Grand: in de voetsporen van Constantijn de Grote

‘Basilica’ van Grand.

Wie zonder enige voorbereiding het dorpje Grand in de Vogezen binnenrijdt, zal zich wellicht afvragen hoe het in vredesnaam aan zijn naam is gekomen. Grand is met een bevolking van minder dan 400 zielen allesbehalve grand. De naam Grand heeft echter niets met het Franse adjectief voor ‘groot’ te maken. Het is zeer waarschijnlijk afgeleid van Grannus, een Romeins-Keltische godheid die hier in de Oudheid werd vereerd. Dat Grand destijds zeer belangrijk was, blijkt uit verschillende archeologische vondsten. Er stond een ‘basilica’ (de term is omstreden) met een vloermozaïek van 232 vierkante meter en het stadje had een amfitheater met plaats voor zo’n 17.000 toeschouwers. Verder zijn er resten van baden en vloerverwarming (hypocausta) gevonden, en werden er zo’n 300 waterbronnen aangeboord en kilometerslange ondergrondse galerijen gebouwd. Het Grand van de Oudheid was verder ommuurd. De stadsmuren hadden verschillende poorten en achttien ronde torens. Ten slotte was het waarschijnlijk hier in Grand dat de Romeinse keizer Constantijn de Grote (306-337) omstreeks 310 zijn eerste visioen had.

Apollo Grannus en Andesina

Iedere beschrijving van de geschiedenis van Grand is gebaseerd op een combinatie van archeologisch bewijs en vele aannames en interpretaties. Anders gezegd, er is nog veel onduidelijk over deze geschiedenis en Grand wordt in een folder die ik ter plaatse kreeg aangereikt terecht een “ancient city full of mystery” genoemd. Zeker is dat het stadje in de Oudheid lag in het gebied van de Leuci, een Gallische stam die haar belangrijkste nederzetting had bij Tullum, het huidige Toul. De Leuci waren de Romeinen goedgezind: Julius Caesar meldt dat ze zijn leger tijdens de Gallische Oorlog (58-50 BCE) van graan voorzagen.[1] Dit deden ze samen met de Lingones en de Sequani, die verder naar het zuiden woonden. Hun gebieden werden op dat moment bedreigd door de Germaanse leider Ariovistus.

Vloermozaïek in de ‘basilica’.

Over de geschiedenis van Grand voor de Romeinse verovering van Gallië is niets bekend. Het stadje ligt op een opmerkelijke plek, namelijk op een droog kalksteenplateau zonder rivier in de buurt. Anders dan bijvoorbeeld het zestig kilometer zuidelijker gelegen Andematunnum (Langres) ligt Grand ook tamelijk ver van de grote Romeinse wegen. Toch moet het oude Grand heel belangrijk zijn geweest. Dat blijkt niet alleen uit de reeds genoemde ‘basilica’ en het amfitheater, maar ook uit de vermelding van Grand op de kaart van Peutinger. Zeer waarschijnlijk moet Grand namelijk gelijkgesteld worden aan de stad Andesina op die kaart. Andesina is veel groter afgebeeld dan bijvoorbeeld Andematunnum of Vesontio (Besançon). Geschat wordt dat er misschien wel 20.000 mensen woonden.

Waarom was Grand/Andesina zo belangrijk? De meest waarschijnlijk verklaring is dat het stadje een beroemd heiligdom had gewijd aan de god Grannus. Deze Romeins-Keltische godheid werd geassocieerd met zowel de zon als het water, en werd door de Romeinen gelijkgesteld aan Apollo. Aan Apollo Grannus werden ook helende krachten toegekend. Tijdens zijn veldtocht in 213 tegen Germaanse indringers zou de Romeinse keizer Caracalla (211-217) met geestelijke en lichamelijke klachten hebben gekampt. Volgens de geschiedschrijver Cassius Dio zocht hij genezing bij Apollo Grannus, Aesculapius en Serapis, maar bleek geen van deze goden bereid hem te helpen.[2] Bezocht Caracalla dan wellicht het heiligdom van Grand tijdens zijn veldtocht? Dit is in het verleden wel aangenomen, maar tegenwoordig plaatsen historici zijn bezoek eerder in het Zuid-Duitse Faimingen, waar eveneens een tempel voor Apollo Grannus stond. De godheid werd dus ook buiten Grand vereerd. Een andere plek waar dit waarschijnlijk gebeurde, was in het huidige Aken, dat in de Vroege Middeleeuwen Aquae Granni werd genoemd. Het is niet ondenkbaar – hoewel op dit moment niet te bewijzen – dat deze benaming ouder is.

