Rome: San Pietro in Vincoli

De San Pietro in Vincoli.

De San Pietro in Vincoli is een kerk aan de rand van de Esquilijn, net ten noorden van het beroemde Colosseum. Het gebouw ziet er niet echt als een kerk uit. Sterker nog, wie er langsloopt, ziet de San Pietro gemakkelijk aan voor een of ander palazzo uit de vroege Renaissance. De gevel is niet echt kenmerkend voor een kerk en er is ook geen klokkentoren. De kerk ligt ingeklemd tussen gebouwen aan de linker- en rechterkant, dus haar vorm is van buitenaf nauwelijks te zien. Ondanks dit alles is de San Pietro een kerk die niet alleen zeer oud is, maar ook zeer belangrijk omwille van zowel religieuze als culturele redenen. De kerk bezit de beweerde ketenen (vincoli) van Petrus, een ongelooflijk belangrijk relikwie in het christelijke geloof. Binnen staat bovendien een van de beroemdste beeldhouwwerken van Michelangelo (1475-1564), zijn Mozes. Deze is onderdeel van de graftombe van Paus Julius II en men vindt het beeld in het rechter dwarsschip.

Vroege geschiedenis

In de Oudheid was dit gedeelte van de Esquilijn een rijke buurt; de sloppenwijken van de Suburra lagen beneden in de vallei. In het midden van de vierde eeuw werd hier een kerk gewijd aan de Twaalf Apostelen gebouwd (de basilica apostolorum). Paus Sixtus III (432-440) veranderde de wijding van de kerk in 439 en beperkte deze tot slechts twee van de Apostelen, namelijk Petrus en Paulus. Vermoedelijk werd in 442 een geheel nieuwe kerk op deze plek gebouwd ter vervanging van de oude. Dit nieuwe gebouw wordt toegeschreven aan een priester genaamd Philip en aan de West-Romeinse keizerin Licinia Eudoxia, de vrouw van keizer Valentinianus III (425-455). De kerk wordt naar haar vaak de Basilica Eudoxiana of de Titulus Eudoxiae genoemd.

Interieur van de kerk.

Zoals hierboven reeds aangegeven, zijn de ketenen van de Apostel Petrus de belangrijkste relikwieën in de kerk. De verhalen over deze ketenen zijn nogal verwarrend, en op de een of andere manier zijn verschillende versies met elkaar verweven geraakt. Volgens de christelijke overlevering werd Petrus bij tenminste twee gelegenheden in de boeien geslagen. Volgens de Handelingen van de Apostelen werd hij door Herodes Agrippa in Jeruzalem gearresteerd en vervolgens door een door God gezonden engel bevrijd (“Meteen vielen de ketens van zijn handen”, Handelingen 12:7). Een geheel apocriefe, maar kennelijk gezaghebbende overlevering voegt daaraan toe dat Petrus vervolgens naar Rome reisde en daar de eerste paus werd. Hier in Rome werd hij uiteindelijk gearresteerd, wederom in de boeien geslagen en later ondersteboven gekruisigd (de plaats van deze kruisiging is – ten onrechte – geïdentificeerd als die van het Tempietto, naast de kerk van San Pietro in Montorio). Dat roept de vraag op welke ketenen eigenlijk in de kerk bewaard worden, die uit Rome of die uit Jeruzalem.

