Gaius Gracchus: De Jaren 124-123 BCE

Het Forum Romanum anno nu.

Samenvatting

  • Gaius Gracchus wordt tot volkstribuun gekozen (124 BCE);
  • De consul en latere proconsul Gaius Sextius Calvinus verslaat in Zuid-Gallië de Salluvii en de Vocontii en sticht de kolonie Aquae Sextiae (124-123 BCE);
  • Gaius Gracchus lanceert een ambitieus wetgevingsprogramma met onder meer wetsvoorstellen over landhervormingen, graanprijzen, arbeidsomstandigheden in het leger, het stichten van kolonies, de aanleg van wegen en hervorming van de rechtbanken (123 BCE);
  • De Lex Acilia repetundarum, die waarschijnlijk onderdeel was van Gracchus’ wetgevingsprogramma, kent de equites het exclusieve recht toe zitting te nemen in de jury van de permanente rechtbank voor afpersingszaken (123 BCE);
  • Gaius Gracchus wordt opnieuw tot volkstribuun gekozen (123 BCE);
  • De consul Quintus Caecilius Metellus annexeert de Balearen en sticht op Majorca de kolonies Palma en Pollentia (123-121 BCE).

In 124 BCE sloten de censors Gnaeus Servilius Caepio en Lucius Cassius Longinus de census af. Ze hadden maar liefst 394.736 burgers geregistreerd. Gaius Gracchus keerde dit jaar terug van Sardinië. Eerst kreeg hij kritiek van de censors omdat hij het eiland eerder had verlaten dan zijn bevelhebber, de proconsul Lucius Aurelius Orestes. Gracchus verdedigde zichzelf echter dusdanig goed tegen deze beschuldiging dat de hele affaire ertoe leidde dat zijn reputatie juist versterkt werd. Vervolgens besloot hij zich kandidaat te stellen voor het ambt van volkstribuun. Zijn biograaf Plutarchus beweert dat hij, ook al had hij een groot aantal aanhangers weten op te trommelen, slechts als vierde gekozen werd (er waren in totaal tien volkstribunen). Ondanks deze teleurstelling had Gaius Gracchus, toen hij op de traditionele datum van 10 december aan zijn ambtstermijn begon, grootse plannen voor Rome.

Gracchus als volkstribuun

De beroemde volkstribuun Gaius Gracchus, illustratie door Silvestre David Mirys (1742-1810).

Begin 123 BCE stuurde Gaius Gracchus zijn eerste wetsvoorstellen naar de volksvergadering (om precies te zijn het concilium plebis). Hoewel Gracchus bij het nageslacht bekend kwam te staan als hervormer, stonden zijn eerste twee wetsvoorstellen in het teken van wraak. Het eerste voorstel bepaalde dat politici die uit hun ambt waren gezet zich niet meer kandidaat mochten stellen voor andere ambten. Dit wetsvoorstel was duidelijk gericht tegen Marcus Octavius, de volkstribuun die Tiberius Gracchus had gedwarsboomd en vervolgens was afgezet door het volk. Plutarchus stelt dat Gaius het wetsvoorstel weer introk op verzoek van zijn moeder Cornelia, die kennelijk geen wrok jegens Octavius koesterde. Het tweede wetsvoorstel bepaalde dat Romeinse magistraten die zonder fatsoenlijk proces Romeinse burgers in ballingschap stuurden vervolgd konden worden. Het was voor iedereen duidelijk dat het wetsvoorstel, dat in rap tempo werd aangenomen[1], was gericht tegen Publius Popilius Laenas en Publius Rupilius, de consuls van 132 BCE die aanhangers van Tiberius Gracchus hadden vervolgd. Vooral Laenas was nauw bij deze vervolgingen betrokken geweest (Rupilius was naar Sicilië gestuurd om een einde te maken aan de Eerste Slavenoorlog). Omdat de voormalige consul vreesde dat hij, in het geval dat het tot een proces zou komen, zeker veroordeeld zou worden, besloot hij Italië te verlaten en in ballingschap te gaan.[2]

Nu was het tijd voor échte wetgeving. Het is nogal onwaarschijnlijk dat Gracchus in zijn eentje opereerde. Vermoedelijk werkte hij nauw samen met andere volkstribunen die de zaak van de populares steunden. Een van hen was Manius Acilius. Dat verklaart waarom een van de beroemdste stukken wetgeving die Gracchus afleverde niet eens zijn naam draagt. Ik doel op de Lex Acilia repetundarum, die betrekking had op de in 149 BCE ingestelde permanente rechtbank voor afpersingszaken. De instelling van deze rechtbank was een mijlpaal in het Romeinse staatsrecht geweest, maar in de praktijk functioneerde ze niet goed. Het gerecht werd voorgezeten door een praetor en de beslissingen werden genomen door juryleden die uitsluitend werden geselecteerd uit de klasse van de senatoren. Er waren incidenten geweest waarbij voormalige provinciegouverneurs waren vrijgesproken, ook al stond het vast dat ze schuldig waren. De voormalige gouverneur van Asia, Manius Aquilius, was bijvoorbeeld in 124 BCE vrijgesproken van afpersing, maar er waren sterke geruchten dat hij gewoon de juryleden had omgekocht. Gracchus en zijn aanhangers hadden de sterke overtuiging dat het een slecht idee was dat senatoren een oordeel mochten geven over hun sociale gelijken. De wet moest dus veranderen.