Andesina op de Kaart van Peutinger.

Andesina wordt op de kaart van Peutinger weergegeven als een waterbron of bad binnen vier muren. Dit lijkt een standaardsymbool te zijn voor een stad die bekend was om zijn minerale baden. Op de kaart zijn links van Andesina bijvoorbeeld nog eens vijf van deze symbolen te zien, allemaal voorzien van het bijschrift aquis (‘wateren’, zoals in het genoemde Aquae Granni). De bekendste van de vijf is waarschijnlijk Aquae Calidae, het huidige Vichy. Overigens wordt ook voor het castellum van Praetorium Agrippinae in het huidige Nederland dit symbool gebruikt, maar daar is voor zover ik weet nooit iets van een bron of bad gelokaliseerd (en ik woon om de hoek).

De Franse architect en archeoloog Jean-Claude Golvin (1942) heeft een prachtige reconstructietekening van Grand gemaakt zoals het stadje er in de Oudheid uitgezien zou kunnen hebben. De tekening is hier te raadplegen. Veel van de tekening zal kloppen. Zo zijn de stadsmuren, de sierpoort en de ronde torens archeologisch wel aangetoond of op z’n minst zeer aannemelijk. Langs de Chemin de Remparts kan men nog de resten van zo’n ronde toren zien. De merkwaardige cirkel rondom het stadje is vermoedelijk het pomerium, de heilige grens van Grand/Andesina. Die cirkel is nog steeds goed zichtbaar als men Grand met Google Maps van boven bekijkt.

Kerkje van Sainte-Libaire.

Op de tekening van Golvin zien we verder de ‘basilica’ en het amfitheater, een badhuis en ook een hoge zuil waarop een teruggevonden ruiterstandbeeld van Jupiter moet hebben gestaan. Dit beeld bevindt zich thans in het Musée lorrain in Nancy. Een afbeelding ervan vindt u hier. Afgaande op de tekening kwamen bezoekers en pelgrims vanuit het oosten via een sierpoort op de ommuurde binnenplaats, die aan drie kanten zuilengangen had. Hier zou dan ook de heilige bron van Grannus zijn geweest en op de tekening zien we ook twee fraaie tempels staan, waarvan de grootste aan Grannus gewijd moet zijn geweest (de andere wellicht aan Jupiter). Hier beginnen helaas de problemen. Ondanks meerdere onderzoeken zijn er van deze tempels nog geen sporen teruggevonden. Een logische plaats om te zoeken was onder de huidige kerk van het dorp, die is gewijd aan Sainte-Libaire, een plaatselijke heilige die in 362 de marteldood zou zijn gestorven onder keizer Julianus de Apostaat (361-363). Christelijke kerken werden immers niet zelden over heidense heiligdommen heen gebouwd. Geofysisch onderzoek heeft echter geen spoortje van fundamenten of muren opgeleverd.

Moeten we de tempel van Grannus dan naar het rijk der fabelen verwijzen? Dat gaat veel te ver. De lofredenaar die over het bezoek van Constantijn sprak (zie hieronder), noemde deze tempel de templum toto orbe pulcherrimum, oftewel de ‘mooiste tempel van de hele wereld’. Het Latijnse woord templum betekent niet alleen ‘tempel’, maar is ook de algemene term voor een heiligdom. Het geofysische onderzoek heeft wel vastgesteld dat de kerk is gebouwd op bijzonder zompige grond, dus mogelijk op een grote watermassa. Dit verklaart ook waarom de kerk van Sainte-Libaire zo instabiel is. Toen wij Grand in de zomer van 2019 bezochten, was het gebouw gesloten en moest het op meerdere plekken gestut worden (zie foto). In de Keltische en ook in de Germaanse wereld bestonden waterheiligdommen soms uit heilige meren waarin waardevolle voorwerpen werden gegooid als offers aan de goden. Zulke meren waren er in elk geval in Tolosa (het huidige Toulouse), want we weten dat die in 106 BCE geplunderd werden door de Romeinse consul Quintus Servilius Caepio. Het is niet onmogelijk dat het dorpskerkje over een bron of meertje heen werd gebouwd in plaats van over een klassieke Romeinse tempel. Dit blijft voorlopig echter nog speculeren.

APO[LLINI?] E SA[CRVM?]

