd was het al uitzonderlijk en omstreden, niet in de laatste plaats vanwege de merkwaardige tenlastelegging, de motieven van de aanklager, de vermeende partijdigheid van de rechters en de ronduit absurde afloop. Het proces waarover ik in deze bijdrage mijn licht wil laten schijnen betreft het proces tegen Gaius Rabirius, een bejaarde en weinig invloedrijke senator uit een tamelijk roemloos geslacht die op last van de volkstribuun Titus Labienus terecht moest staan voor rechter Gaius Julius Caesar en diens verre neef Lucius, en later voor de volksvergadering, vanwege moorden die zo’n 37 jaar eerder hadden plaatsgevonden. Nog afgezien van het enorme tijdsverloop tussen de moorden en het proces was de tenlastelegging tamelijk uitzonderlijk. Rabirius werd niet simpelweg van moord beschuldigd. De aanklacht luidde perduellio, oftewel hoogverraad. In deze bijdrage zal ik een poging wagen het proces in zijn juridische, historische en politieke context te schetsen. Dat is niet gemakkelijk, aangezien de historische bronnen waarover we beschikken weinig details geven over het proces zelf, de motieven van aanklager en rechters en het delict perduellio. Het artikel draagt daarom onvermijdelijk deels een speculatief karakter.

2. De moord op Saturninus

Lucius Appuleius Saturninus was een invloedrijke volkstribuun in de laatste jaren van de 2e eeuw voor Christus. Het ambt van volkstribuun (tribunus plebis) had een lange geschiedenis. Het was volgens de overlevering ontstaan in het jaar 494 voor Christus toen de klassenstrijd tussen de toenmalige adel, de patriciërs, en het gewone volk, het plebs, een dramatisch hoogtepunt bereikte met de uittocht van de plebejers naar de Mons Sacer.[1] Na een succesvolle bemiddelingspoging sloten beide klassen weer vrede. Om de rechten van het plebs tegen de adel veilig te stellen werden vervolgens de volkstribunen ingesteld, die enkel uit het plebs afkomstig konden zijn. Volkstribunen waren sacrosanctus, onschendbaar. Dat betekende niet alleen dat zij niet aan vervolging blootgesteld konden worden, maar ook dat het uitoefenen van enige dwang (coercitio) tegen hun persoon ten strengste verboden was.

De volkstribunen konden hun sacrosanctitas inzetten om magistraten te arresteren en in het gevang te gooien. Zij konden dat bijvoorbeeld doen om hulp aan burgers te bieden wanneer hun rechten door dwang van magistraten dreigden te worden geschonden. Verder konden zij Senaatsbesluiten en wetsvoorstellen blokkeren met een veto (intercessio). Omdat zij te allen tijde beschikbaar dienden te zijn om bijstand (auxilium) te verlenen aan hulpbehoevende burgers, moest krachtens conventie de deur van hun huis altijd open staan, dag en nacht. Gedurende de dag beschikten de volkstribunen bovendien over een kantoor op het Forum Romanum, dichtbij het Senaatsgebouw en het comitium, de plaats waar de Romeinse volksvergadering vaak samenkwam. Belangrijk was ook dat zij aan die volksvergadering voorstellen voor wetten konden voorleggen.[2]

Gezicht op het Forum Romanum.

Een volkstribuun was door zijn onschendbaarheid, zijn recht van initiatief en zijn vetorecht een machtige speler in de Romeinse binnenlandse politiek. Zijn macht werd echter beperkt door twee factoren: het feit dat hij slechts één jaar zijn ambt bekleedde (zoals vrijwel alle Romeinse magistraten) en het feit dat er in totaal 10 volkstribunen bestonden, die ook elkaars acties met een veto konden treffen. Lang niet alle volkstribunen stelden zich geheel en al ten dienste van de belangen van het gewone volk.[3] Juist het feit dat zij ook acties van collega’s konden blokkeren, leidde ertoe dat leden van de conservatieve aristocratie vaak een ‘eigen’ volkstribuun op de loonlijst zetten en gekozen trachtten te krijgen om de acties van zijn meer activistische collega’s in de gaten te houden. Verder werd het bekleden van het volkstribunaat op een gegeven moment een normale stap in de politieke carrière van een jongeman uit een goede familie.

Dit had ook te maken met het feit dat diverse plebejische families erin slaagden toe te treden tot de adel. Deze was oorspronkelijk exclusief patricisch, maar toen steeds meer ambten ook voor plebejers werden opengesteld veranderde de Romeinse adel langzaam van samenstelling: een gemengd patricisch-plebejische nobilitas ontstond, waarvan de belangen regelmatig tegenover die van het niet-adellijke plebs stonden. Men kan dus zeggen dat er volkstribunen in soorten en maten waren: stromannen van de adel, jonge edelen die een politieke carrière gestart waren, weldoeners en idealisten of een combinaties van deze smaken. Eén ding hadden de volkstribunen echter zeker gemeen: ze bekleedden hun ambt in belangrijke mate ook voor hun eigen belang, en voor dat van hun familie.

Buste van Gaius Marius (Glyptothek, Munich; foto: Bibi Saint-Pol).

De reeds genoemde Saturninus is vooral bekend geworden door zijn samenwerking met de controversiële staatsman en generaal Gaius Marius.[4] Mede dankzij de politieke steun van Saturninus verwierf Marius enkele van zijn in totaal zeven consulaten, alsmede land voor zijn soldaten. Maar toen ging het mis. In het jaar 100 voor Christus werden de naam van Saturninus en die van zijn compaan, de praetor Glaucia, genoemd in verband met twee politieke moorden in de stad. Vervolgens diende Saturninus een voorstel voor een landwet (lex agraria) in, die herverdeling van land onder arme Romeinen moest bewerkstelligen. Dergelijke wetten kwamen in de late Republiek veel voor en waren niet erg populair bij het conservatieve deel van de nobilitas. Bijzonder in dit geval was dat de wet een clausule bevatte, een zogenaamde sanctio, die senatoren verplichtte te zweren dat zij zich aan de wet zouden houden. Weigerden zij de eed af te leggen, dan werden zij uit de Senaat gezet en moesten zij een zware boete te betalen. Een invloedrijke senator die weigerde te zweren, verdween in ballingschap.[5] Volgens Plutarchus nam de brutaliteit van Saturninus hierna ongekende vormen aan. De consul Marius was niet erg blij met het gedrag van zijn bondgenoot, maar kon of durfde voorlopig niet tegen hem op te treden. Toen vertegenwoordigers van de Senaat naar hem toekwamen om te vragen om hulp, veinsde hij in de versie van Plutarchus zelfs een aanval van diarree, om vervolgens tussen deze vertegenwoordigers en Saturninus heen en weer te rennen om de partijen tegen elkaar op te zetten.

