Vesontio (Besançon)

Beeldje van de Keltische god Sucellus.

Vesontio was de belangrijkste stad (oppidum) van de Gallische stam van de Sequani. Hun naam verwijst naar het Latijnse woord voor de rivier de Seine (Sequana), maar of ze zichzelf ook Sequani noemden, is nogal twijfelachtig. Het moderne Besançon is een leuke stad met een prachtige kathedraal. Op straat vinden we nog enkele resten uit de Romeinse tijd en in het musée des Beaux-Arts et d’Archéologie leren we veel over deze periode en de tijd ervoor en erna. In deze bijdrage zal ik me voornamelijk op de Romeinse periode richten, maar de periode daarna wordt zeker niet vergeten.

Geschiedenis

De Sequani waren rivalen van de Aedui, die ten westen van hen woonden aan de andere kant van de rivier de Arar (tegenwoordig de Saône). Eind jaren 70 BCE hadden ze samen met de Arverni een grote groep Germaanse huurlingen onder leiding van een zekere Ariovistus in dienst genomen om de Aedui op de knieën te krijgen. De Aedui leden tijdens een aantal gevechten zware verliezen. Het beslissende gevecht vond ergens eind jaren 60 BCE – mogelijk in 63 of 61 BCE – plaats bij Magetobriga. De Sequani, Arverni en hun Germaanse bondgenoten brachten de Aedui toen een vernietigende nederlaag toe. Volgens Julius Caesar sneuvelde bij het treffen de volledige aristocratie van de Aedui.[1] Hoewel niet getwijfeld hoeft te worden aan de ernst van de nederlaag, kunnen we er toch van uitgaan dat Caesar sterk overdreef om zijn veldtocht tegen de Germanen en ten behoeve van de Aedui van enkele jaren later te rechtvaardigen. Voorlopig gebeurde er echter nog niets: de druïde Diviciacus reisde af naar Rome om hulp te vragen, maar kreeg nul op het rekest.

Romeinse helm uit de keizertijd.

De Sequani kregen al gauw spijt van het inhuren van de Germanen, want Ariovistus vestigde zich in hun gebied en eiste een derde van hun land op. Later vorderde hij nog meer land om een nieuwe Germaanse stam, de Harudes, te kunnen huisvesten. Caesar beschrijft de Germaanse koning als een stereotiepe barbaar, maar het lijdt geen twijfel dat de Sequani hem graag zagen vertrekken. Gelukkig deed zich al gauw een gelegenheid daartoe voor. Na zijn overwinning op de migrerende Helvetii in juni 58 BCE, kreeg Caesar van Diviciacus namens de verzamelde Gallische stammen het verzoek ook tegen de Germanen van Ariovistus op te treden. Caesar bleek daartoe bereid en rukte snel op naar Vesontio omdat hij had gehoord dat Ariovistus deze stad wilde bezetten. Dat mocht in geen geval gebeuren want, in Caesars eigen woorden:

“De stad bezat namelijk grote voorraden van oorlogsmateriaal en was door haar natuurlijke ligging zo sterk dat ze ruimschoots in staat was tot een langdurige oorlog. Dat komt doordat de rivier de Doubs haar bijna geheel omgeeft, net alsof hij er met een passer omheen getrokken is. Het resterende deel, waar de rivier niet komt, niet meer dan zestienhonderd voet, wordt ingenomen door een heel hoge berg, waarvan de voet aan beide kanten tegen de oever van de rivier aanligt. Hij wordt omgeven door een muur, die de berg bij de stad trekt en tot een burcht maakt.”[2]

Beeldje van de godin Roma.