[GRA?]NNO REGI ILLA

In het museum bij de ‘basilica’ zijn enkele voorwerpen te zien die aanvullend bewijs moeten leveren voor de aanwezigheid van een cultus van Apollo Grannus in Grand. Die voorwerpen vereisen echter wel de nodige interpretatie, want de teksten erop zijn zelden compleet overgeleverd. Zo is er een in 1964 gevonden inscriptie met de letters NNO REGI ILLA. Van NNO maakten de archeologen vervolgens [GRA]NNO, ‘voor Grannus’, maar er zijn natuurlijk nog wel meer Latijnse woorden van te maken. Dan is er nog een in 1935 gevonden inscriptie met de tekst SOMNO IVSSV[S], ‘bevolen in de slaap’ of ‘bevolen in een droom’. Dit werd wel verbonden aan overnachtingen van pelgrims rondom de heilige bron, bijvoorbeeld in de veronderstelde colonnades rondom het heilige water (zie de tekening van Golvin). De Franse historicus Albert Grenier (1878-1961) achtte de inscriptie overtuigend bewijs, maar het museum relativeert dat tegenwoordig sterk. Een godheid kon immers ook buiten een heiligdom om bevelen geven aan slapende mensen. Een derde bewijsstuk is een inscriptie met niet meer dan de letters APO E SA, gevonden in 1947. Experts lezen er graag APO[LLINI] E SA[CRVM] in (‘aan Apollo en heilig’), waarmee de link met Apollo is gelegd, als gezegd de Romeinse naam van Grannus.

Het sterkste bewijs is dan misschien nog wel een bronzen plaatje van de vrijgelatene Fidelis, die stelt een gelofte aan Apollo te hebben vervuld. Hierop staat de naam van Apollo tenminste volledig vermeld: APOLLINI. Samenvattend: het staat dankzij onder meer de aanwezigheid van de ‘basilica’ met het grote mozaïek en het amfitheater vast dat Grand in de Oudheid belangrijk was. Verder is verreweg de meest aannemelijke theorie dat Grand kan worden gelijkgesteld aan Andesina op de kaart van Peutinger, en dat het stadje in de Oudheid beroemd was vanwege een heiligdom van de god Apollo Grannus. De theorie bevat echter wel enkele gaten. Archeologische sporen van het heiligdom moeten nog worden aangetoond en het overige archeologische bewijs is verre van perfect. Juist in de Oudheidkunde geldt echter: afwezigheid van bewijs is geen bewijs van afwezigheid. Ongetwijfeld wordt het archeologisch onderzoek in de toekomst voortgezet en gaan we nog veel meer van Grand horen.

Inscriptie met de tekst SOMNO IVSSV[S] en bronzen plaatje van de vrijgelatene Fidelis met het woord APOLLINI.

Het bezoek van Constantijn in 310

Godin van de overvloed.

Constantijn was in juli 306 keizer (Augustus) geworden na de dood van zijn vader Constantius Chlorus.[3] Aanvankelijk heerste hij alleen over de westelijke Romeinse provincies in Britannia, Germania, Gallia en Hispania. In september 307 trad hij in het huwelijk met Fausta, de dochter van de twee jaar eerder afgetreden keizer Maximianus (286-305). Diens zoon Maxentius had een jaar daarvoor, op 28 oktober 306, de macht in Rome gegrepen dankzij de praetorianen. Hij heerste over Italië en delen van Noord-Afrika. Bovendien had hij zijn vader opnieuw als keizer aangesteld. Later kregen vader en zoon echter ruzie, en moest Maximianus noodgedwongen naar de gebieden van zijn schoonzoon Constantijn vluchten. Toen hij daar tegen Constantijn begon te rebelleren, moest de laatstgenoemde ingrijpen. Hij brak zijn veldtocht in Germaans gebied af en haastte zich naar het zuiden. In 310 werd Maximianus in opdracht van Constantijn gewurgd.

Rond dezelfde tijd, dus omstreeks 310 kan Constantijn het heiligdom van Apollo Grannus in Andesina hebben bezocht. Misschien gebeurde dit kort voor, maar anders zeker kort na zijn optreden tegen zijn schoonvader. Dat Constantijn het heiligdom aandeed, wordt afgeleid uit een lofdicht (panegyricus) dat een redenaar in 310 in Augusta Treverorum (Trier) uitsprak voor de keizer. Die vierde op dat moment zijn quinquennalia, zijn vijfde jaar op de troon. De dichter declameerde dat Constantijn “van de hoofdweg afsloeg om een bezoek te brengen aan de prachtigste tempel – templum toto orbe pulcherrimum – van de hele wereld”.[4] Daar zou Apollo zich samen met Victoria, de godin van de overwinning, aan de keizer hebben geopenbaard. Hoewel het niet met zoveel woorden in de lofrede staat, wordt aangenomen dat de genoemde Apollo geen andere god dan Apollo Grannus kan zijn geweest, en dat Constantijn dus de hoofdweg tussen het noorden en het zuiden verliet om Andesina te bezoeken. Daar had hij vervolgens een visioen met de god, of anders wellicht een droom.

