Rome: Santi Bonifacio e Alessio

Santi Bonifacio e Alessio.

Als ik in Rome ben, bezoek ik altijd even de Aventijn, al was het alleen maar vanwege het prachtige uitzicht over de stad, en dan vooral over Trastevere, vanuit de Giardino degli Aranci. Naast deze sinaasappeltuin staat de immense kerk van Santa Sabina uit de vijfde eeuw en ook dat is een bezienswaardigheid die blijft boeien. Slechts iets verder heuvelopwaarts staat een volgende interessante kerk, die van Santi Bonifacio e Alessio. Om de een of andere reden had ik deze kerk steeds genegeerd. Zeker, ik was er verschillende keren voorbijgelopen en enkele jaren terug had iemand die op weg was naar een trouwerij in deze kerk me zelfs om een routebeschrijving gevraagd. Omdat mijn Italiaans toen uitzonderlijk slecht was, kon ik alleen maar met mijn vinger wijzen. Ik was dus zeker op het hoogte van het bestaan van de kerk en het was daarom hoog tijd voor een bezoek. De gelegenheid daarvoor kwam op een prachtige zondagmiddag in januari 2018.

Vroege geschiedenis

De kerk van Santi Bonifacio e Alessio zou best wel eens net zo oud kunnen zijn als haar buurvrouw, de Santa Sabina. Over haar vroege geschiedenis is echter weinig vastgelegd. De kerk is gewijd aan twee heiligen, Bonifatius van Tarsus en Alexius van Rome, die zo op het oog niets met elkaar te maken hebben. Het enige wat ze gemeen hebben, is dat kan worden betwijfeld of ze echt bestaan hebben, en dan druk ik me nog voorzichtig uit. Aanvankelijk was de kerk alleen gewijd aan Sint Bonifatius. Volgens een volkslegende was hij een slaaf in het huis van een rijke Romeinse matrona die Aglaida of Aglae heette. De twee leefden een losbandig en nogal onchristelijk leven en hadden mogelijk een seksuele relatie met elkaar. Later kwamen ze tot inkeer en reisde Bonifatius naar het oostelijke gedeelte van het Romeinse Rijk om daar de overblijfselen van martelaren te verzamelen en mee terug te nemen naar Rome. In de vroege vierde eeuw stierf hij echter zelf de marteldood en Aglaida liet zijn lichaam vanuit Tarsus repatriëren naar haar huis op de Aventijn. Daar liet ze zijn overblijfselen bijzetten in een kerk die was gebouwd op of nabij de plek waar ze woonde.

Cosmatenvloer.

Het is een mooi verhaal, maar het is wel verzonnen. Niettemin was de naam Bonifatius populair in Rome. Gedurende bijna duizend jaar werd de naam aan verschillende pausen gegeven – tussen 418 en 1404 waren er negen pausen met de naam Bonifatius – en een Saks uit Engeland genaamd Winfried kreeg van Paus Gregorius II (715-731) de nieuwe naam Bonifatius en werd vervolgens de Apostel van de Duitsers. De kerk gewijd aan Bonifatius van Tarsus lijkt vooral in de late tiende eeuw tot grote bloei te zijn gekomen. In 977 gaf Paus Benedictus VII (974-983) de kerk en het aangrenzende klooster aan een bejaarde vluchteling uit het Oosten, de voormalige metropoliet Sergius van Damascus. Het is niet helemaal duidelijk waarom Sergius en zijn volgelingen uit Syrië waren gevlucht. Op dat moment was er – net als nu – sprake van grote onrust in het Midden-Oosten. Oost-Romeinse keizers als Nikephoros II Phokas (963-969) en zijn opvolger Johannes I Tzimiskes (969-976) waren in de aanval gegaan tegen de moslims van het Kalifaat van de Abbasiden en hun bondgenoten. Arabieren vochten tegen Turken, soennieten vochten tegen sjiieten en lokale heersers vochten tegen elkaar. Misschien moest Sergius van Damascus vluchten vanwege vervolgingen door moslims of door andere christenen, of misschien vluchtte hij wel gewoon voor het geweld in de regio. In elk geval werden hij en zijn entourage allerhartelijkst ontvangen in Rome.