Dit is een prachtige, zeer treffende beschrijving van Vesontio, die ook van toepassing is op het moderne Besançon. Bekijk deze foto maar eens. De Doubs (toen de Dubis) ligt als een soort hoefijzer om de stad heen. Op de door Caesar genoemde hoge berg, de Mont Saint-Étienne, staat nu de Citadel van Besançon, in de zeventiende eeuw gebouwd door de beroemde architect Vauban (1633-1707). Caesar nam Vesontio in en trok van daaruit Ariovistus tegemoet. Hij versloeg de Germaanse koning in september 58 BCE ergens in de Vogezen. De vreugde van de Sequani was waarschijnlijk maar van korte duur. In plaats van door de Germanen werden ze nu door de Romeinen overheerst. In 52 BCE deden ze dan ook mee aan de grote Gallische opstand onder leiding van Vercingetorix. Volgens Caesar moesten ze daarvoor 12.000 manschappen leveren.[3] De opstand werd echter bij Alesia verpletterd, en de Sequani waren nu samen met de andere Gallische stammen voorgoed onderworpen.

Besançon in het museum

In het plaatselijke Musée des Beaux-Arts et d’Archéologie wijzen vondsten als het gevest van een dolk uit ca. 1600-1350 BCE erop dat het gebied rondom Besançon al in de Bronstijd bewoond was. Andere vondsten wijzen op contacten met de Griekse wereld en met Italië. De Griekse wereld was uiteraard niet beperkt tot wat we nu Griekenland noemen: in Zuid-Gallië lag al sinds ongeveer 600 BCE de belangrijke Griekse kolonie Massilia (het huidige Marseille). Massilia was op haar beurt een trouwe bondgenoot van Rome. Bij verschillende gelegenheden, bijvoorbeeld in 154 BCE en 125 BCE, hadden de Romeinen de Griekse stad beschermd tegen aanvallen van Ligurische of Gallische stammen. De militaire interventies leidden uiteindelijk omstreeks 121 BCE tot de creatie van de Romeinse provincie Gallia Transalpina en tot de stichting van Romeinse kolonies als Aquae Sextiae (Aix-en-Provence) en Narbo Martius (Narbonne). Een belangrijk gevolg van de Romeinse aanwezigheid in Zuid-Gallië was dat de import van wijn uit Italië enorm toenam. Ook in Vesontio werd veel wijn verkocht. De drank was populair bij zowel de aristocratie als het gewone volk.

Mozaïek met Neptunus.

Het museum bezit fraaie Romeinse mozaïeken van Medusa en Neptunus uit de tweede helft van de tweede eeuw. Vooral dat van de triomf van Neptunus is werkelijk spectaculair. Het was onderdeel van een vloer die 200 vierkante meter groot was. We zien de zeegod in een tweewielige wagen getrokken door vier paarden. Wellicht had men zeepaarden verwacht, maar Neptunus gold, net als zijn Griekse tegenhanger Poseidon, ook als de god van de paarden. Opmerkelijk is dat het museum zich lovend uitlaat over de wijze waarop de vissen en andere zeedieren zijn weergegeven, maar kritisch is over de manier waarop Neptunus zelf is gemaakt: “[T]he image of the god seems to lack finesse”. Volgens het museum hadden de makers kennelijk geen specialist in de eigen gelederen die heel goed portretten kon maken. Men spreekt in dit verband van een pictor imaginarius.

Een ander bijzonder interessant voorwerp in het museum is de zogenaamde Taureau d’Avrigney, een bronzen stier die in 1756 in het plaatsje Avrigney ten noordwesten van Besançon werd gevonden. Het gaat niet om een gewone stier, want het dier heeft drie horens (tricornu). Het betreft hier vrijwel zeker een beeld van een godheid in diervorm die door de Sequani werd vereerd. Het beeld is in goede staat, maar alleen de rechter achterpoot is bewaard gebleven.

Taureau d’Avrigney.

Deel van een tweeluikje van de consul Flavius Areobindus Dagalaiphus Areobindus.

