Gaius Gracchus: De Jaren 122-121 BCE

Het Forum Romanum anno nu.

Samenvatting

  • De volksvergadering neemt de Lex Sempronia de provinciis consularibus aan, een wet die bepaalt dat de Senaat de consulaire provincies selecteert voordat de consuls zelf worden gekozen (122 BCE);
  • Gaius Gracchus krijgt een nieuwe tegenstander in de volkstribuun Marcus Livius Drusus (122 BCE);
  • Het voorstel van Gaius Gracchus om burgerrecht toe te kennen aan de Latijnse en Italiaanse bondgenoten stuit op een veto (122 BCE);
  • De volksvergadering neemt de Lex Rubria aan, een wet die opdracht geeft tot het stichten van een kolonie in Afrika op de plek waar voorheen Carthago lag; Gracchus is een van de triumviri die naar Afrika worden gestuurd om de grenzen van Colonia Junonia te trekken (122 BCE);
  • Gracchus wordt niet herkozen als volkstribuun (122 BCE);
  • De Allobroges voeren met hulp van de Salluvii raids uit tegen de Aedui, hetgeen leidt tot een Romeinse interventie (122 BCE);
  • De nieuwe consul Lucius Opimius wil het grootste gedeelte van de wetgeving van Gracchus weer afschaffen (121 BCE);
  • Tijdens een handgemeen op de Capitolijn wordt een van de dienaren van Opimius gedood door aanhangers van Gracchus (121 BCE);
  • De Senaat geeft de consul opdracht de res publica te beschermen (121 BCE);
  • Gracchus en zijn aanhangers verschansen zich op de Aventijn (121 BCE);
  • Opimius valt Gaius Gracchus en zijn aanhangers aan en jaagt ze uiteen; Gracchus en zijn bondgenoot Marcus Fulvius Flaccus vinden de dood en worden onthoofd; daarna vervolgt Opimius hun aanhangers en laat velen van hen zonder enige vorm van proces terechtstellen (121 BCE);
  • De Senaat geeft Opimius opdracht om de Tempel van Concordia op het Forum Romanum te herstellen (121 BCE);
  • Quintus Fabius Maximus en Gnaeus Domitius Ahenobarbus verslaan de Allobroges en Salluvii in Zuid-Gallië; aan beiden wordt een triomftocht toegekend (121 BCE);
  • De Romeinen creëren de provincie Gallia Transalpina (ca. 121 BCE).

Het lijkt erop dat de tweede termijn van Gaius Gracchus als volkstribuun in 122 BCE wat minder succesvol was dan zijn eerste. Toch slaagde hij erin nog meer wetgeving door de volksvergadering te krijgen en een deel van de nieuwe wetten was van groot belang. Gracchus diende bijvoorbeeld een voorstel in voor een Lex Sempronia de provinciis consularibus. Deze wet bepaalde dat de Senaat de provincies voor de nieuwe consuls moest selecteren vóórdat de consuls werden gekozen. Op deze manier koos de Senaat in feite de belangrijkste oorlogstonelen voordat de senatoren wisten wie de militaire bevelhebbers zouden zijn. Vervolgens verdeelden de consuls de provincies op basis van een onderlinge afspraak of door loting. Dit wetsvoorstel werd zonder problemen aangenomen, maar er waren ook nederlagen.

Gracchus vs. Drusus

Uitrusting van een soldaat uit Picenum. De Piceni waren Romeinse bondgenoten en dienden in de Romeinse legers. De beroemde generaal en staatsman Gnaeus Pompeius kwam uit Picenum.

Conservatieve elementen in de Senaat hadden een andere volkstribuun in stelling gebracht. Diens activiteiten vormden een ernstige bedreiging voor die van Gracchus. De naam van deze volkstribuun was Marcus Livius Drusus. Drusus hakte niet alleen met de botte bijl door van zijn vetorecht gebruik te maken, zoals Marcus Octavius bij Tiberius Gracchus, de broer van Gaius, had gedaan. Integendeel, hij kwam ook met alternatieven voor de plannen van Gaius, alternatieven die ofwel populairder ofwel gematigder waren. Deze strategie werkte heel goed, zoals moge blijken uit de volgende casus. Gracchus had voorgesteld volledig Romeins burgerrecht toe te kennen aan de Latijnse bondgenoten. De burgers van de Latijnse gemeenschappen en kolonies hadden op dat moment al een aantal privileges. Zo mochten ze trouwen met Romeinen en tevens, als ze toevallig in Rome waren, meestemmen in de vergadering van de tribus (het lijkt erop dat ze tijdelijk werden toegevoegd aan een van de 35 tribus; zie 212 BCE voor een voorbeeld). Ze mochten zich echter niet kandidaat stellen bij de verkiezingen voor openbare ambten.