Toen Sergius slechts vier jaar later, in 981, kwam te overlijden, liet hij een bloeiende gemeenschap op de Aventijn achter. Het bijzonder aan deze kloostergemeenschap was dat zowel monniken die de Griekse regel van Sint Basilius volgden als monniken die de Latijnse regel van Sint Benedictus volgden er deel van uitmaakten. De kerk en het klooster werden al snel een centrum van waaruit missionarissen naar alle delen van Europa werden gestuurd, vooral naar het oosten van Centraal-Europa, het woongebied van de Slaven. Een van de beroemdste missionarissen die vanuit dit centrum op pad gingen, was Sint Adalbert van Praag, die in 997 de marteldood stierf (zie Rome: San Bartolomeo all’Isola). De kerk en het klooster ontvingen financiële steun van de keizer van het Heilige Roomse Rijk, Otto II (973-983), zijn Griekse vrouw Theophanu en hun zoon, Otto III (996-1002).

Kapel van Sint Alexius.

Sergius en zijn monniken uit het Oosten zouden heel goed verantwoordelijk kunnen zijn geweest voor de introductie van de legende van Sint Alexius in Rome. Hoewel zijn naam – Alexius van Rome – iets anders suggereert, is de legende van deze heilige ontstaan in Edessa, het tegenwoordige Urfa in Turkije. Alexius zou een jongeman uit een welgestelde Romeinse familie zijn geweest die wegliep van huis om in het Oosten als een bedelaar te gaan leven. Sommige versies van het verhaal stellen dat hij probeerde onder een gearrangeerd huwelijk uit te komen. Vele jaren later keerde Alexius naar zijn ouders terug, maar die herkenden hem niet meer. Omdat ze christenen waren, gaven ze hem niettemin onderdak en stonden hem toe onder een trap buiten hun huis te wonen, net zoals Harry Potter in de bezemkast onder de trap in het huis van zijn oom mocht wonen (met als verschil natuurlijk dat oom Duffeling een vreselijke man was). Zeventien jaar later stierf Alexius onder zijn trap en toen pas werd op zijn lichaam een document ontdekt waarin hij uitlegde wie hij was en wat hij had gedaan. Aan de betrouwbaarheid van het verhaal kan men twijfelen, maar het was erg populair in Rome. In de oudere kerk onder de San Clemente elders in Rome kan men fresco’s bewonderen die het verhaal vertellen.

Latere geschiedenis

We weten niet of de wijding van de kerk aan Alexius al in de tiende eeuw plaatsvond of pas wat later, in de dertiende eeuw. Wel is duidelijk dat tegen de tijd dat Paus Honorius III (1216-1227) in 1217 opdracht gaf tot een grondige restauratie van het complex, de monniken die de Griekse rite volgden al lang geleden vertrokken waren. Zij werden eerst vervangen door Benedictijnen van de Abdij van Cluny in Frankrijk, die zelf in 1231 weer vervangen werden door premonstratenzers (ook bekend als norbertijnen). Deze moesten in 1426 plaatsmaken voor leden van de Orde van de Heilige Hiëronymus, een orde met wortels in Spanje (zie deze bijdrage voor een van hun beroemdste kloosters in Portugal). Sinds 1846 beheren de Chierici regolari di Somasca het complex en zij verblijven er nog steeds. De kapel links van het koor is gewijd aan de stichter van hun orde, Sint Gerolamo Emiliani (1486-1537).

Zuilen met Cosmatenversieringen.

In de loop der eeuwen is er veel gewijzigd aan de middeleeuwse basiliek van Honorius. Gelukkig is de klokkentoren uit de dertiende eeuw bewaard gebleven. Toegang tot de kerk is via een binnenplaats, die ongetwijfeld een eerder atrium verving van het type dat we ook bij kerken als de San Clemente en de San Paolo fuori le Mura aantreffen. De kerk heeft een portiek uit de zeventiende eeuw die wellicht is geïnspireerd door die van de kerk van Santi Apostoli elders in Rome. Hier vinden we twee kaarsenhouders in de vorm van een diaken, toegeschreven aan de school van Arnolfo di Cambio (ca. 1240-1300/10). Kennelijk waren deze ooit onderdeel van een monument voor Paus Honorius IV (1285-1287). Net als de derde Honorius behoorde hij tot de invloedrijke familie Savelli, die een burcht op de Aventijn bezat. Ik heb geen idee of er een verband bestaat tussen de kaarsenhouders en de restanten van de graftombe van Honorius IV in de Santa Maria in Aracoeli. Bovenop de gevel van de kerk zien we nog een zeer oud kruisbeeld waarvan beweerd wordt dat het uit de tiende eeuw dateert.