Het museum bezit ook de helft van een ivoren tweeluik van de Romeinse consul Flavius Areobindus Dagalaiphus Areobindus. Deze was consul in het jaar 506. Zijn naam heeft overduidelijk een niet-Romeinse oorsprong. Areobindus was een zoon van Flavius Dagalaiphus, de consul van 461, die op zijn beurt weer een zoon was van de consul van 434, Flavius Areobindus. De familie had Gotische wortels.[4] Flavius Areobindus Dagalaiphus Areobindus was getrouwd met de dochter van de West-Romeinse keizer Olybrius, Anicia Juliana. Tijdens zijn consulaat liet Areobindus verschillende consulaire tweeluikjes maken, waarvan er vijf geheel of gedeeltelijk bewaard zijn gebleven. Het stukje tweeluik in Besançon is wat afgesleten, maar we zien nog wel hoe de consul in zijn rechterhand een mappa vasthoudt, een linnen doek die werd gebruikt bij de spelen. Als de consul de doek liet vallen, konden de spelen beginnen. Die spelen zien we aan de voeten van Areobindus. Er worden wedstrijden gehouden en een van de deelnemers krijgt een krans opgezet. Toeschouwers zijn getuige van het spektakel. Het is helaas niet bekend hoe het tweeluikje in Vesontio is gekomen. In 506 viel de stad onder het koninkrijk van de Burgundi (Bourgondiërs). De Romeinen hadden er geen gezag meer.

Op enig moment in de vroege derde eeuw kwam het christendom naar Vesontio. Waarschijnlijk speelde de bisschop van Lugdunum (het huidige Lyon) daarbij een belangrijke rol. Deze Irenaeus (gestorven in 202) was de opvolger van Sint Pothinus, de eerste bisschop van Lugdunum, die in 177 was vermoord tijdens christenvervolgingen in deze stad. De bekering van de Sequani wordt traditioneel toegeschreven aan twee missionarissen die Ferreolus en Ferrutio heetten, Ferréol et Ferjeux in het Frans. Zij zouden in 212 de marteldood zijn gestorven, maar het is moeilijk te zeggen hoeveel er waar is van de verhalen die er over hen verteld worden. In elk geval staat vast dat Vesontio op enig moment een bisschop kreeg, maar de eerste bekende bisschop, een zekere Pancharius, verschijnt pas in 346 op het toneel. In het museum vinden we een grafschrift van de diaken Auxilius, die vermoedelijk in de zesde eeuw leefde en stierf. Hij werd blijkens het grafschrift, waarop een staurogram te zien is, maar dertig jaar oud.

Het museum heeft verder een prachtige verzameling schilderijen. Die hebben natuurlijk niets meer met Romeins Gallië te maken, maar van de schilderstukken is wel een groot aantal afkomstig uit Italië. Zo hangen er portretten van de hand van Titiaan en Tintoretto, een schilderij van de dronkenschap van Noach van Giovanni Bellini en een Christus geschilderd door Filippino Lippi. Zeer fraai is een Kruisafneming van Agnolo Bronzino (1503-1572), de hofschilder van Groothertog Cosimo de’ Medici van Toscane. Het museum bezit daarnaast een bijzonder werk van de vrouwelijke schilder Elisabetta Sirani (1638-1665). Het stelt de boetvaardige Maria Magdalena voor. Het zijn natuurlijk niet alleen maar Italianen die de klok slaan. Het museum bezit ook werken van Bernard van Orley (ca. 1487-1541), Lucas Cranach de Oude (1472-1553) en zelfs een Hollands landschapje van Albert Cuyp (1620-1691). Wat betreft Franse schilders kunnen Gustave Courbet, Gustave Courtois en Jean-Joseph Benjamin-Constant worden genoemd.

Pietà – Bronzino / Maria Magdalena – Elisabetta Sirani.

Drieluik van Bernard van Orley.

Adam en Eva – Lucas Cranach de Oude.

Romeins Besançon op straat

Romeinse triomfboog.

Dicht bij de kathedraal van de stad vinden we een redelijk goed bewaard gebleven triomfboog die tegenwoordig de Porte Noire wordt genoemd. De boog werd opgericht tijdens de regeerperiode van keizer Marcus Aurelius (161-180), meer specifiek in het laatste kwart van de tweede eeuw van onze jaartelling. De boog gedacht de overwinningen die Marcus Aurelius’ medekeizer Lucius Verus op de Parthen had behaald. Mogelijk werd de boog tevens opgericht ter ere van de overwinningen die Aurelius zelf had behaald op de Marcomanni en de Quadi, twee Germaanse stammen die het Romeinse Rijk waren binnengedrongen. Dit is echter niet meer na te gaan, omdat de reliëfs op de triomfboog te zeer afgesleten zijn.