Gracchus wilde daar verandering in brengen: de Latijnen, de oudste bondgenoten van de Romeinen, moesten volwaardige Romeinse burgers worden. Zijn plan had tevens betrekking op de Italiaanse bondgenoten. Het is niet helemaal duidelijk of hij die ook volledig Romeins burgerrecht wilde toekennen of slechts de Latijnse status en een beperkt stemrecht. Het doet er ook niet veel toe: net als het eerdere voorstel van zijn bondgenoot Marcus Fulvius Flaccus (de consul van 125 BCE) bleek zijn plan zeer impopulair te zijn, vooral bij de optimates in de Senaat. Gracchus raakte ook de steun van Gaius Fannius kwijt, die eerder nog een bondgenoot was geweest, en zijn wetsvoorstel over het burgerrecht stuitte op een veto van Drusus. Toen Gaius voorstelde twee nieuwe kolonies te stichten, ging Drusus daar overheen met een voorstel voor twaalf kolonies, waarbij naar ieder daarvan 3.000 arme Romeinse burgers moesten worden gestuurd. Drusus had de steun van de meerderheid van de senatoren en – nog belangrijker – werd gezien als een eerlijke man, die – heel anders dan Gracchus – nooit zijn eigen belangen leek te dienen, maar altijd die van het volk voor ogen had. De populariteit van Drusus werd nu snel groter dan die van Gracchus.

Etruskische Juno (Villa Giulia, Rome).

Vervolgens nam de volksvergadering een controversieel voorstel aan dat was ingediend door de volkstribuun Gaius Rubrius, een collega van Gracchus. De Lex Rubria bepaalde dat er een Romeinse kolonie moest worden gesticht op de plek waar eerder nog Carthago stond, de voormalige aartsvijand van Rome die in 146 BCE verwoest was. Het land was hier vruchtbaar, en het hele project om op deze plek een kolonie te stichten bewijst wel dat de Romeinen nooit de grond met zout hadden geploegd, zoals een stompzinnige mythe beweerde. De gebruikelijke commissie van drie werd ingesteld om toezicht te houden op de stichting. Gaius Gracchus en zijn vriend en bondgenoot Flaccus werden tot triumviri agris dandis adsignandis benoemd. Gracchus verliet daarop Rome en voer naar Afrika toe. De nieuwe kolonie werd Colonia Junonia gedoopt (naar de godin Juno) en Gracchus en zijn collega’s markeerden de grenzen van de stad. Er zouden daar zo’n 6.000 mensen gehuisvest worden.

Het einde van Gaius Gracchus

De nieuwe kolonie was geen succesverhaal. Bijgelovige Romeinen meenden dat de locatie vervloekt was omdat Carthago daar ooit had gestaan. Al snel deden geruchten de ronde dat wolven de tekens hadden vernield waarmee de grenzen van de kolonie waren aangegeven. De augures zagen hier een slecht voorteken in. Na 70 dagen in Afrika keerde Gracchus naar Rome terug. Net als de meeste Romeinse edellieden woonde hij op de Palatijn, maar nu besloot hij te verhuizen naar een woning dichter bij het Forum Romanum, zodat hij tussen de armere Romeinen kon leven. In de zomer van 122 BCE voerde hij actief campagne om voor de derde maal tot volkstribuun verkozen te worden. Zijn poging mislukte echter: hij werd niet herkozen. Plutarchus beweert dat dit kwam door flagrante stembusfraude.

Jupiter, in de gedaante van een adelaar, ontvoert Ganymedes.

Op 1 januari 121 BCE traden de nieuwe consuls aan. Een van hen was Lucius Opimius, de man die in 125 BCE de opstandige Latijnse kolonie Fregellae had verwoest. Opimius stond duidelijk aan de kant van de optimates en deinsde niet terug voor het gebruik van geweld. De nieuwe consul was daarnaast vastbesloten een groot deel van de wetgeving van Gaius Gracchus terug te draaien, waaronder de wet over een kolonie bij Carthago. Met dat doel riep Opimius de volksvergadering bijeen op de Capitolijn, maar Gracchus was niet van plan lijdzaam toe te zien hoe zijn levenswerk door één man met een enkele daad tenietgedaan zou worden. Samen met zijn vriend Marcus Fulvius verzamelde hij een schare aanhangers, waarvan er nog steeds honderden of zelfs duizenden waren. Samen rukte ze op naar de Capitolijn. Daar brak een handgemeen uit, waarbij een van de dienaren van de consul – een plebejer genaamd Quintus Antyllius – werd doodgestoken met een mes of een schrijfstift. Er had die dag nog veel meer bloed kunnen vloeien, maar volgens Plutarchus dreef een hevige regenbui de vergadering uiteen.