Voor de Senaat was dit de druppel. Hij nam een motie (senatus consultum; zie ook hierna) aan waarin alle magistraten – uiteraard met uitzondering van Saturninus en Glaucia – werden opgeroepen de Republiek te verdedigen. Deze oproep gold in het bijzonder voor de twee consuls, de hoogste magistraten binnen de Republiek. Marius zag zich nu genoodzaakt openlijk met Saturninus te breken. Met gewapende troepen rukte de consul op naar het Forum, waarop Saturninus zich met zijn aanhangers verschanste op de Capitolijn. Marius sneed vervolgens de watertoevoer af, waarop de rebellen zich moesten overgeven. Zij werden gevankelijk naar het Senaatsgebouw (de Curia Hostilia) aan de voet van het Capitool gevoerd. Daar werden zij gestenigd door woedende aanhangers van de Senaat, die op het dak van het gebouw waren geklommen en dakpannen naar beneden gooiden. Vrijwel direct ontstond discussie over de rechtvaardigheid van deze moorden: was aan de rebellen niet een vrijgeleide beloofd? Kwam de moord op een sacrosancte volkstribuun – Saturninus was herkozen en vermoord op de dag waarop zijn nieuwe ambtstermijn begon[6] – niet neer op heiligschennis? En hoeveel (juridische) waarde had het Senaatsbesluit waarin werd opgeroepen de Republiek te verdedigen? Die vragen zouden bijna 37 jaar later nog terugkomen.

3. De aanklacht perduellio

Munt van Saturninus (bron: Classical Numismatic Group, Inc.; CC BY-SA 3.0 license)

Een van de gangmakers achter het proces tegen Rabirius kunnen we met zekerheid identificeren. Het betreft Titus Labienus, die ten tijde van het proces halverwege de dertig moet zijn geweest. Hij bekleedde het ambt van volkstribuun en was een leeftijdsgenoot van de ook in onze eigen tijd nog zeer bekende Gaius Julius Caesar (100-44 voor Christus), die in het proces ook een belangrijke, zij het helaas slecht gedocumenteerde rol zou spelen. Het is dus vrij zeker dat Labienus ten tijde van de moord op Saturninus, Glaucia en hun aanhangers nog niet eens geboren was. Niettemin had de volkstribuun wel een reden om in actie te komen. Onder de slachtoffers van de moorden bevond zich namelijk ene Quintus Labienus, een oom van de aanklager. En hoewel Labienus zijn oom dus nooit gekend zal hebben[7], is het niet zo gek dat hij, eenmaal onderdeel van de Romeinse magistratuur geworden, stappen ondernam tegen de moordenaars van zijn familielid. Volkstribunen traden in de late Republiek regelmatig op als aanklagers in politiek gevoelige processen[8] en het wreken van moorden op familieleden paste goed bij de centrale plaats van de familie in het Romeinse politieke leven. Toch zal er bij Labienus meer meegespeeld hebben dan alleen maar eerwraak. Daarover later meer.

Is de juridische stap van Labienus dus op zichzelf nog wel te verklaren, een tweetal andere zaken is dat veel minder. In de eerste plaats is onduidelijk waarom Rabirius als enige op de korrel werd genomen. Hij werd beschuldigd van betrokkenheid bij de moorden, maar het is niet heel aannemelijk dat hij de laatste nog in leven zijnde verdachte was. Bovendien ontkende Rabirius alles en zal het lastig geweest zijn nog getuigen van de lynchpartij te vinden. Misschien was de bejaarde en weinig invloedrijke senator een bewust uitgezochte zondebok. Omdat hij uit een onaanzienlijk geslacht stamde en vermoedelijk geen hoge ambten had bekleed[9], zou een veroordeling geen belangrijke politieke repercussies gehad hebben.

De Capitolijnse Wolf met Romulus en Remus. Romulus wordt traditioneel beschouwd als de eerste Romeinse koning.

De keuze van het delict is echter zonder meer uitzonderlijk. De tenlastelegging luidde zoals gezegd niet moord, maar hoogverraad. Nu kende het Romeinse strafrecht een betrekkelijk veel voorkomende vorm van (hoog)verraad. Dit delict stond bekend als laesa maiestas, soms kortweg aangeduid als maiestas. Wij herkennen in deze naam nog het delict lèse majesté, oftewel majesteitsschennis. De geschonden majesteit betrof in het Romeinse geval niet de monarch – die bezat de Romeinse Republiek immers al ruim vierhonderd jaar niet meer – maar de majesteit van het Romeinse volk. Voor maiestas was voorzien in een op moderne leest geschoeide strafprocedure, die vermoedelijk nota bene door Saturninus was geïntroduceerd.[10] Zoals dat in veel strafzaken ten tijde van Rabirius’ proces het geval was, vond vervolging plaats voor een quaestio, een rechtbank geleid door een praetor.[11] De praetor zat het proces voor en was bewaker van de procedureregels, maar een jury nam bij gewone meerderheid de beslissing over de schuldvraag.[12]

Labienus toverde echter een stokoud konijn uit de hoge hoed. Hij koos voor het vrijwel in de vergetelheid geraakte delict van perduellio, ook een vorm van hoogverraad tegen de staat. Volgens de overlevering was dit delict al in de koningstijd (753-509 voor Christus) ontstaan. Het precieze verschil met maiestas is onduidelijk, zij het dat perduellio vermoedelijk een veel zwaardere vorm van verraad was. Op het delict stond namelijk onherroepelijk de doodstraf, terwijl lichtere sancties en al dan niet vrijwillige ballingschap bij maiestas tot de mogelijkheden behoorden.

Het proces tegen Rabirius is de enige rechtszaak wegens perduellio waarvan we met zekerheid kunnen stellen dat deze heeft plaatsgevonden. Bij het doornemen van de klassieke bronnen moeten we helaas constateren dat de meeste andere verhalen over perduellio zich afspelen in de koningstijd en in de vroege Republiek, kortom: in de tijd dat de Romeinen nog niet aan geschiedschrijving deden. Voor zover de verhalen al niet compleet verzonnen zijn, zijn ze zeker met de kennis van later herschreven en aangevuld. Een slechte bron is echter beter dan helemaal geen bron. De Romeinse geschiedschrijver Livius leefde in de 1e eeuw voor Christus en beschreef één zeker geval van perduellio[13] en twee mogelijke tijdens de vroegste geschiedenis van Rome. Tevens noemt hij twee mogelijke gevallen van perduellio tijdens de Midden-Republiek. Juist omdat Livius zijn Ab urbe condita schreef enkele tientallen jaren na het proces tegen Rabirius en hij vrijwel zeker kennis droeg van dat proces[14], is het goed om bij de door hem vertelde verhalen stil te staan. Mogelijk kleurde hij deze verhalen in aan de hand van wat hij wist van het proces tegen Rabirius.

4. Het mystieke verleden van het delict perduellio

Strijd tussen de Horatii en de Curiatii. Fresco van Giuseppe Cesari (1568-1640).

