De Oorlog tegen Jugurtha en de Grote Dreiging uit het Noorden: Het Jaar 107 BCE

Gezicht op het Forum Romanum.

Samenvatting

  • Het concilium plebis draagt het bevel in de oorlog tegen Jugurtha op aan Gaius Marius;
  • Marius rekruteert een deel van zijn soldaten uit de klasse van de proletarii (de ‘Mariaanse’ legerhervorming);
  • Marius neemt met een verrassingsaanval Capsa in, brandt de stad plat en moordt de gehele mannelijke bevolking uit;
  • De Tigurini, bondgenoten van de Cimbri en Teutones, verslaan en doden de consul Lucius Cassius Longinus.

Gaius Marius was bijna vijftig jaar oud toen hij op 1 januari van dit jaar aan zijn ambtstermijn als consul begon. Zijn belangrijkste doel was het beëindigen van de oorlog tegen Jugurtha, maar in het Romeinse staatsbestel was het de Senaat die (voorafgaand aan de verkiezingen voor de consuls) de provincies selecteerde en aan de magistraten toewees. Volgens Sallustius had de Senaat besloten om Numidië en de oorlog tegen de Numidische koning aan Quintus Caecilius Metellus toe te kennen, de generaal die al bijna twee jaar in de regio oorlog voerde en wiens legaat Marius was geweest. Onze geschiedschrijver beweert dat de volkstribuun Titus Manlius Mancinus het concilium plebis echter verzocht om het bevel aan Marius op te dragen. Het plebs nam dit voorstel voetstoots aan en daarmee verkreeg Marius het door hem zo gewenste opperbevel in de schoot geworpen. Meteen begon hij met de voorbereidingen, waarbij het versterken van het leger topprioriteit was.

De ‘Mariaanse’ legerhervorming

Legioensoldaten uit de tijd van de Republiek, late 2e eeuw BCE (foto: Jastrow).

Het Romeinse leger was altijd een leger van dienstplichtigen geweest. Van oudsher werden de soldaten geworven onder de klassen met eigen bezit, waarbij boeren uit de middenklasse de ruggengraat van de legioenen vormden. In de loop van de tweede eeuw werd het echter steeds moeilijker om voldoende manschappen te rekruteren. Vrijwilligers werden steeds schaarser, terwijl de dienstplicht in rap tempo zeer impopulair werd. Jonge Romeinen veinsden soms allerhande ziektes om maar niet bij de legioenen ingelijfd te worden (zie 151 BCE). De autoriteiten hadden geprobeerd deze problemen het hoofd te bieden door de bezitsvereisten voor het dienen in de legioenen te verlagen en door aan burgers die daar zelf geen middelen voor hadden door de staat geproduceerde wapens en uitrustingen te verstrekken. Ook de landhervormingen van Tiberius Gracchus van 133 BCE moeten tegen deze achtergrond bezien worden: arme burgers aan wie staatsland (ager publicus) werd toegewezen, werden weer onderdeel van de klassen met eigen bezit, waarmee ze ook weer aan de voorwaarden voor militaire dienst voldeden. Overigens had Tiberius’ broer Gaius Gracchus geprobeerd een einde te maken aan de illegale praktijk om jongens van onder de zeventien voor het leger te ronselen.

De genoemde maatregelen waren niet voldoende. Daarom ging Marius nog een stap verder: hij was de eerste magistraat die openlijk een deel van zijn soldaten uit de klasse van de proletarii rekruteerde, de mensen zonder bezit, letterlijk ‘zij die alleen hun kinderen (proles) hebben’. Deze mensen stonden tevens bekend als de capite censi, aangezien de censors tijdens de census alleen hun hoofden hoefden te tellen. Deze mannen hadden geen eigen bezit en derhalve ook geen wapens of pantsers. Dientengevolge was het de taak van de generaal of de staat om hun van het vereiste materiaal te voorzien en hun voor de geleverde diensten te betalen. Dienen in het leger werd hiermee een carrière. Anders dan de boeren uit de Midden-Republiek waren de proletarii die zich bij de legioenen aanmeldden beroepssoldaten. Zij hadden geen burgerleven of burgerlijk beroep dat ze weer op konden pakken als ze het leger verlieten. Hiermee vormt de ‘Mariaanse’ legerhervorming de eerste stap richting een beroepsleger.

Replica van een Romeinse gladius (links).