Het probleem met de Romeinse versie is dat er geen stevig bewijs is dat Petrus, een simpele visser uit Galilea die alleen Aramees sprak, ooit naar Rome is afgereisd. En zelfs als dat wel zo is, werd hij daar zeker niet de eerste paus. Dat betekent dat ook de verhalen over zijn arrestatie en daaropvolgende kruisiging buitengewoon problematisch zijn. De Jeruzalem-versie heeft dan tenminste nog een (wankele) basis in de canonieke Handelingen van de Apostelen, waarin expliciet ketenen worden genoemd. Echter, dat betekent natuurlijk nog niet dat dit verhaal eerder ‘waar’ is. Volgens deze versie werden de ketenen van Petrus’ gevangenneming door Herodes op de een of andere manier in 439 ‘herontdekt’ door Juvenalis, de bisschop van Jeruzalem. Hij zou een van de ketenen aan de keizerin Aelia Eudocia hebben gegeven, die het voorwerp weer doorgaf aan haar dochter, de eerdergenoemde Licinia Eudoxia. De tekst boven de ketenen in de San Pietro in Vincoli suggereert duidelijk dat hier de ketenen uit Jeruzalem liggen. In het Latijn staat er:

Ketenen van Petrus.

MISIT DOMINVS ANGELVM SVVM ET ERIPVIT ME DE MANV HERODIS
(“De Heer heeft zijn engel gestuurd en mij bevrijd uit de handen van Herodes”; Handelingen 12:11)

Maar er is ook nog een derde traditie, die beweert dat een keten van de Romeinse gevangenschap van Petrus en een keten uit Jeruzalem op miraculeuze wijze samengesmolten werden tot één enkele keten met een lengte van iets minder dan twee meter. Dit wonder zou hebben plaatsgevonden ofwel tijdens het pontificaat van Paus Leo I de Grote (440-461), ofwel tijdens dat van zijn voorganger, de voornoemde Sixtus III. Deze traditie is verreweg de meest belachelijke van de drie en kan dus maar het beste als vrome nonsens gekwalificeerd worden. Of u een van de andere tradities wilt geloven, is aan uzelf: het gaat hier om het rijk der religie, niet om harde wetenschap.

De kerk bezit tevens relikwieën die ooit werden aangemerkt als die van de Heilige Martelaren uit het deuterocanonieke Bijbelboek 2 Makkabeeën (zie Rome: Santa Maria Antiqua voor een afbeelding). Uit onderzoek uitgevoerd in de jaren 1930 blijkt echter zonneklaar dat het hier om botten van honden gaat.

Latere geschiedenis

Grafversiering, dekplaat en wapen van Nicolaas van Cusa.

Vanaf de vroege Middeleeuwen werd de San Pietro in Vincoli een belangrijk bedevaartsoord. Hoewel de kerk toen al eeuwenlang de Sint Petrus in de Ketenen werd genoemd, werd pas tijdens het pontificaat van Paus Gregorius VII (1073-1085) de wijding – voorheen aan Petrus en Paulus gezamenlijk – formeel gewijzigd. Ook al was de kerk populair en belangrijk als bedevaartsoord, in de vijftiende eeuw was ze danig in verval geraakt en hard aan een restauratie toe. Gelukkig deed de kardinaal-priester van de kerk niet aan duimendraaien. Zijn naam was Nicolaas van Cusa (1401-1464), van geboorte een Duitser. Hij was niet slechts een man van de kerk, maar tevens een belangrijke filosoof en wetenschapper. Nicolaas van Cusa begon in 1449 met de restauratie en liet in zijn testament een flinke som geld na om het project na zijn dood voort te zetten. De kardinaal stierf in 1464 en werd in zijn eigen kerk begraven. Men kan zijn graftombe vinden aan het begin van de linker zijbeuk. De tombe is een prachtig kunstwerk dat wordt toegeschreven aan Andrea Bregno (1418-1503). Links zien we de kardinaal zelf terwijl hij knielt. Petrus zit in het midden en rechts zien we de engel uit Handelingen 12:7. De engel houdt een keten vast en Petrus lijkt ernaar te wijzen.

Mozaïek van Sint Sebastiaan.