De meest uitgebreide beschrijving van een perduellio-proces vinden we in Boek 1 van Livius, dat zich afspeelt in de Koningstijd onder de regering van koning Tullus Hostilius (673-641 voor Christus).[15] De koning is zojuist ten strijde getrokken tegen het naburige Alba Longa. Om onnodig bloedvergieten te voorkomen hebben de legeraanvoerders afgesproken dat de strijd op een klassieke manier zal worden beslecht: drie Romeinen, de broers Horatius, zullen strijden tegen drie Albanen, de broers Curiatius. Wie deze strijd wint, wint de oorlog. In het gevecht speelt Publius Horatius een hoofdrol. Ondanks een 2-0 achterstand – zijn twee broers worden in de strijd gedood – slaagt hij erin al zijn tegenstanders uit te schakelen. Bij terugkeer in de stad wacht hem een warm onthaal. Zijn zuster Horatia is echter in tranen: één van de gedode Curiatii was haar verloofde. Horatius is zo verbolgen dat zijn zuster weent om een gedode vijand, de man die medeverantwoordelijk is voor de dood van haar broers, dat hij haar met zijn zwaard overhoop steekt.

Na zijn gruweldaad wordt Horatius voor de koning gesleept. Die staat voor een lastig dilemma. Enerzijds is sprake van een vreselijke misdaad, maar anderzijds heeft Horatius grote verdiensten jegens de gemeenschap geleverd. De koning besluit een volksvergadering bijeen te roepen. Daarin stelt hij twee mannen – de duumviri – aan die het hoogverraad van Horatius moeten beoordelen volgens een door de koning afgekondigde wet.[16] Die wet is volgens Livius een lex horrendi carminis, wat zoveel wil zeggen als een wet met een verschrikkelijke inhoud (carmen betekent eigenlijk ‘lied’ of ‘formule’). Livius geeft de tekst van de wet verbatim weer:

“Het tweemanschap (duumviri) moet hem schuldig verklaren aan hoogverraad (perduellio). Indien hij beroep aantekent, dient dat beroep (provocatio) behandeld te worden. Als het wordt verworpen, zal men zijn hoofd omhullen, men zal hem met een koord aan een onvruchtbare boom (arbor infelix[17]) binden, men zal hem geselen, ofwel binnen de grenzen van de stad (pomerium) of daarbuiten.”(vertaling: F.H. van Katwijk-Knapp)

De duumviri meenden dat ze op grond van de wet Horatius wel moesten veroordelen, hetgeen ze ook deden. Horatius tekende echter beroep aan bij het volk (i.e. de volksvergadering) en dat beroep was succesvol. Zijn dapperheid in de strijd gaf uiteindelijk de doorslag bij de vrijspraak. Bovendien verklaarde zijn vader dat de moord op zijn dochter terecht was geweest; als hij daar anders over had gedacht, had hij eigenhandig met de autoriteit van een vader zijn zoon gestraft.

Het Forum Romanum anno nu.

Het proces tegen Horatius valt op door het gebruik van (juridische) termen die we ook in het proces tegen Rabirius tegenkomen. Het gaat dan in het bijzonder om de duumviri perduellionis en de nogal raadselachtige arbor infelix, de ‘ongelukkige boom’ waaraan de veroordeelde klaarblijkelijk moest worden opgehangen. Ook het begrip provocatio is van belang. Provocatio was in het Republikeinse Rome een belangrijke rechtswaarborg. Het instrument bood burgers een middel om bij machtsuitoefening (coercitio) door magistraten een beroep op het volk te doen. Bij de uitoefening ervan speelden de volkstribunen een belangrijke rol: zij verleenden de feitelijke bescherming. Het gebruik van de term in het proces tegen Horatius is vrijwel zeker anachronistisch. Hoewel in de historische bronnen wetten betreffende provocatio genoemd worden voor de jaren 509 en 449 voor Christus[18], is het instrument waarschijnlijk pas met de Lex Valeria van 300 voor Christus echt geïntroduceerd.[19] Het recht van provocatio kon overigens bij wet worden uitgesloten. Dit was – vermoedelijk – onder meer het geval bij de reeds besproken quaestiones.

Hoewel het verhaal van Horatius zeer onbetrouwbaar is, zijn de volgende casus die Livius noemt dat nog veel meer. In het geval van Spurius Cassius, de consul van 486 voor Christus, gaat het om de verdeling van land onder arme plebejers en Latijnse bondgenoten door middel van een lex agraria.[20] De consul werd ervan beschuldigd dat hij met deze giften een troon voor zichzelf wilde kopen. Het nastreven van het koningschap (regnum) was een daad die in de nog jonge Republiek met de dood diende te worden bestraft. Livius meldt dat de consul direct na het aflopen van zijn ambtstermijn, toen zijn strafrechtelijke immuniteit kwam te vervallen, werd veroordeeld en terechtgesteld. In één door de geschiedschrijver genoemde traditie werd hij veroordeeld voor perduellio en werd na de executie zijn huis met de grond gelijk gemaakt. Verwarrend is dat in het proces zoals Livius het – overigens zeer summier – beschrijft geen duumviri optreden, maar twee quaestors.[21]

De Tempel van Jupiter Optimus Maximus op de Capitolijn (Capitolijnse Musea, Rome).

Het tweede geval uit de vroege Republiek betreft het verhaal van Marcus Manlius, bijgenaamd Capitolinus.[22] Manlius had veel roem vergaard door in 390 of 387 voor Christus de Capitolijn te verdedigen tegen een horde Kelten die een Romeins leger hadden verslagen en de stad zelf hadden ingenomen. Enkele jaren later trad Manlius op als kampioen van het gewone volk. Hij verzette zich daarbij tegen schuldwetten en schuldslavernij. Daarmee maakte hij zich zo populair dat de gevestigde orde hem als een gevaar ging beschouwen. De beschuldiging van het nastreven van een regnum was gauw genoeg gevonden. In een van de door Livius genoemde tradities wordt Manlius uiteindelijk veroordeeld door de duumviri – daar zijn ze weer – en van de Tarpeïsche rots gegooid. Een wel heel beklagenswaardig lot, aangezien deze rots deel uitmaakt van de Capitolijn die Manlius zo dapper had verdedigd. De arbor infelix ontbreekt hier.

Een derde mogelijk geval van perduellio betreft de voormalige praetor Gnaeus Fulvius Flaccus, die in 212 voor Christus een ernstige nederlaag had geleden tegen de Carthaagse generaal Hannibal. Terwijl zijn mannen werden afgeslacht, was Flaccus het slagveld ontvlucht. Dit laffe gedrag was voor een volkstribuun reden om hem het jaar erop te vervolgen. Hoewel Livius beweert dat de aanklacht perduellio luidde, lijkt er van een échte perduellio-zaak geen sprake te zijn geweest. De duumviri noch de arbor infelix worden genoemd. Bovendien mocht Flaccus in ballingschap gaan.