De meest gekoesterde bezittingen van de Santi Bonifacio e Alessio zijn haar vele versieringen in Cosmatenstijl. Langs drie kanten van de ingang lopen stroken Cosmatenversieringen en eenmaal binnen worden we aangenaam verrast door de prachtige Cosmatenvloer. De vloer is origineel, maar werd wel duidelijk in het verleden gerestaureerd, in dit geval in de achttiende eeuw. In de apsis vinden we nog meer Cosmatenversieringen. Hier staan twee zuilen met ingewikkelde versieringen aan weerszijden van een plaat met een middeleeuwse inscriptie in het Latijn ter ere van Sint Alexius. De zuilen komen oorspronkelijk uit de kerk van San Bartolomeo all’Isola. Ze werden gesigneerd door de man die ze maakte, ene Giacomo di Lorenzo (IACOBVS LAVRENTII), en ze zijn werkelijk prachtig. Oorspronkelijk waren er meer zuilen, negentien in totaal[1], maar Franse soldaten in het leger van Napoleon zouden ze allemaal hebben gestolen behalve deze twee.

Interieur van de kerk.

Bij lezing van mijn beschrijving van de kerk in de vorige alinea’s zou men het idee kunnen krijgen dat de Santi Bonifacio e Alessio haar middeleeuwse karakter heeft behouden. Helaas is niets minder waar. Men het Jubeljaar 1750 in aantocht besloten de hiëronymieten die toen het complex beheerden de kerk in Barokstijl te laten verbouwen. Dit was een enorm project, dat in feite resulteerde in de kerk die we vandaag de dag zien. Het ontwerp was van de hand van Giovanni Battista Nolli (1701-1756), misschien wel het meest bekend vanwege zijn plattegrond van Rome, de zogenaamde Nolli-kaart uit 1748 (La Pianta Grande di Roma in het Italiaans). Nolli werd later vervangen door Tommaso de Marchis (1693-1759), die de verbouwing in 1755 afrondde. Toen in de negentiende eeuw de Chierici regolari di Somasca het complex hadden overgenomen, werden nog meer wijzigingen aangebracht. Een zekere Michele Ottaviani uit de Marche decoreerde het middenschip en Carlo Gavardini uit Pesaro (1811-1869) was verantwoordelijk voor de decoratie van de apsis en het kruisgewelf. Deze veranderingen werden tussen 1852 en 1860 doorgevoerd. Als gevolg hiervan heeft de kerk tegenwoordig een tamelijk moderne uitstraling, met hier en daar een paar mooie middeleeuwse elementen. Tot deze middeleeuwse elementen behoort ook de crypte in Romaanse stijl, die helaas niet toegankelijk is voor bezoekers.

Verdere bezienswaardigheden

Icoon in de Sant’Alessio.

De eerste kapel aan de linkerzijde van de kerk is gewijd aan Sint Alexius. Boven het altaar kunnen we een beeld bewonderen van de stervende heilige onder zijn trap. Het beeld is een werk van de achttiende-eeuwse beeldhouwer Andrea Bergondi (gestorven in 1789). Over zijn leven is niet meer bekend dan dat hij in de jaren 1760 en 1770 actief was in Rome. De trap, die is geplaatst in een houder van glas en verguld hout, is een nogal curieus relikwie.

Rechts van het koor vinden we een kleine externe kapel die is gewijd aan het Heilige Sacrament. De kapel dateert van 1674 en werd later verbouwd en gerestaureerd. In de kapel hangt een icoon van de Maagd Maria. Het is zeker oud, maar de theorie dat het door de eerdergenoemde Sergius van Damascus naar Rome werd gebracht kan niet kloppen. Daarvoor is het icoon simpelweg te jong: het werd gemaakt in de twaalfde of dertiende eeuw. Vergelijkbare iconen van de Maagd treft men aan in kerken als de Santa Maria in Aracoeli en de San Lorenzo in Damaso. Mogelijk was het icoon ooit onderdeel van een Deësis, een voorstelling van Christus geflankeerd door de Maagd en Johannes de Doper in de voorspraakhouding, dat wil zeggen met de handen opgeheven in gebed (dat is ook wat het woord ‘deësis’ betekent: gebed of smeekbede). Het icoon werd in de zeventiende eeuw geretoucheerd, wellicht in 1645, en in 1952 werd het op respectvolle wijze gerestaureerd.

Bronnen

Noot

[1] De volledige tekst op een van de twee overgebleven zuilen luidt: IACOBVS LAVRENTII FECIT HAS DECEM ET NOVEM COLVMPNAS CVM CAPITELLIS SVIS, wat kan worden vertaald als “Giacomo di Lorenzo heeft deze negentien zuilen gemaakt samen met hun kapitelen”.

One Comment:

  1. Pingback: Rome: Santi Bonifacio e Alessio – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.