De restauratie werd voortgezet door twee kardinalen uit de familie Della Rovere, Francesco en zijn neef Giuliano. Francesco werd later Paus Sixtus IV (1471-1484) en Giuliano zou Paus Julius II (1503-1513) worden. Paus Sixtus liet de huidige gevel aan de kerk toevoegen. De portiek werd in 1475 ontworpen en gebouwd door Baccio Pontelli (ca. 1450-1492). Oorspronkelijk moet het bovenste gedeelte van de gevel uit de vijfde eeuw nog zichtbaar zijn geweest, maar toen in 1578 een tweede verdieping werd toegevoegd boven Pontelli’s portiek werd deze geheel aan het zicht onttrokken. Vooral als gevolg van de portiek en de verdieping daarboven lijkt de San Pietro eerder op een palazzo dan op een kerk. Het huidige uiterlijk van de San Pietro in Vincoli is grotendeels toe te schrijven aan verdere restauraties die in de late zeventiende en vroege achttiende eeuw werden uitgevoerd door Francesco Fontana (1668-1708), zoon van de beroemdere Carlo Fontana (1634/38-1714). Tijdens deze restauraties werd een plafond aan de kerk toegevoegd. In het centrale paneel van het plafond zien we een fresco van de schilder Giovanni Battista Parodi (1674-1730) uit Genua. Het fresco toont het wonder van de twee ketenen dat hierboven reeds werd genoemd.

Bezienswaardigheden

Naast de ketenen, die worden bewaard in een reliekschrijn onder het hoogaltaar, en de graftombe van Nicolaas van Cusa (zie hierboven) zijn er nog veel meer hoogtepunten in de kerk. De apsis hoort nog bij de oorspronkelijke basiliek uit de vijfde eeuw en ze werd voorzien van fresco’s van de hand van Jacopo Coppi (1523-1591). In de linker zijbeuk treffen we een zeer oud mozaïek uit de zevende eeuw aan met daarop Sint Sebastiaan. In het jaar 680 werd Rome getroffen door een vreselijke pestepidemie. Tegelijkertijd werd de Longobardische hoofdstad Pavia door dezelfde ziekte getroffen. In beide gevallen zou Sint Sebastiaan hebben geïntervenieerd, wat ook de reden is dat hij tot de zogenaamde pestheiligen wordt gerekend. In Pavia stond eveneens een kerk met de naam San Pietro in Vincoli en daar werd na afloop van de epidemie een altaar gewijd aan Sint Sebastiaan neergezet. In Rome werd enkele jaren na 680 een mozaïek gemaakt en geplaatst in de Romeinse kerk met dezelfde naam. Het mozaïek is bijzonder omdat het de heilige toont als een bebaarde man van middelbare leeftijd. In de latere kunst wordt Sebastiaan doorgaans afgebeeld als een jongeman wiens lichaam doorzeefd is met pijlen.

Graftombe van Paus Julius II.

Michelangelo’s graftombe voor Paus Julius II, weggestopt in het rechter dwarsschip, is de voornaamste reden waarom veel toeristen deze kerk bezoeken. Eigenlijk had deze graftombe veel groter moeten zijn, met veel meer beelden. En eigenlijk had de tombe geplaatst moeten worden in de nieuwe Sint Pieter, het gigantische project waaraan Paus Julius in 1506 zelf was begonnen. Al in 1505 had Michelangelo een ontwerp gemaakt voor een vrijstaande graftombe die een oppervlakte van zo’n 70 vierkante meter zou beslaan en zou worden voorzien van zo’n veertig beelden. Voordat hij met uitvoering ervan kon beginnen kreeg hij echter de opdracht van de Paus om het plafond van het Sixtijnse Kapel te beschilderen. De grote Florentijnse kunstenaar werkte tussen 1508 en 1512 aan dit project en wijdde zich daarna weer aan het maken van beelden voor de tombe. Paus Julius II stierf in 1513. Zijn immense nieuwe basiliek was toen nog lang niet voltooid en hetzelfde gold voor zijn graftombe.