Het laatste mogelijke geval speelde in 169 BCE. De censors Gaius Claudius Pulcher en Tiberius Sempronius Gracchus hadden ruzie gekregen met een groep equites die werden gesteund door een volkstribuun. Tijdens een verhit debat in de volksvergadering had de censor Pulcher om het woord gevraagd, en de volkstribuun had deze actie geïnterpreteerd als een poging hem het voorzitterschap van de vergadering te ontnemen. Kennelijk kwam dat neer op perduellio, in elk geval volgens de volkstribuun, en wellicht ook volgens Livius, die deze term expliciet gebruikt. Toch worden ook in deze zaak de duumviri noch de arbor infelix genoemd. Wel was de comitia centuriata (de vergadering van de centuriën; zie hieronder) erbij betrokken, wat correct is voor een perduellio-zaak. Niettemin lijkt het wat riskant om de zaak tegen de censors als een goed voorbeeld van perduellio te zien. Overigens werd Pulcher vrijgesproken en werd de aanklacht tegen Gracchus ingetrokken.

5. Het proces tegen Rabirius

Het proces tegen Rabirius moet gereconstrueerd worden aan de hand van bronnen die het slechts summier beschrijven. De bronnen die we voorhanden hebben zijn die van de historici Suetonius (ca. 70-130) en Cassius Dio (ca. 155-na 229).[23] Deze schreven geruime tijd na het proces en besteedden er slechts enkele regels aan. Van het grootste belang is dan ook dat we nog altijd beschikken over het vrijwel volledige pleidooi dat door de raadsman van Rabirius gehouden werd. Die raadsman was niet de eerste de beste. Het betrof namelijk Marcus Tullius Cicero (106-43 voor Christus), de grote redenaar, die ten tijde van het proces ook nog eens consul was. Uit Cicero’s speech kan worden afgeleid dat Rabirius bovendien bijstand ontving van Quintus Hortensius, een andere grote redenaar en een belangrijke advocaat.[24] Cicero geeft ons met zijn rede een uniek inkijkje in het proces, maar uiteraard is hij als advocaat van de beschuldigde niet uit op een objectieve beschrijving van de gang van zaken. Nog afgezien daarvan: hij treedt op als advocaat, niet als geschiedschrijver. Ook Cicero’s Pro Rabirio kan dus niet alle vragen beantwoorden. Een deel van het navolgende moet dus noodgedwongen op betwistbare aannames gebaseerd blijven.

Buste van Cicero (Capitolijnse Musea, Rome).

Zoals gezegd kunnen we de gangmaker achter het proces identificeren als Titus Labienus. Suetonius beschrijft hem als een soort stroman van Caesar en het is inderdaad mogelijk dat beide mannen gezamenlijk bemoeienis hadden met de aanklacht. Daarvoor zijn evenwel alleen indirecte aanwijzingen: Labienus en Caesar hadden beiden gediend onder Publius Servilius Vatia Isauricus, een Romeinse gouverneur in Azië, en zullen elkaar dus redelijk gekend hebben.[25] Labienus zou later als onderbevelhebber (legatus pro praetore) van Caesar in diens Gallische Oorlog dienen en in zijn beroemde verslag van die oorlog noemt Caesar Labienus veel vaker dan andere onderbevelhebbers. De mannen deelden bovendien bepaalde politieke ideeën, waarover later in deze bijdrage meer. Veelzeggend is echter dat in de rede van Cicero de naam Caesar niet één keer voorkomt. Cicero richt zijn pijlen uitsluitend op Labienus.

Gaan we uit van samenspraak tussen Caesar en Labienus, dan is het ronduit verdacht dat juist Caesar als één van de twee duumviri werd aangesteld, en zijn verre neef Lucius Julius Caesar (consul in 64 voor Christus) als de andere. Er zijn in elk geval bronnen die beweren dat de aanstelling van Caesar als duumvir onrechtmatig was. Cassius Dio stelt dat de duumviri hadden moeten worden gekozen door het volk, en niet hadden moeten worden benoemd door een praetor zoals in het proces tegen Rabirius was gebeurd.[26] Erg aannemelijk is dit echter niet, aangezien tegen de uitspraak van de duumviri beroep bij datzelfde volk openstond (zie hierna). Het lijkt niet erg logisch eerst het volk rechters te laten kiezen om een zaak te berechten, en vervolgens bij datzelfde volk beroep in te kunnen stellen. Het is dan ook beter om met Suetonius aan te nemen dat voor de aanstelling van duumviri door de praetor geloot werd[27], waarbij men zich wel kan afvragen of de loting doorgestoken kaart was.

Caesar en zijn neef verklaarden Rabirius schuldig aan perduellio. Vermoedelijk vond geen hoor en wederhoor plaats, zodat van een echt proces geen sprake was.[28] Ook is niet bekend of de duumviri krachtens een (wellicht recent opnieuw vastgestelde) wet handelden, of krachtens welhaast antiek gewoonterecht. De lex horrendi carminis van Livius (zie hiervoor) wordt in de bronnen in elk geval niet genoemd, ook niet in de rede van Cicero. Die rede maakt wel duidelijk welke straf de ongelukkige te wachten stond: net als in het verhaal van Horatius zou sprake zijn van het binden van de handen, het bedekken van het hoofd en ophanging aan een arbor infelix.[29] Vermoedelijk doelt Cicero op de straf van kruisiging. Hij gebruikt in zijn rede namelijk veelvuldig het woord crux, het Latijnse woord voor het kruis, bestaande uit een paal met dwarshout (patibulum), waaraan misdadigers werden vastgenageld. Kruisiging was een zeer ongebruikelijke straf voor Romeinse burgers. Deze werd doorgaans alleen toegepast op niet-Romeinen en slaven.[30] De uitspraak ‘Bedek zijn hoofd, hang hem op aan een vruchteloze boom’ was volgens Cicero ‘al sinds mensenheugenis begraven in de duisternis van de Oudheid en overweldigd door het licht van de vrijheid’.[31]

Een deel van de uitrusting van een soldaat in de triarii, de oudste en meest ervaren soldaten in de legioenen van de Vroege en Midden-Republiek.

Suetonius stelt dat Caesar Rabirius met kennelijk genoegen veroordeelde.[32] Er was echter hoop voor Rabirius. Hij had op grond van de reeds besproken provocatio-wetgeving het recht beroep in te stellen bij de Romeinse volksvergadering. Deze volksvergadering was een complexe staatsinstelling, want zij kon in diverse vormen samenkomen. De twee meest voorkomende vormen waren de comitia centuriata (vergadering van de centuriën) en de comitia tributa (vergadering van de tribus oftewel de ‘stammen’).[33] Volgens de overlevering ging de comitia centuriata terug tot het koningschap van Servius Tullius (578-534 voor Christus).[34] De Romeinse bevolking was ingedeeld in vijf vermogensklassen (classes), plus twee klassen die daarbuiten vielen omdat hun vermogen groter, dan wel te gering was (de equites, respectievelijk de capite censi). De klassen waren onderverdeeld in 193 subeenheden genaamd centuriae. Met de indeling in klassen waren de censors belast, wier taak het was de waarde van het bezit van de burgers vast te stellen.