Het geweld verschafte de optimates in de Senaat en Opimius een excuus om in te grijpen. De consul kreeg de opdracht de staat te beschermen, en de voor deze opdracht gebruikte formule was waarschijnlijk al consul videret ne quid res publica detrimenti caperet. Anders dan zijn voorganger Scaevola, die had geweigerd gewapenderhand op te treden tegen Tiberius Gracchus en zijn aanhangers, was Opimius maar al te zeer bereid om geweld te gebruiken tegen Gaius Gracchus en de zijnen. De consul zette hiervoor geen Romeinse soldaten in; het lijkt erop dat hij vooral vertrouwde op groepen gewapende cliënten van senatoren en equites, aangevuld met ingehuurde eenheden Kretenzische boogschutters. De consul was een man met veel militaire ervaring en hij liet zijn manschappen meteen de Capitolijn bezetten. Zelf vestigde hij zijn hoofdkwartier in de Tempel van Castor en Pollux op het Forum. De consul beheerste nu alle locaties waar wetgevende vergaderingen van het volk werden gehouden: de Capitolijn, het comitium voor het Senaatsgebouw (de Curia) en het grote open terrein voor de Tempel van de Dioscuri.

De overblijfselen van de Tempel van Castor en Pollux op het Forum Romanum.

Gracchus en Fulvius vluchtten met hun aanhangers naar de Aventijn en verschansten zich in de Tempel van Diana. Deze stond vermoedelijk op de top van de heuvel en domineerde vanuit haar hoge positie het gebied eromheen.[1] Misschien nog wel belangrijker was het feit dat de tempel buiten het pomerium stond, de heilige grens van de stad. Dat betekende dat het dragen van wapens hier niet verboden was. Beide partijen bereidden zich voor op een gewelddadige confrontatie, maar de populares deden nog een poging een treffen te voorkomen. Zij waren bereid te onderhandelen en Fulvius stuurde zijn jongste zoon Quintus als gezant naar het Forum. De consul en de Senaat wilden echter alleen met Gracchus en Fulvius onderhandelen. Quintus kreeg te horen dat de mannen zelf van de Aventijn moesten komen. Er lijkt onder de populares enige discussie over deze eis te zijn geweest, maar uiteindelijk werd besloten nogmaals de jonge Quintus te sturen. Die werd nu gearresteerd door Opimius, die de jongen niet meer als gezant beschouwde.

Vervolgens rukte de consul met zijn gewapende eenheden op naar de Aventijn. Plutarchus beweert dat de Kretenzische boogschutters met hun pijlen grote paniek veroorzaakten onder de aanhangers van Gracchus en Fulvius. Al snel werd er geen verzet meer geboden. Fulvius probeerde te vluchten en zich te verstoppen, maar hij werd al snel ontdekt in een verlaten badhuis of werkplaats. De voormalige consul werd naar buiten gesleept, gedood en onthoofd. Ook zijn oudste zoon werd gedood. Gracchus slaagde erin van de Aventijn te ontsnappen en een houten brug over de Tiber te bereiken. Met slechts een enkele bediende stak hij de brug over, en nadat ze een bosje hadden bereikt, gaf hij de man opdracht hem te doden. Toen de troepen van Opimius het lichaam van de voormalige volkstribuun vonden, werd ook wijlen Gracchus onthoofd. Daarna begon de consul met een systematische zuivering van de volgelingen van Gracchus en Fulvius. Plutarchus beweert dat er 3.000 mensen werden opgepakt en zonder vorm van proces werden terechtgesteld. Ook al zijn deze aantallen misschien te hoog, het staat vast dat er weer veel bloed door de straten van Rome stroomde. Zelfs de jonge Quintus Fulvius, die volkomen onschuldig was, werd vermoord.

Overblijfselen van de Tempel van Concordia op het Forum.