Mozaïek van een luipaard.

De lofredenaar kon alleen maar weten dat Constantijn Apollo had gezien omdat de keizer het hem zelf had verteld of omdat hij het in de naaste omgeving van Constantijn had gehoord. Hij dicht namelijk: “Maar waarom zegt ik ‘ik geloof’. U hébt hem [Apollo] gezien en U hebt Uzelf herkend in de beeltenis van Hem die rechtens de heerschappij over de hele wereld zou verkrijgen”.[5] Het is natuurlijk niet meer te achterhalen of Constantijn het visioen of de droom echt had gehad of alleen maar had verzonnen omdat dit hem politiek goed uitkwam. Tussen 306 en 310 had de keizer blijkens zijn munten vooral de goden Hercules en Mars vereerd. In 310 had hij daarmee gebroken en voor Sol Invictus, de Onoverwonnen Zon gekozen. In Apollo Grannus zal hij een manifestatie van de Zon hebben gezien. Hoewel de keizer vanaf 312, na zijn overwinning op de al genoemde Maxentius, veel pro-christelijke maatregelen nam en mogelijk zichzelf al als christen beschouwde, bleef hij nog tot 318 bronzen munten en tot 325 gouden munten met de beeltenis van Sol slaan. Het visioen in Grand is vooral hierom relevant omdat het de voorloper is van het latere christelijke visioen dat de keizer in de oorlog met Maxentius zou hebben gehad. Dit veel beroemdere visioen kennen we dankzij auteurs als Lactantius en Eusebius, die overigens niet bepaald hetzelfde verhaal vertellen.[6]

De ‘basilica’

In 1883 vond de archeoloog Félix Voulot (1828-1883) in Grand een schitterend vloermozaïek dat 232 vierkante meter groot bleek te zijn. Vermoedelijk dateert het mozaïek van de tweede helft van de tweede eeuw van onze jaartelling. Het gebouw waarin het mozaïek lag, had een apsis en werd de basilica van Grand genoemd. Veel moderne geleerden betwijfelen echter of het wel echt een basilica was, dat wil zeggen een gebouw waarin recht werd gesproken. Wat voor functie had het gebouw dan wel? Volgens alternatieve verklaringen was het een zaal waarin de cultus van Apollo Grannus werd georganiseerd, een tempel of zelfs een schoolgebouw. Er is ook wel geopperd dat het helemaal niet om een openbaar gebouw ging, maar om de ontvangstruimte van een particulier gebouw. Kortom, we weten het niet en zullen het misschien ook nooit te weten komen.

Vloermozaïek in de ‘basilica’.

Het prachtige vloermozaïek is ook niet gemakkelijk te interpreteren. Een groot deel ervan bestaat uit geometrische patronen. Rondom de voorstelling in het midden, het emblema, zijn vier wilde dieren afgebeeld. Het gaat om een beer, een everzwijn, een tijger en een luipaard. De dieren kunnen op allerhande manieren worden geïnterpreteerd. Vaak wordt een verband gelegd met de spelen in het amfitheater van Grand, waar deze dieren tegen elkaar en tegen gladiatoren zullen hebben gevochten. Ook worden de vier dieren wel gelinkt aan de vier seizoenen. Omdat beren en zwijnen in Gallië voorkwamen, maar luipaarden en tijgers geïmporteerd moesten worden, kan men ook denken aan een symbolische voorstelling van de versmelting van inheemse en exotische elementen.

Van het emblema is maar ongeveer een derde bewaard gebleven, wat de interpretatie ervan bemoeilijkt. Doorgaans wordt aangenomen dat we een scène zien uit de komedie Phasma van de Griekse blijspeldichter Menander (ca. 342-290 BCE). Een probleem bij deze aanname is echter dat ook van Phasma maar een klein deel bewaard is gebleven, namelijk 56 regels van de eerste acte, nog eens 65 fragmentarische regels van de rest en enkele vermeldingen in andere bronnen. Op basis daarvan is het plot redelijk te reconstrueren. Phasma betekent ‘spook’ of ‘geestverschijning’ en slaat op de geheime dochter van de stiefmoeder van de hoofdpersoon Pheidias. De stiefmoeder houdt haar dochter – het resultaat van een verkrachting – verborgen, en als Pheidias de jonge vrouw bij toeval ziet, denkt hij aan een spook of een godin.[7] Mogelijk is dit moment afgebeeld, maar het mozaïek is verre van duidelijk. Volgens alternatieve interpretaties kan het ook gaan om een scène uit werk van de Latijnse blijspeldichter Plautus of zijn collega Terentius.