Deze vorm van de volksvergadering had oorspronkelijk een sterk militair karakter. Dit blijkt uit meerdere zaken. Zo kwam zij samen op het veld van de oorlogsgod Mars (de Campus Martius)[35], werd zij soms ‘het leger’ (exercitus) genoemd en waren er aparte centuriae voor timmerlieden, hoornblazers en trompetters, die in het leger belangrijke functies vervulden. Een eenheid van ca. 60-80 soldaten in het Romeinse leger werd overigens ook een centurie genoemd. Oorspronkelijk had het begrip een duidelijke connectie met het Latijnse woord voor honderd (centum), maar die band was in de Late Republiek zeer los geworden. Dat gold voor het leger, maar helemaal voor de comitia centuriata. De centuriae bestonden uit duizenden mannelijke burgers, waarbij ten tijde van het proces tegen Rabirius de hoogste vermogensklasse samen met de klasse van de equites over 88 van de 193 centuriae beschikte, al bijna genoeg voor een meerderheid. Daarentegen waren de bezitlozen – de capite censi, oftewel de mensen die niet op basis van bezit, maar op basis van hun hoofden werden geteld – samengevoegd in één enkele centurie.

Binnen de comitia centuriata lag de macht dus bij de bezittende klassen. De oorspronkelijke gedachte daarachter is waarschijnlijk dat op degenen die het meeste bezaten, ook de zwaarste militaire verplichtingen werden gelegd. Zij hadden in een oorlog het meeste te verliezen en waren bovendien financieel in staat zich voor die oorlog uit te rusten. In het vroeg-Republikeinse leger gold namelijk dat iedere soldaat geacht werd zijn eigen uitrusting mee te nemen. Die werd niet door de Staat beschikbaar gesteld. De zwaardere verplichtingen voor de rijkere burgers rechtvaardigden dat zij ook meer politieke invloed hadden.

Legioensoldaten uit de tijd van de Republiek, eind tweede eeuw BCE (foto: Jastrow).

Het Romeinse leger was dus oorspronkelijk een soort – uiterst professioneel opgezette – burgermilitie. Ten tijde van het proces tegen Rabirius was de situatie echter radicaal veranderd. Het leger bestond toen al grotendeels uit soldaten die uit de laagste sociale klassen waren gerekruteerd en die vanwege gebrek aan toekomstperspectief en uit lust voor avontuur voor een carrière in het leger hadden gekozen.[36] De Staat zorgde voor hun wapens en andere uitrusting. Burgers uit de hoogste vermogensklassen dienden eigenlijk alleen nog maar in staffuncties of als bevelhebbers. De zwaarste militaire verplichtingen rustten dus allang niet meer op hen, maar klaarblijkelijk bestond in de conservatieve Romeinse samenleving behoefte aan handhaving van een instituut waarin verdienste, rijkdom en ook leeftijd[37] een dominante rol speelden. Het belang van de comitia centuriata lag vooral in de verkiezing van de hoogste magistraten: de praetors, de consuls en censors. Sporadisch was deze volksvergadering ook met andere taken belast. Klaarblijkelijk werden ook beroepen in perduellio-zaken door haar behandeld, zoals blijkt uit de zaak tegen Rabirius.[38] Een oude zaak betreffende een archaïsch delict voor een instantie uit de Koningstijd, passender kan het bijna niet.

Stemmen ging in de comitia centuriata per centurie, waarbij de hogere klassen eerst stemden en de stemming stopte zodra een meerderheid van de 193 was behaald.[39] Volgens de bronnen zou Rabirius zeker ook in beroep zijn veroordeeld[40], ware het niet dat er zich een vreemd incident voordeed. De praetor Quintus Caecilius Metellus Celer, wiens rol bij het proces onduidelijk is[41], trachtte klaarblijkelijk de volksvergadering te beïnvloeden door erop te wijzen dat het proces in strijd met de gewoonte werd gehouden, waarbij de precieze aard van de beweerde schending onduidelijk is. Toen niemand naar hem luisterde rende hij nog vóór de stemming begon de Janiculum op, een heuvel aan de andere zijde van de Tiber, en haalde een militaire vlag (vexillum) neer die daar altijd gedurende een vergadering van de comitia centuriata wapperde.

Stadsmuren van Rome. De zogenaamde Muren van Servius Tullius uit de vierde eeuw BCE zijn wit/grijs. De Aureliaanse Muren uit de derde eeuw CE zijn bruin.

Voor de reden hiervoor moeten we weer terug naar het van oorsprong militaire karakter van deze volksvergadering. Het Campus Martius lag oorspronkelijk buiten de stad en als de Romeinse volksvergadering daar samenkwam, was de stad enige tijd zonder verdediging en daardoor kwetsbaar. In de koningstijd en vroege Republiek was Rome nog omringd door vijanden, en daarom werden burgers geacht altijd gewapend ter volksvergadering op het Marsveld te verschijnen, terwijl tevens wachtposten op de Janiculum werden gestationeerd om te voorkomen dat een naderende vijand die zou bezetten en van daaruit de stad zou kunnen bedreigen. Zolang bij de wachtposten een rode vlag wapperde, kon de volksvergadering besluiten nemen. Werd de vlag echter gestreken, dan was de stad in gevaar en diende de vergadering ontbonden te worden. Zo ook nog in de dagen van het proces tegen Rabirius. Met de interventie van Metellus Celer kwam een einde aan het proces. Hoewel Labienus een nieuwe aanklacht had kunnen indienen, zag hij daar vanaf.[42]

6. Het proces en de motieven

Het proces tegen Rabirius roept vele vragen op, waarvan het merendeel niet meer beantwoord kan worden. Gesteld dat Labienus en Caesar inderdaad samenwerkten, wat waren dan hun motieven om een veroordeling van Rabirius te begeren? Zoals gezegd was een oom van Labienus tijdens de afrekening met Saturninus omgebracht, maar zelfs in een maatschappij waarin familiebanden uiterst belangrijk waren, lijkt dit een wel erg mager motief. Het is bovendien geen motief voor Caesar, die nota bene een neef was van de Marius die tegen Saturninus was opgetreden.[43] Nu moet direct worden opgemerkt dat bij de beweerde openlijke partijdigheid van Caesar als duumvir wel vraagtekens kunnen worden geplaatst. Suetonius mag dan stellen dat de vooringenomenheid van Caesar de ‘voornaamste troef’ van Rabirius was toen hij beroep instelde op het volk[44], maar daar blijkt niets van uit de rede van Cicero. Daarin wordt enkel Labienus aangevallen. Nu is dat in zekere zin logisch, want Labienus was de aanklager en daarmee formeel de tegenstander van advocaat Cicero in het proces voor de comitia centuriata. Bovendien is het mogelijk dat de andere advocaat van Rabirius, de reeds genoemde Quintus Hortensius, de partijdigheid van de duumvir had aangekaart.[45] We weten echter niets zeker.