De ‘Mariaanse’ legerhervorming komt in de klassieke bronnen uitgebreid aan de orde. Sallustius schrijft bijvoorbeeld:

“[Marius s]chrijft intussen zelf soldaten in, niet volgens de traditionele indeling naar klasse, maar zoals ieder zich aanmeldde. Veelal de allerarmsten”.[1]

Plutarchus voegt hieraan toe:

“Tegen de wet en gewoonte in nam hij menige bezitloze proletariër in dienst. De bevelhebbers vóór hem hadden dat soort mannen nooit geaccepteerd, maar de wapens zoals alle andere voorrechten bij wijze van eer toegewezen aan mannen die ze waardig waren, waarbij iedereen geacht werd zijn bezit als onderpand in te zetten”.[2]

Hoewel de door Marius bewerkstelligde legerhervorming zeer belangrijk was, zou het verkeerd zijn haar als revolutionair te beschouwen. Veel beter is het de hervorming te zien als onderdeel van een geleidelijk proces en een geleidelijke transformatie van het Romeinse leger. Dat proces eindigde niet bij Marius. De bezitsvereisten werden niet volledig afgeschaft, zeker niet alle soldaten werden uit de proletarii gerekruteerd, legioenen bleven tijdelijke legereenheden die na een oorlog weer werden ontbonden en zaken als pensioenen en het toewijzen van land aan afgezwaaide soldaten moesten allemaal nog geregeld worden. Anders gezegd, het zou nog meer dan 100 jaar duren voordat het beroemde staande beroepsleger van het Romeinse Rijk een feit was.

De oorlog tegen Jugurtha

Marius verzamelde de door hem gerekruteerde versterkingen en voer daarmee naar Utica toe. Metellus weigerde hem te ontmoeten en gaf zijn legaat Rutilius Rufus opdracht het commando over het Afrikaanse leger aan zijn opvolger over te dragen. Marius voegde de veteranen van Metellus en zijn eigen versterkingen samen en viel vervolgens het vruchtbare platteland van Numidië binnen. Eerder had hij opgeschept dat hij de oorlog snel tot een goed einde zou brengen, maar zijn veldtocht zou allerminst gemakkelijk worden. Jugurtha was overgeschakeld op een guerrillaoorlog en voerde voortdurend raids uit op de gebieden van de Romeinse bondgenoten. De koning en zijn nieuwe bondgenoot, de Mauretanische koning Bocchus, hadden hun troepen opgesplitst zodat ze op meerdere fronten konden aanvallen. Marius was echter op zijn hoede. Daardoor ontdekte hij de vijandelijke hinderlagen op tijd en wist hij de aanvallen van de Numidiërs, de Moren en hun bondgenoten uit Gaetulia geregeld af te slaan. In de buurt van Cirta slaagde hij erin het leger van de koning te verpletteren. Helaas voor Marius bleken dit allemaal maar kleine succesjes te zijn. De vijand bleef ongrijpbaar en daardoor was het einde van de oorlog nog steeds ver weg voor de consul.

Marius besloot zich daarom voortaan te richten op versterkte steden en andere bolwerken. Als hij deze kon innemen, zou Jugurtha geen schuilplaatsen meer overhouden en wellicht tot een beslissende veldslag te verlokken zijn. Als eerste doel koos de consul Capsa uit. Hij bereikte de stad aan het einde van de zomer en slaagde erin haar met een verrassingsaanval in te nemen. Marius had de vijand zand in de ogen gestrooid door zijn legaat Aulus Manlius naar Laris (of Lares) te sturen en net te doen alsof hij zelf ook die kant op ging. In het geheim trok hij echter richting het zuiden en bereikte na vijf dagen de rivier de Tanais. Nog eens drie dagen later kwam hij bij Capsa aan en sloeg ongeveer twee mijl buiten de stad zijn kamp op. Het leger van Marius was geheel onder de radar gebleven en de inwoners van Capsa waren totaal niet op een aanval voorbereid. Ze gingen hun gang zoals ze dat altijd deden en liepen argeloos de stad in en uit. De consul gaf nu zijn ruiters en de snelste lopers onder zijn infanteristen de opdracht de aanval te openen. De Romeinen slaagden erin veel van de inwoners buiten de stadsmuren te overrompelen. Capsa gaf zich vrijwel onmiddellijk over. Omdat – zoals dat heette – de stormram nog niet tegen de muren was gezet, was Marius moreel verplicht de stad te sparen, maar de consul besloot Capsa plat te branden en alle mannelijke Numidiërs te doden. Sallustius noemt deze daad expliciet een oorlogsmisdaad (facinus contra ius belli).[3]Niet dat dat Marius ook maar iets kon schelen: hij had een belangrijke stad ingenomen zonder ook maar één man te verliezen.