Vlak voor de triomfboog vinden we een parkje dat Square Castan genoemd wordt, naar de archeoloog Auguste Castan (1833-1892) die hier in 1870 met opgravingen begon. Eerder had op deze plek een kerk gewijd aan Johannes de Doper gestaan, maar die was in 1797 gesloopt. Castan ontdekte onder meer een aantal Korinthische zuilen die bij een halfrond gebouw hadden gehoord. Volgens Castan moest dit gebouw het theater van Romeins Vesontio zijn geweest, maar aan die bewering wordt tegenwoordig hardop getwijfeld. Aan de andere kant weten we niet wat de functie van het bouwwerk dan wél was. Het archeologische parkje is mooi, maar werd wel verpest door een sterke urinegeur die er hing toen wij het in de zomer van 2019 bezochten. Vlak bij het parkje vindt u de geboortehuizen van de grote schrijver Victor Hugo (1802-1885) en de gebroeders Lumière, de uitvinders van de cinematografie.

Square Castan.

De kathedraal van Besançon

Westelijke apsis van de kathedraal.

De kathedraal van Saint-Jean is zeker een bezoek waard. Het curieuze is dat deze kathedraal twee koren in twee apsissen heeft, een aan elke kant van het gebouw. Het gebouw heeft geen echte gevel en geen dwarsschip. Als men onder de Porte Noire doorloopt, komt men bij een zijingang die tevens als hoofdingang van de kathedraal fungeert. Hoewel op deze plek mogelijk al in de derde eeuw een kerk stond, dateert de eerste echte kathedraal van de negende eeuw, de Karolingische tijd. De kathedraal werd gewijd aan Johannes de Evangelist. In de elfde eeuw liet de aartsbisschop van Besançon, Hugo van Salins, een grondige verbouwing uitvoeren en de kathedraal vervolgens in 1061 opnieuw wijden. In de 35 jaar dat hij als aartsbisschop diende, tussen 1031 en zijn dood in 1066, richtte hij ook verschillende kapittels op. Een daarvan was het kapittel van Saint-Étienne, dat de door Hugo gebouwde kerk van Saint-Étienne op de gelijknamige berg beheerde (om vrijwel onnavolgbare linguïstische redenen wordt Sint Stefanus de Eerste Martelaar in het Frans Saint-Étienne genoemd). Deze kerk kreeg de status van tweede kathedraal van de stad.

In de twaalfde eeuw stelden de kanunniken van het kapittel van Saint-Étienne zich op het standpunt dat hun kerk de ware kathedraal van Besançon was, en dus niet de kathedraal van Saint-Jean. Paus Paschalis II (1099-1118) gaf hun gelijk, maar zijn opvolger Calixtus II (1119-1124) draaide de beslissing terug en herstelde de Saint-Jean als eerste kathedraal. De echte naam van deze paus was Guido van Bourgondië en hij was afkomstig uit Quingey, net ten zuiden van Besançon. Waarschijnlijk leidde de positieve beslissing van Calixtus ertoe dat een grote verbouwing van de kathedraal werd gelanceerd, die feitelijk op een herbouw neerkwam. In 1148 werd de nieuwe kathedraal door Paus Eugenius III (1145-1153) gewijd. Een grote brand in 1212 richtte veel schade aan, maar omstreeks 1246 waren de restauratiewerkzaamheden gereed en kreeg de kathedraal grotendeels haar huidige uiterlijk. Het conflict tussen de kapittels van Saint-Jean en Saint-Étienne was intussen nog niet beëindigd. Dit zou tot 1254 blijven na-ijlen. In dat jaar fuseerden de kapittels met goedkeuring van Paus Innocentius IV (1243-1254). De kerk van Saint-Étienne is al lang geleden verdwenen. Het gebouw werd gesloopt om ruimte te maken voor de beroemde citadel van Vauban.

Interieur van de kathedraal.

Graftombe van Ferry Carondelet.