Het Senaatsgebouw – de Curia – op het Forum Romanum.

Bij de nu volgende poging enige helderheid te scheppen over de motieven wordt er veronderstellenderwijs vanuit gegaan dat zowel Labienus als in diens kielzog Caesar politiek belang hadden bij schuldigverklaring van Rabirius in een proces voor het volk. We moeten ons hierbij eerst een voorstelling maken van het gepolariseerde Romeinse politieke landschap van de eerste eeuw voor Christus. Het oude Rome kende geen politieke partijen in de moderne zin van het woord. De Romeinse politiek was sterk candidate-centered en draaide om individuele politici, hun familieleden en cliënten en de allianties tussen individuen en families die vaak een sterk ad hoc karakter hadden.[46] Toch waren er in zekere zin wel stromingen te onderscheiden en groepen politici die bepaalde idealen deelden. Hier stonden in de late Republiek de populares tegenover de optimates. De populares kwamen vooral op voor de belangen van het volk als geheel. Zij deden dit door het indienen van voorstellen voor landwetten en voor wetten die de uitdeling van graan regelden, of door het verdedigen van volksvrijheden en rechten door wetgeving over provocatio en geheime stemmingen. Een gemeenschappelijk kenmerk van alle populares was het direct gebruik maken van de volksvergadering om wetten te maken, dus zonder voorafgaande instemming van de Senaat te krijgen of zelfs te vragen (een handelwijze die overigens volstrekt legaal was). Logischerwijs bestond de groep van de optimates dan uit mensen die tegen al het voorgaande waren. De optimates waren de conservatieven en als zodanig uit op handhaving van de status quo.

Het is aannemelijk dat de Senaat ten tijde van het proces tegen Rabirius overwegend conservatief was samengesteld. Dit was het gevolg van de hervormingen van de dictator Sulla (138-78 voor Christus). Deze had in 81 voor Christus de Romeinse constitutie hervormd. Bij deze hervormingen was de macht van de Senaat sterk uitgebreid ten koste van die van de volksvergadering en de volkstribunen. Terwijl het aantal senatoren door de benoeming van zo’n 300 aanhangers van Sulla werd verdubbeld tot ca. 500-600 leden en de invloed van senatoren op de rechtspraak werd versterkt, werd het volkstribunaat gekortwiekt. Volkstribunen mochten voortaan geen wetsvoorstellen meer indienen, geen vervolgingen meer instellen en geen hogere ambten meer bekleden na het tribunaat. Het ambt werd daardoor onaantrekkelijk. Omdat men senator voor het leven was, is het erg waarschijnlijk dat in 63 voor Christus nog veel aanhangers van Sulla in de Senaat zaten en dat de conservatieven in de meerderheid waren.

Buste van een man die waarschijnlijk Sulla voorstelt.

Al vrij snel na de dood van Sulla was er echter een tegenbeweging op gang gekomen. Een Lex Aurelia uit 75 voor Christus bepaalde dat volkstribunen voortaan na hun tribunaat weer andere, hogere ambten mochten bekleden. Vijf jaar later draaide een andere Lex Aurelia een deel van Sulla’s rechtbankhervormingen terug en verminderde de macht van de senatoren in jury’s. Volkstribunen mochten voortaan ook weer wetgeving aanhangig maken. Bij deze ontwikkelingen moet overigens worden opgemerkt dat van een strijd tussen ‘de Senaat’ en ‘het volk’ geen sprake was. Veeleer was er sprake van een ‘power struggle’ binnen de Romeinse aristocratie en binnen de Senaat, waarbij progressieve senatoren via de volksvergadering hun plannen trachtten te verwezenlijken en meer conservatief georiënteerde collega’s dat probeerden te verhinderen. Eerder in deze bijdrage is reeds gewezen op de rol die volkstribunen van verschillende achtergronden hierbij speelden.

Caesar en Labienus behoorden tot de populares. Caesar was reeds jong door hun gedachtegoed – voor zover men van een coherent gedachtegoed kan spreken – beïnvloed. Caesar was zoals reeds opgemerkt een neef van Marius, de felste tegenstander van Sulla.[47] Bovendien was hij via zijn moeder Aurelia verbonden met de gens Aurelia, de clan waaruit de politici voortkwamen die hun naam verbonden aan de zojuist genoemde Leges Aureliae. Zoals gezegd leunden de populares sterk op de volksvergadering om hun doelen te verwezenlijken. In zekere zin kan het proces tegen Rabirius worden gezien als een test van de verhouding tussen volksvergadering en Senaat. Alles draait hier om de precieze (juridische) betekenis van een bijzonder type Senaatsbesluit, het senatus consultum de re publica defendenda, beter – maar niet geheel terecht – bekend als het senatus consultum ultimum, het ‘laatste besluit’.

De beroemde volkstribuun Gaius Gracchus, illustratie van Silvestre David Mirys (1742-1810).

Het genoemde senatus consultum was een instrument dat vanaf 121 voor Christus langzaam tot ontwikkeling was gekomen.[48] In genoemd jaar oordeelde de Senaat dat de activiteiten van de voormalige volkstribuun Gaius Sempronius Gracchus een gevaar voor de Republiek vormden en droeg hij de consuls en andere magistraten op alle noodzakelijke maatregelen te nemen om dit gevaar te keren. De consul Opimius had daarop de wapens opgenomen en in het geweld dat volgde, had Gracchus het leven gelaten tezamen met 3.000 van zijn volgelingen.[49] Normaal gesproken was het doden van burgers zonder rechterlijk oordeel of uitspraak van het volk in strijd met de provocatio-wetten en dus illegaal. Opimius werd vervolgd, maar in een controversiële rechtszaak vrijgesproken. In de daarop volgende jaren werd een senatus consultum de re publica defendenda steeds meer een middel dat de Senaat, gesterkt door deze vrijspraak, inzette bij binnenlandse bedreigingen van de Staat.

Het instrument was eigenlijk altijd omstreden. Strikt genomen kon de Senaat, zijnde een adviescollege, immers alleen aanbevelingen doen. De politieke macht van dit staatsorgaan was echter zeer groot en zelfs een popularis als Caesar erkende de bevoegdheid van de Senaat het besluit uit te vaardigen, zij het dat hij bij diverse gelegenheden betoogd heeft dat de omstandigheden in een specifieke casus er niet naar waren om het besluit te nemen. Dat deed hij bijvoorbeeld enkele maanden nadat het proces tegen Rabirius beëindigd was. De consul Cicero maakte toen een einde aan de zogenaamde Catilinarische samenzwering. Nadat de Senaat eind oktober het senatus consultum de re publica defendenda had uitgevaardigd, liet Cicero in november enkele handlangers van Catilina, een patricische popularis die financieel aan de grond zat en een revolutie zou plannen, arresteren en onder huisarrest plaatsen. Daarna vond een debat in de Senaat plaats en werden de samenzweerders geëxecuteerd zonder vorm van proces.[50] Caesar had zich verzet tegen deze terechtstellingen: de samenzweerders waren immers gearresteerd en vormden dus niet langer een gevaar. Het senatus consultum de re publica defendenda kon niet langer als rechtvaardiging voor schending van hun recht op leven dienen.