Overblijfselen van de Basilica Julia op het Forum.

Plutarchus beweert dat equites werden toegevoegd aan de lijst met juryleden, zodat voortaan zowel senatoren als equites (de klasse net onder de senatoren) in jury’s dienden. Appianus en Velleius Paterculus stellen echter dat de nieuwe wet van Gracchus voorschreef dat uitsluitend equites als juryleden konden dienen bij de rechtbank voor afpersingszaken. Aangezien we over de tekst van de Lex Acilia repetundarum beschikken en vrij zeker is dat die van 123-122 BCE dateert[3] en onderdeel was van het wetgevingsprogramma van Gracchus, kunnen we concluderen dat Plutarchus ernaast zat en Appianus en Velleius het bij het rechte eind hadden. Het recht om zitting te nemen in jury’s die over repetundae-zaken moesten oordelen werd exclusief toegekend aan de equites. Tegelijkertijd werd het magistraten, senatoren en hun cliënten expliciet verboden lid te zijn van deze jury’s. Ieder jaar moest de praetor die de rechtbank voorzat – dat was de praetor peregrinus – een lijst met 450 juryleden maken, waaruit de bij een zaak betrokken partijen er 50 moesten kiezen. Beslissingen werden bij gewone meerderheid genomen.

Uiteraard viel de nieuwe wet, die zonder problemen door de volksvergadering werd geloodst, niet in de smaak bij de senatoren. Zij werden nu, als ze dienden als provinciegouverneurs en werden beschuldigd van wanbestuur en afpersing, berecht door mensen die op de sociale ladder onder hen stonden. Belangrijker nog was dat de equites in een aantal gevallen hun nieuwe macht zouden misbruiken.[4] De samenstelling van de jury’s van de quaestio perpetua de repetundis zou nog tot aan het einde van de Romeinse Republiek een heet hangijzer blijven.

Uitrusting van een krijgstribuun uit de tijd van de Republiek.

Het lijdt geen twijfel dat Gracchus keihard werkte en wetsvoorstel na wetsvoorstel aan de volksvergadering voorlegde. We weten niet of al deze voorstellen werden aangenomen, maar onze bronnen suggereren dat de meeste het wel haalden. Een van de wetsvoorstellen van de volkstribuun betrof landhervormingen, een ander stelde een maximumprijs voor graan vast zodat arme Romeinen deze eerste levensbehoefte nog konden betalen. Weer andere voorstellen gingen over militaire zaken. Zo was er een wetsvoorstel dat bepaalde dat de overheid op staatskosten kleding ter beschikking moest stellen aan soldaten. Dit wetsvoorstel was ongetwijfeld ingegeven door Gracchus’ eigen ervaringen als quaestor op Sardinië (zie 128-125 BCE). En dan was er nog een wetsvoorstel dat magistraten verbood om soldaten jonger dan zeventien jaar te rekruteren. Deze maatregel suggereert dat het Romeinse leger wederom met een ernstig tekort aan mankracht kampte. Ook in het verleden waren wel eens zestienjarigen voor de legioenen geworven, maar dit was doorgaans alleen in noodsituaties gebeurd, bijvoorbeeld na de Romeinse nederlaag bij Cannae in 216 BCE.

Gracchus liet de volksvergadering ook wetsvoorstellen aannemen over het stichten van nieuwe kolonies en de aanleg van wegen.[5] Wellicht waren deze voorstellen nog onderdeel van zijn landhervormingsprogramma. De toekomst zag er prachtig uit toen Gracchus voor de tweede maal tot volkstribuun werd gekozen. Het is de vraag of die verkiezing rechtmatig was. Nog in 131 BCE had een wetsvoorstel van de volkstribuun en popularis Gaius Papirius Carbo, dat bepaalde dat kandidaten onbeperkt tot volkstribuun gekozen konden worden, het niet gehaald. Dit was echter een tijd waarin het Romeinse volk maar al te graag met tradities wilde breken. Zowel Plutarchus als Appianus beweren (of suggereren) dat Gracchus zich niet eens kandidaat had gesteld. Het plebs zou hem gewoon uit eigen beweging gekozen hebben. Dit klinkt nogal onwaarschijnlijk, maar wellicht was Gracchus zo zeker van zijn herverkiezing dat hij de formele kandidaatstelling oversloeg. Nu hij voor de tweede maal volkstribuun was, behield hij zijn onschendbaarheid en zijn bevoegdheid om nieuwe wetsvoorstellen in te dienen. Een mooie opsteker was bovendien dat zijn bondgenoot Gaius Fannius tot een van de consuls voor het volgende jaar werd verkozen.