Hoewel het gebouw dus grotendeels uit de twaalfde en dertiende eeuw dateert, heeft de kathedraal ook wel nieuwere onderdelen. Zo stortte in 1724 de klokkentoren in, waardoor de gehele oostelijke apsis moest worden herbouwd. De nieuwe apsis uit 1730 is versierd met vijf schilderijen over het Lijden van Christus. Dit gedeelte van de kathedraal geldt als het ‘tegenkoor’ (contre-chœur); het liturgische koor is aan de andere kant en is dus gericht op het westen (zie de afbeelding hierboven). Rechts van het tegenkoor vinden we de prachtige graftombe van aartsdiaken Ferry Carondelet (1473-1528). Deze tombe werd in 1543 gemaakt en wordt toegeschreven aan de beeldhouwer Michel Scherrier uit Brugge. Het bijzondere aan de graftombe is dat het een zogenaamde transi-tombe is. Bovenop ligt een beeltenis van de overledene, een ‘gisant’, een daaronder het naakte lichaam van diezelfde overledene. De twee onthoofde figuren aan weerszijden van de graftombe zijn Ferreolus en Ferrutio.

Ferry Carondelet was een zeer belangrijk man, die onder meer voor Paus Julius II (1503-1513) werkte. Dankzij zijn inspanningen hangt nu in de kathedraal een werk van de Italiaanse schilder Fra Bartolommeo (1473-1517). Deze paneelschildering dateert van 1512. We zien een Madonna met het Kind, gedragen door een wolk van engelen en omringd door heiligen. De heiligen links zijn Sebastiaan (doorboord met pijlen), Stefanus de Eerste Martelaar (Étienne dus) en Johannes de Doper. Rechts zien we dan nog Antonius-Abt en Bernardus van Clairvaux. De knielende man in het rode gewaad met de zwarte mouwen is Ferry Carondelet zelf. Onder de engelenwolk en tussen Johannes de Doper en Ferry Carondelet zien we een venster dat uitzicht biedt op naakte mensen in een idyllisch landschap. Het werk van Fra Bartolommeo is beslist een van de hoogtepunten in de kathedraal. Daarbij moet wel aangetekend worden dat het oorspronkelijk in de reeds genoemde en inmiddels verdwenen kerk van Saint-Étienne hing.

Rose de Saint-Jean.

Tot besluit van deze bijdrage nog drie andere hoogtepunten. In de kapel van de Notre-Dame des Jacobins hangt een klein schilderij van de Maagd van Passignano, geschilderd door Domenico Cresti (1559-1638), een Italiaanse schilder met de bijnaam Passignano. Een kapel verder staat een prachtige Pietà van de beeldhouwer Conrad Meit (gestorven 1550 of 1551) uit Worms. Het mooiste voorwerp staat echter in de kapel van de Rose de Saint-Jean. Deze Rose de Saint-Jean is een rond altaar uit de elfde eeuw, afkomstig uit de kerk van Saint-Étienne, dat nog door Paus Leo IX (1049-1054) werd gewijd. Op het altaar zien we een christogram met de Griekse letters alfa en omega. Aan de voet van het christogram staat een lam en erop zit een adelaar (symbool van Johannes de Evangelist) dan wel een feniks (symbool van de Wederopstanding). Langs de rand van het altaar is een Latijnse tekst aangebracht: HOC SIGNVM PRAESTAT POPVLIS CAELESTIA REGNA, “Dit teken staat voor de volkeren voor het hemelse koninkrijk”. Met een leeftijd van bijna duizend jaar geldt de Rose de Saint-Jean als het oudste voorwerp in de kathedraal. De Rose is tevens het enige bewaard gebleven ronde altaar in heel Frankrijk.

Deze bijdrage is gebaseerd op informatie van het Musée des Beaux-Arts et d’Archéologie van Besançon en op een brochure van de kathedraal. Aanvullende bronnen staan in de voetnoten.

Noten

[1] Zie Julius Caesar, De Bello Gallico I.31 en VI.12.

[2] De Bello Gallico I.38 (vertaling: Vincent Hunink).

[3] De Bello Gallico VII.75.

[4] In 366 was er ook al een consul met de naam Dagalaiphus geweest. Of die familie was van Flavius Areobindus Dagalaiphus Areobindus is onbekend.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.