Cicero tegen Catilina, door Cesare Maccari (1840-1919).

Iets soortgelijks speelde in de zaak tegen Rabirius. Ook in 100 voor Christus had de Senaat een senatus consultum ultimum aangenomen en vrijwel alle magistraten – met uitzondering uiteraard van Saturninus en Glaucia – opgeroepen ut imperium populi romani maiestasque conservaretur.[51] Kon op grond hiervan de moord op een onschendbare volkstribuun gerechtvaardigd worden? Complicerende factor was dat aan de rebellen een vrijgeleide zou zijn beloofd en dat ze reeds opgesloten waren, net zoals dat later met de Catilinarische samenzweerders het geval zou zijn.[52] Hiervoor is reeds gesteld dat bij vervolging wegens een delict als laesa maiestas de zaak door een jury beoordeeld zou worden. Bij perduellio werd de zaak echter voorgelegd aan de volksvergadering. Dat gaf een mooie gelegenheid om door middel van een volksuitspraak de scherpe kantjes van het senatus consultum de re publica defendenda af te slijpen en de soevereiniteit van het Romeinse volk over de Senaat te bevestigen.[53] Een veroordeling zou immers betekenen dat het Senaatsbesluit geen rechtvaardigingsgrond voor de moorden opleverde en dat zelfs een senatus consultum ultimum geen afbreuk kon doen aan het recht op provocatio. Het feit dat klaarblijkelijk de comitia centuriata, waarin de welgestelden meer politieke invloed hadden, bereid was Rabirius te veroordelen, is een indicatie dat veel vooraanstaande Romeinen sympathie voor de motieven van de aanklagers hadden,  waarbij we ons overigens wel moeten bedenken dat van de honderdduizenden stemgerechtigde Romeinse mannen maar een klein deel daadwerkelijk op kwam dagen. Dat Labienus niet opnieuw vervolging instelde, geeft wel aan dat de aanklagers niet in de eerste plaats op een veroordeling uit waren.

7. Tot besluit

In deze bijdrage is gepoogd aan de hand van onvolledige bronnen het politieke proces tegen de Romeinse senator Gaius Rabirius te reconstrueren. Dat het een politiek proces was, is wel zeker. De rechtspraak gebruiken om op deze wijze, ten koste van een bejaarde man, politieke motieven te verwezenlijken, is wel een zeer extreme vorm van ‘rechterlijk activisme’! Wat de werkelijke motieven van Caesar en Labienus waren, zal voor altijd onduidelijk blijven. Voor de redenen waarom Metellus Celer de vlag op de Janiculum liet strijken, geldt hetzelfde. Hun motieven liggen, om met Cicero te spreken, ‘al sinds mensenheugenis begraven in de duisternis van de Oudheid’ en zullen daar vermoedelijk voor eeuwig blijven rusten.

Deze bijdrage is een bewerkte en aangevulde versie van een artikel dat eerder verscheen in de bundel ‘Rechterlijk activisme. Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.A. Peters’ (2011).

Noten

[1] Daarover Livius 2.32-2.33.

[2] Zie voor de bevoegdheden van volkstribunen verder A. Lintott, The Constitution of the Roman Republic, Oxford: Clarendon Press 1999, p. 121-128.

[3] Terwijl dit formeel wel hun taak was. Aldus bijvoorbeeld de Griekse auteur Polybius, die tussen 167 en 150 voor Christus in Rome verbleef en een beschrijving van de Romeinse constitutie naliet. Zie Polybius, Wereldgeschiedenis 6.16.

[4] Zie voor een beschrijving van het leven van Saturninus Plutarchus, Leven van Marius 11 en 29-30, en Appianus, Bellum civile 1.28-1.33. Zie tevens Matyszak, Chronicle of the Roman Republic, Londen: Thames & Hudson 2003, p. 146-149.

[5] Het betrof Quintus Caecilius Metellus Numidicus, die als censor had getracht Saturninus en Glaucia aan te pakken. De sanctio was volgens de bronnen ook op hem gericht, omdat de opstellers van de wet wisten dat Numidicus de eed zou weigeren. Aan de senator werd ‘vuur, water en onderdak’ ontzegd, de gebruikelijke benaming voor verbanning. De consul Marius zwoer wel een eed op de wet, ‘voor zover deze een wet was’. De wet was vermoedelijk ongeldig, aangezien tijdens de aanneming ervan donder was gehoord – een slecht voorteken kon een wet ongeldig maken – en er bovendien sprake was van politiek geweld voorafgaand aan de stemming. Mede als gevolg van de gebeurtenissen rond Saturninus werd in 98 voor Christus een Lex Caecilia Didia aangenomen die de Senaat de bevoegdheid gaf wetten te annuleren indien zij met schending van procedurevoorschriften tot stand waren gekomen. Daaronder vielen ook slechte voortekenen en het gebruik van geweld.

[6] 10 december 100 voor Christus.

[7] Aldus ook Cicero, Pro Rabirio Perduellionis Reo 14.

[8] Lintott, p. 122

[9] Geen enkele telg uit de gens Rabiria heeft ooit het consulaat bekleed.

[10] Zie voor deze Lex Appuleia de maiestate Matyszak, p. 147.

[11] Lintott, p. 151. Er waren bijvoorbeeld rechtbanken voor delicten als ambitus (electorale corruptie; ons woord ‘ambitie’ is er van afgeleid), repetundae (het uitknijpen van provinciebewoners door gouverneurs van die provincies) en sicarii (struikrovers).

[12] Lucius Cornelius Sulla hervormde als dictator in 81 BC de rechtbanken. Juryleden werden enkel uit de senatorenstand gerekruteerd en jury’s werden kleiner gemaakt. Sulla’s hervormingen werden door de Lex Aurelia van 70 voor Christus weer ongedaan gemaakt, en in de laatste jaren van de Republiek zien we senatoren, ridders (equites, de stand onder de senatoren) en tribuni aerarii (een nogal schimmige groep die weer onder de ridders stond) als juryleden optreden, in jury’s van soms meer dan 50 leden.

[13] Waarmee ik bedoel dat het zeker is dat het in het verhaal om perduellio gaat, niet dat het zeker is dat het verhaal op waarheid berust.