Strijdtoneel van de oorlog tegen Jugurtha (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

De Grote Dreiging uit het Noorden

De Romeinen hadden in 113 BCE en 109 BCE pijnlijke nederlagen geleden tegen de Cimbri en de Teutones, twee migrerende Germaanse volkeren. Dit jaar konden ze een derde vernedering aan dit rijtje toevoegen. Hun tegenstanders waren nu de Tigurini, een Keltisch volk dat verwant was aan de Helvetii in het huidige Zwitserland. De Tigurini waren bondgenoten geworden van de Cimbri en Teutones en hadden deelgenomen aan hun inval in Gallië van enkele jaren daarvoor. Het lijkt erop dat de Kelten tamelijk onafhankelijk opereerden, en dit jaar botsten ze met het leger van Marius’ collega, de consul Lucius Cassius Longinus.

Strijdtoneel van de oorlog tegen de Cimbri en Teutones (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

Keltische wapenrusting.

Cassius was in 111 BCE praetor geweest en was toen naar Numidië gestuurd om Jugurtha naar Rome te ontbieden. Eenmaal consul had de Senaat hem de provincie Gallia Transalpina toegewezen. Toen de Tigurini de provincie bedreigden, was Cassius de confrontatie met hen aangegaan. De daaropvolgende veldslag was uitgevochten in het gebied van de Nitiobriges, waarschijnlijk in de buurt van het huidige Agen (het Romeinse Aginnum). Dit gebied was waarschijnlijk geen onderdeel van de Romeinse provincie, wat erop wijst dat de consul de Tigurini achtervolgde en vervolgens in een hinderlaag werd gelokt. Details van de veldslag zijn niet bewaard gebleven, maar het lijkt erop dat de Romeinen werden omsingeld en in de pan gehakt. De consul Cassius werd gedood, en op enig moment besloten de nog levende soldaten zich over te geven. De Tigurini lieten hen gaan nadat ze gijzelaars hadden gegeven en de helft van hun bezittingen hadden afgestaan.

Tot de doden behoorde een zekere Lucius Calpurnius Piso, die waarschijnlijk als een van Cassius’ legaten diende. Hij was de grootvader van de schoonvader van Gaius Julius Caesar, die deze Piso expliciet noemt in zijn Commentaren.[4] Daar had Caesar een goede reden voor: Piso werd gedood door de Tigurini, en Caesar doodde zelf een groot aantal mensen van dit volk tijdens zijn eigen Gallische veldtocht. Hij kon met behulp van Piso dit bloedvergieten presenteren als een vorm van wraak.

Een officier genaamd Gaius Popilius, mogelijk een krijgstribuun of een hoge centurion, behoorde tot de overlevenden van de veldslag. Kennelijk had hij een rol gespeeld in de onderhandelingen die op enig moment tijdens de strijd waren gevoerd. Hiermee had hij zonder enige twijfel vele Romeinse en Italiaanse levens gered, maar voor sommige van zijn landgenoten was de nederlaag gewoon een te grote vernedering. De volkstribuun Gaius Coelius beschuldigde Popilius van hoogverraad (maiestas) en wilde hem vervolgen. We weten niet hoe het proces in de volksvergadering eindigde, maar het is wel vermeldenswaardig dat genoemde Coelius tevens verantwoordelijk was voor de invoering van belangrijke wetgeving over het stemgeheim in halszaken (voor rechtszaken waarin geen doodstraf kon worden opgelegd bestond al sinds 137 BCE een stemgeheim). De nieuwe wetgeving zal bij het volgende jaar besproken worden.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, In the name of Rome, p. 135.

Noten

[1] De oorlog tegen Jugurtha 86 (vertaling: Vincent Hunink).

[2] Leven van Marius 9 (vertaling: H.W.A. van Rooijen-Dijkman).

[3] De oorlog tegen Jugurtha 91.

[4] De Bello Gallico, Boek 1.12.

One Comment:

  1. Pingback:De Oorlog tegen Jugurtha en de Grote Dreiging uit het Noorden: Het Jaar 106 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.