Emblema.

Het amfitheater

Gelet op de toneelscène in de ‘basilica’ ligt het voor de hand om aan te nemen dat Grand/Andesina een theater had. Daar zijn echter geen sporen van teruggevonden. Hoe anders is dat voor het immense amfitheater dat aan de oostkant van het stadje stond. Het amfitheater dateert van het einde van de eerste eeuw van onze jaartelling. Eind derde of begin vierde eeuw werd het nog eens verfraaid. Bij de bouw ervan is goed gebruik gemaakt van het terrein, want de cavea, zijnde het gedeelte waar de toeschouwers zaten, werd tegen een helling aan gebouwd. De cavea was in drie gedeelten opgesplitst. Hoe hoger een toeschouwer zat, hoe slechter het zich op het spektakel in de arena. Opmerkelijk is dat de meeste toeschouwers maar aan één zijde van de arena zaten, namelijk aan de zuidkant. Alleen de onderste rij zitplaatsen, voor de meest vooraanstaande bezoekers, liepen helemaal rond de arena. Men spreekt dan ook wel een van een demi- of semi-amfitheater. Deze constructie is kennelijk uniek voor Romeins Gallië.

Amfitheater van Grand.

Als gezegd bood het amfitheater plek aan zo’n 17.000 toeschouwers, waarbij men zich moet realiseren dat dat aantal bijna twee keer zo groot zou zijn geweest als ook aan de andere kant van de arena een volledige cavea was gebouwd. Het amfitheater is 148 meter lang en 65 meter breed. Ter vergelijking: het Colosseum in Rome is 188 meter lang en 156 meter breed. Vanaf de tweede helft van de vierde eeuw raakte het amfitheater geleidelijk in onbruik. De opkomst van het christendom, dat de bloederige spelen afkeurde, leverde hieraan een wezenlijke bijdrage. Het amfitheater was in de middeleeuwen een steengroeve geworden, waar de inwoners van Grand hun bouwmaterialen vandaan haalden. In de achttiende eeuw werd het gebouw uit de Oudheid herontdekt en werden er de eerste beschrijvingen van gemaakt, waarbij werd geconcludeerd dat het ooit een amfitheater moest zijn geweest. Tussen 1820 en 1823 verrichtte Jean-Baptiste-Prosper Jollois (1776-1842) de eerste opgravingen. Jollois was eigenlijk een Egyptoloog: hij had Napoleon vergezeld tijdens diens veldtocht in Egypte.

Arena.

Oude bogen en moderne tribune van het amfitheater.

Vervolgens duurde het nog tot 1963 voor de eerste wetenschappelijke opgravingen begonnen. Deze werden in 1981 afgerond met de blootlegging van het gehele amfitheater. Een deel ervan is tegenwoordig bedekt met houten banken, die hier werden geplaatst als onderdeel van een restauratie die in 1995 werd afgerond. Toen wij het amfitheater in de zomer van 2019 bezochten, waren in de arena wat kartonnen gladiatoren geplaatst. Het zag er wat knullig uit, maar het gaf wel een beeld van de typen gladiatoren die hier vochten. Het ging in elk geval om een secutor, een retiarius en een murmillo. De vierde gladiator was wat lastiger te identificeren. Gelet op zijn korte zwaard ging het wellicht om een thraex.

Noten

[1] De Bello Gallico 1.40.

[2] Cassius Dio 78.15 (ὁ Ἀπόλλων ὁ Γράννος).

[3] Door Galerius, die samen met Constantius Chlorus Augustus was geweest, werd hij alleen erkend als Caesar, een soort junior keizer. In het systeem van de zogenaamde tetrarchie waren er altijd twee Augusti en twee Caesares.

[4] Vertaling van het lofdicht in Henk Singor, Constantijn, p. 231.

[5] Vertaling in Singor, p. 232.

[6] Lactantius schreef omstreeks 314 dat Constantijn een droom had gehad, Eusebius noemde in 315-316 geen droom of visioen, maar noemt in zijn Leven van Constantijn uit ca. 340 een visioen van een kruis boven de zon en de Griekse tekst en toutoi nika, ‘overwin in dit teken’. Na dit visioen zou Christus ook nog in een droom aan Constantijn verschenen zijn. Eusebius beweert het verhaal dat hij in zijn Leven van Constantijn vertelt van de keizer persoonlijk te hebben gehoord. Zie Singor, p. 261-264.

[7] Ariana Traill, Women and the Comic Plot in Menander, p. 65-66.

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.