[14] Van Livius werk, 142 boeken, is slechts ongeveer een derde bewaard gebleven. Het gehele werk bestreek een periode die liep van de stichting van de stad in 753 voor Christus tot aan de regering van keizer Augustus, die in 14 na Christus stierf. Het boek waarin het proces tegen Rabirius zou kunnen zijn beschreven, is verloren gegaan.

[15] Livius 1.25-1.26.

[16] Onduidelijk is waarom de moord een geval van hoogverraad opleverde. Het zou mede te maken kunnen hebben met het feit dat binnen een Romeinse familia alleen de pater familias, in dit geval de vader van Horatius, over leven en dood van gezinsleden kon beschikken. Schending van de rechten van de pater familias was in elk geval zeer ernstig.

[17] Letterlijk: ongelukkige boom.

[18] Zie Livius 2.8 en 3.55.

[19] Livius 10.9.

[20] Zie Livius 2.41. Volgens Livius de eerste in de Romeinse geschiedenis. Men herinnere zich dat Saturninus met een soortgelijke wet kwam.

[21] Dit zijn magistraten met voornamelijk financiële taken en verantwoordelijkheden. Mogelijk is sprake van een corrupte tekst en stond er oorspronkelijk quaesitores (gerechtelijke onderzoekers).

[22] Zie Livius 6.20.

[23] Zie Suetonius, Julius Caesar 12 en Cassius Dio, Romeinse geschiedenis 37.26-37.27.

[24] Cicero, Pro Rabirio 18.

[25] Zie o.a. Cicero, Pro Rabirio 21.

[26] Cassius Dio, Romeinse geschiedenis 37.27.

[27] Suetonius, Julius Caesar 12.

[28] Cicero, Pro Rabirio 12.

[29] Cicero, Pro Rabirio 13.

[30] Denk aan de kruisiging van Christus en de kruisiging van 5.000 slaven (volgens Plutarchus) na het neerslaan van de opstand van Spartacus in 71 voor Christus.

[31] Cicero, Pro Rabirio 13. Rabirius liep vermoedelijk, net als Publius Horatius, tevens het gevaar gegeseld te worden. Geseling van Romeinse burgers was expliciet verboden door een Lex Porcia (2e eeuw voor Christus), maar in Pro Rabirio 11 stelt Cicero dat ‘deze genadige man (Labienus) de gesel heeft teruggebracht’. Zie tevens Pro Rabirio 16.

[32] Suetonius, Julius Caesar 12.

[33] Bij de laatste vergadering kon weer sprake zijn van een vergadering van het gehele Romeinse volk, patriciërs en plebejers (populus Romanus) of van alleen het plebs (plebs Romana). In het laatste geval werd van het concilium plebis gesproken. Sinds de Lex Hortensia van 287 voor Christus werden plebiscita gelijk gesteld aan wetten (leges). Zij hadden dezelfde rechtskracht. Niet besproken wordt hier de comitia curiata, een vorm van de volksvergadering met een voornamelijk ritueel karakter. Deze hield zich als comitia calata onder meer bezig met de aanstelling van Vestaalse Maagden, het inwijden van priesters en het opmaken van testamenten. De comitia curiata besliste voorts over adopties en stelde een lex curiata op waarmee de verkiezing van een magistraat werd bekrachtigd. De precieze betekenis van zo’n wet is overigens obscuur. Zie Lintott, p. 49.

[34] Livius 1.42-1.43.

[35] De in noot 33 genoemde comitia tributa kwam daarentegen doorgaans samen op het Forum, bijvoorbeeld op het plein voor het Senaatsgebouw (ook comitia geheten) of de open ruimte voor de tempel van Castor en Pollux.

[36] Ten tijde van de eerste Romeinse keizer, Augustus (die regeerde van 27 voor Christus tot 14 na Christus) zou een echt beroepsleger worden gecreëerd.

[37] De centuriae waren verdeeld tussen iuniores (17-46 jaar) en seniores (46 jaar en ouder). Laatstgenoemde centuriae waren gezien het geringere aantal senioren kleiner van omvang. Omdat per centurie werd geteld (een systeem van ‘one man, one vote’ was onbekend) hadden ouderen meer invloed.

[38] De comitia centuriata nam in 57 voor Christus tevens een wet aan op grond waarvan de een jaar eerder verbannen Cicero mocht terugkeren. Zie Cicero, Brieven, nr. 20.

[39] Met als gevolg dat de stemmen van de lagere vermogensklassen niet altijd relevant waren en bij het reeds bereiken van een meerderheid ook niet meer uitgebracht hoefden te worden.

[40] Cassius Dio, Romeinse geschiedenis 37.27.

[41] Vermoedelijk zat hij het in elk geval niet voor. Labienus zat het proces overigens ook niet voor, want volkstribunen konden alleen vergaderingen van het plebs voorzitten, niet van het hele Romeinse volk. Labienus bepaalde als aanklager klaarblijkelijk wel de spreektijden, ook van de verdediging. Cicero kreeg slechts een half uur voor zijn pleidooi en was daarmee duidelijk niet tevreden (Cicero, Pro Rabirio 6 en 9).

[42] Cassius Dio, Romeinse geschiedenis 37.28.

[43] Marius was getrouwd met Julia, een zus van Caesars vader. Zie A. Goldsworthy, Caesar, Londen: Phoenix 2007, p. 40.

[44] Suetonius, Julius Caesar 12.

[45] Vgl. Cicero, Pro Rabirio 18.

[46] Een politieke alliantie werd vaak beklonken met een huwelijk. Zo trouwde Pompeius met de dochter van Caesar, Julia, om politieke redenen. Caesar verbrak daarvoor haar verloving met een andere Romeinse edelman. Overigens kon een huwelijk ook weer om politieke redenen ontbonden worden. Het percentage echtscheidingen onder de Romeinse aristocratie was tegen het einde van de Republiek zeer hoog.

[47] Marius had in 88 voor Christus de volksvergadering gebruikt om Sulla een militair commando te ontnemen. Dit commando was door de Senaat aan Sulla gegeven, maar op voorstel van de volkstribuun Publius Sulpicius Rufus was het aan Marius toegekend. Voor een deel kan dit de haat van Sulla jegens het volkstribunaat verklaren. Zie Plutarchus, Leven van Sulla en Leven van Marius.

[48] Zie uitgebreider Lintott, p. 88-93.

[49] Plutarchus, Leven van Gaius Gracchus, 14-17.

[50] De Senaat zelf was uiteraard geen rechtbank.

[51] Vgl. Cicero, Pro Rabirio 20.

[52] Cicero claimt overigens in Pro Rabirio 28 dat alleen de Senaat een vrijgeleide kon geven, maar dit lijkt weinig aannemelijk. De opmerking moet in elk geval bezien worden tegen de achtergrond van Cicero’s voorkeur voor een sterk Senatoriaal gezag.

[53] Vgl. Goldsworthy, p. 150. In de rede van Cicero valt de beschuldiging te lezen dat het de aanklagers te doen was om het verminderen van de macht van de Senaat. Zie Pro Rabirio 20.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.