De ontwerpen die uitgingen van een vrijstaande graftombe verdwenen daarna al snel in de prullenbak. Er werd nu gekozen voor een veel bescheidenere muurtombe. Van de geplande veertig beelden werden er slechts zeven ook daadwerkelijk gemaakt (exclusief de vier telamons, de mannelijke tegenhangers van de kariatiden). Pas ergens in de jaren 1540 werd de graftombe eindelijk voltooid. Een van de redenen voor de vertraging was het feit dat Michelangelo wederom een opdracht had gekregen om in de Sixtijnse Kapel te werken. Ditmaal was het Paus Paulus III (1534-1549) die hem had belast met het schilderen van het Laatste Oordeel (1536-1541) op de achtermuur van de kapel. En zoals de grote Australische kunstcriticus Robert Hughes terecht opmerkte: een mens – en zelfs Michelangelo – heeft maar één paar handen. In 1545 werd de muurtombe hier in de San Pietro in Vincoli geplaatst, de kerk die de Paus als kardinaal-priester had gediend van 1471 tot aan zijn verkiezing als Paus in 1503. Uiteindelijk kwam de graftombe dus te staan in een kerk gewijd aan de Heilige Petrus, zij het niet kerk gewijd aan de Heilige Petrus (i.e. de Sint Pieter).

Close-up van het onderste gedeelte van de graftombe.

Het onderste gedeelte van de graftombe heeft drie beelden. Het beeld in het midden is de beroemde Mozes van Michelangelo uit ca. 1513-1515. Aan weerszijden staan beelden van Rachel en Lea. Het lijkt er sterk op dat Mozes kleine hoorntjes heeft, en dat is het gevolg van een verkeerde vertaling van de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst van Exodus. Een alternatieve interpretatie is echter dat de uitstulpingen eigenlijk lichtstralen moeten voorstellen. Dat komt in elk geval dichter in de buurt van de betekenis van het Hebreeuwse woord ‘karan’ dat in Exodus wordt gebruikt. Volgens een tamelijk komische traditie zou Michelangelo toen het beeld eindelijk voltooid was hebben uitgeroepen: “Spreek dan!”. Toen het beeld – uiteraard – niets terugzei, zou de kunstenaar de knie van Mozes met zijn beitel hebben geslagen. Daar zien we inderdaad een soort litteken, maar het verhaal klinkt als iets wat later bedacht is.

Mozes.

Het bovenste gedeelte van de graftombe wordt gesierd door nog eens vier beelden. In het midden zien we de liggende beeltenis (gisant) van Paus Julius II. Achter hem staat een beeld van een Madonna met Kind en aan weerszijden van de Paus staan een Sibille en een jonge profeet, wellicht Daniël. Het lijdt geen twijfel dat Michelangelo het hele beeld van Mozes zelf maakte, maar het is niet duidelijk in hoeverre hij betrokken was bij de andere beelden. Zeker is dat hij veel werk uitbesteedde aan leden van zijn school; de Sibille en de profeet worden doorgaans toegeschreven aan zijn leerling Raffaello da Montelupo (ca. 1505-1566), de maker van de eerste engel van het Castel Sant’Angelo. Michelangelo maakte ook enkele beelden die niet werden opgenomen in de uiteindelijke versie van de muurtombe. Zijn Stervende Slaaf en Opstandige Slaaf kwamen in het Louvre in Parijs terecht, zijn Genius van de Overwinning in het Palazzo Vecchio in Florence.

Bronnen

  • Capitool Reisgidsen Rome, 2009, p. 170;
  • Robert Hughes, De zeven levens van Rome, p. 241-242;
  • Luc Verhuyck, SPQR. Anekdotische reisgids voor Rome, p. 175-178;
  • San Pietro in Vincoli op Churches of Rome Wiki.

4 Comments:

  1. Pingback:Rome: San Martino ai Monti – – Corvinus –

  2. Pingback:Rome: Santi Apostoli – – Corvinus –

  3. Pingback:Ravenna: De Duomo – – Corvinus –

  4. Pingback:Spoleto: San Pietro – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.