De Senaat toonde zich vervolgens van zijn meest hypocriete kant door Opimius de opdracht te geven de Tempel van Concordia op het Forum te herstellen, een tempel gewijd aan de godin van de eendracht. De tempel was volgens de overlevering door de legendarische Marcus Furius Camillus gebouwd om de verzoening tussen de patriciërs en de plebejers te vieren die in 367 BCE had plaatsgevonden (meer daarover in deze bijdrage). De boodschap die de optimates wilden afgeven was duidelijk dat ze met de onderdrukking van Gracchus, Fulvius en hun volgelingen de eendracht binnen de staat hadden hersteld. Tegelijkertijd was duidelijk dat veel Romeinen hier geen snars van geloofden. Het kon Opimius niet deren: hij herstelde niet alleen de tempel, maar liet ook de Basilica Opimia ernaast bouwen. Dit was de vierde basilica op het Forum Romanum.[2]

Militaire operaties

Tijdens de hier besproken jaren zetten de Romeinen hun expansie in Zuid-Gallië voort. Hun nieuwe vijanden waren de Allobroges en de Arverni, twee Gallische stammen. In 122 BCE werden de Allobroges ervan beschuldigd dat ze de Salluvii hadden geholpen, de stam waarmee de Romeinen al sinds 125 BCE voortdurend in oorlog waren. De Allobroges zouden een koning van de Salluvii die door Livius Toutomotulus wordt genoemd asiel hebben aangeboden en hem bovendien hebben geholpen met raids tegen de stam van de Aedui, die verder naar het noorden woonde. Dit is de eerste keer dat we de naam van deze beroemde Gallische stam horen. De excerptor van het werk van Livius beweert dat de Aedui al Romeinse bondgenoten waren, maar het is denkbaar dat het juist de invallen van de Salluvii waren die hen in de armen van de Romeinen dreven. Een Romeinse interventie was nu onvermijdelijk.

In 121 BCE kwam de proconsul Gnaeus Domitius Ahenobarbus (een van de consuls van 122 BCE) in de regio aan. Hij kreeg er al snel gezelschap van de consul Quintus Fabius Maximus (de collega van Lucius Opimius). Op hun beurt kregen de Allobroges steun van de Arverni en hun koning Bituitus. De daaropvolgende gebeurtenissen en veldslagen tijdens de Romeinse veldtocht laten zich moeilijk reconstrueren. Onze bronnen zijn vaag over de details, maar er lijken tenminste twee geregelde veldslagen te zijn uitgevochten, een bij een plaats genaamd Vindalium, de andere bij de rivier de Isara (de huidige Isère). De Romeinen lijken effectief gebruik te hebben gemaakt van hun olifanten en beide confrontaties eindigden dan ook in klinkende Romeinse zeges. Aan de bewering van Livius dat er 120.000 Galliërs gedood werden, hoeven we echter geen geloof te hechten.

Fabius mocht de overwinning op de Allobroges op zijn naam schrijven, of hij dat nu verdiende of niet (hij was nu eenmaal hoger in rang dan zijn collega). Voortaan ging hij als ‘Allobrogicus’ door het leven. Uit de Fasti Triumphales blijkt dat hij het volgende jaar een triomftocht hield voor zijn overwinningen op zowel de Allobroges als de koning van de Arverni. Ook Ahenobarbus mocht een triomftocht houden, maar alleen voor een overwinning op de Arverni (Suetonius beweert dat hij tevens een soort privé triomftocht hield door op de rug van een olifant door de streek te rijden). Koning Bituitus gaf zich aan de Romeinen over. Volgens Florus werd hij meegevoerd in de triomftocht en moest hij daarbij in de zilveren strijdwagen rijden die hij voorheen in de strijd had gebruikt. Na afloop werd de koning gedetineerd in Alba Fucens en werd zijn zoon naar Rome gestuurd. Nu de Allobroges en de Arverni onder het Romeinse juk waren gebracht, begon de Romeinse provincie Gallia Transalpina – ‘Gallië aan de andere zijde van de Alpen’ – vorm te krijgen. Ahenobarbus zou spoedig (omstreeks 118 BCE) beginnen met de aanleg van de Via Domitia, de beroemde weg die de Romeinse gebieden in Italië en Spanje over land met elkaar verbond.

Bronnen

Primaire bronnen

Noten

[1] Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 393 spreekt van een ‘high, dominating position’. Carandini c.s. nemen aan dat de tempel niet in de huidige Via del Tempio di Diana stond.

[2] De andere waren de Basilica Porcia, de Basilica Fulvia Aemilia en de Basilica Sempronia.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.