Militaire operaties

In 124 BCE en 123 BCE zette de consul en latere proconsul Gaius Sextius Calvinus de militaire operaties tegen de Salluvii en de Vocontii van Zuid-Gallië voort. Deze operaties waren succesvol en bij zijn terugkeer in Rome kreeg Sextius een triomftocht toegekend. Dankzij de Romeinse overwinningen had Rome een stevige voet aan de grond gekregen in Zuid-Gallië. Hierdoor deed zich de kans voor om de Romeinse gebieden in Italië over land te verbinden met hun bezittingen in Spanje. Voorheen waren de Spaanse provincies alleen over zee veilig te bereiken. Om de Romeinse veroveringen veilig te stellen stichtte de proconsul de kolonie Aquae Sextiae (het huidige Aix-en-Provence), net ten noorden van Massilia (het huidige Marseilles). De komende jaren zou er nog meer Romeinse expansie in deze regio plaatsvinden.

In 123 BCE voer Quintus Caecilius Metellus, de zoon van de man die in 148 BCE de Macedonische troonpretendent Andriskos had verslagen, naar de eilandengroep de Balearen met als doel deze voor Rome te annexeren. De eilanden lagen tussen de Spaanse provincies in het westen en Sardinië en Corsica in het oosten, dus het was een kwestie van tijd voordat de Romeinen zouden besluiten ze aan hun almaar uitdijende rijk toe te voegen. De directe aanleiding voor de invasie van Metellus lijkt de piraterij te zijn die door de Baleari of Balari werd bedreven. Al eerder hadden de Romeinen tegen deze Balari gevochten. In de jaren 170 BCE was dit volk overgestoken naar Sardinië en had daar samen met de lokale Ilienses een opstand tegen het Romeinse gezag ontketend. De Romeinen hadden Tiberius Sempronius Gracchus – de vader van de Gracchen – op hen afgestuurd, en die had meerdere jaren nodig gehad om de opstandelingen te verslaan.

Metellus voer met een grote vloot naar de Balearen toe, waar de eilandbewoners hem met hun eigen vloot opwachtten. De slingeraars van de Balari genoten grote faam en de Romeinse schepen werden dan ook onthaald op een regen aan slingerkogels. Dit zorgde wellicht voor enige verwarring bij de Romeinen, maar Metellus hield het hoofd koel en gaf zijn bemanningen bevel de vijandelijke schepen te rammen en de vijandelijke zeelieden met werpspiesen te bestoken. Al snel werd de vloot van de Balari uiteengeslagen en vluchtten de eilandbewoners terug naar de kust. Vervolgens zette Metellus zijn leger aan land en begon aan een veldtocht die slecht gedocumenteerd is, maar die bijna twee jaar zou duren. In 121 BCE keerde hij terug naar Rome om een triomftocht voor zijn overwinningen te houden. De zegevierende generaal voerde voortaan de bijnaam ‘Balearicus’. Alvorens te vertrekken had hij op het eiland Majorca nog de kolonies Palma en Pollentia (het huidige Pollença) gesticht.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic, p. 158-159.

Noten

[1] De wet kwam bekend te staan als de Lex Sempronia de capite civium; zie Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic, p. 92 en p. 295.

[2] Drie jaar later werd hij teruggeroepen.

[3] Plutarchus (ca. 46-120) suggereert dat de wet tijdens de eerste ambtstermijn van Gracchus als volkstribuun werd aangenomen, Appianus (ca. 95-165) dat dit tijdens zijn tweede termijn gebeurde. Ik volg hier de iets oudere bron.

[4] Een voorbeeld is het geval van Publius Rutilius Rufus (ca. 158-78 BCE). Als gouverneur van Asia probeerde hij de praktijken van de inhalige publicani (belastingpachters) in zijn provincie aan banden te leggen. Aangezien de publicani afkomstig waren uit de ridderstand zorgden ze ervoor dat Rufus in 92 BCE voor afpersing werd veroordeeld, ook al was duidelijk dat de aanklacht nergens op gebaseerd was. De veroordeelde bracht de rest van zijn leven in Asia door, dus in dezelfde provincie die hij leeggezogen zou hebben.

[5] Hoogstwaarschijnlijk waren dit dan secundaire wegen, want er is geen Via Sempronia bekend.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.