De Oorlog tegen Jugurtha: Het Jaar 108 BCE

Zicht op het Forum Romanum.

Samenvatting

  • De consul Hortensius wordt om niet nader gespecificeerde redenen gedwongen af te treden;
  • De censor Marcus Aemilius Scaurus wordt gedwongen af te treden vanwege de dood van zijn collega Marcus Livius Drusus;
  • De stad Vaga komt in opstand tegen de Romeinen en moordt het garnizoen uit; de enige overlevende is de garnizoenscommandant, Titus Turpilius;
  • De proconsul Quintus Caecilius Metellus herovert Vaga en geeft met tegenzin opdracht Turpilius te executeren;
  • Marius wordt voor het eerst tot consul gekozen;
  • Het complot van Bomilcar tegen Jugurtha mislukt;
  • Metellus verslaat Jugurtha tijdens een kleinschalig gevecht;
  • Na 40 dagen van zware gevechten nemen de Romeinen Thala in;
  • Metellus schiet Leptis Magna te hulp door vier cohorten Liguriërs naar de stad te sturen;
  • Jugurtha sluit een bondgenootschap met zijn schoonvader, Koning Bocchus van Mauretanië.

Het nieuwe jaar begon met Servius Sulpicius Galba en Quintus of Lucius Hortensius als de nieuwe consuls. Hortensius werd echter al snel gedwongen weer af te treden vanwege een niet nader gespecificeerde overtreding. In zijn plaats werd Marcus Aurelius Scaurus gekozen. Ook bij de censors verliepen de zaken allesbehalve soepel. Het voorafgaande jaar hadden de Romeinen de princeps senatus Marcus Aemilius Scaurus (de consul van 115 BCE) en Marcus Livius Drusus (de consul van 112 BCE) verkozen. Drusus kwam dit jaar echter te overlijden en volgens een oude traditie moest Scaurus nu aftreden. Dat deed hij ook, maar met frisse tegenzin. Bij een nieuwe verkiezing voor de censors viel de keuze op de twee consuls van 116 BCE, Quintus Fabius Maximus Eburnus en Gaius Licinius Geta. Een opmerkelijk en nogal pikant detail was dat Geta eerder nog uit de Senaat was gezet: hij behoorde tot de 32 senatoren die in 115 BCE wegens onbekende overtredingen van de rol waren geschrapt.[1] Kennelijk hinderde dit hem niet bij zijn verdere politieke carrière; waarschijnlijk werd hij in ere hersteld door Scaurus en Drusus (voordat de laatstgenoemde stierf), of door zijn collega Eburnus. Scaurus werd opnieuw tot princeps senatus benoemd.

De oorlog tegen Jugurtha

Vanuit zijn winterkamp legde Quintus Caecilius Metellus contact met Bomilcar, de luitenant van Jugurtha, en probeerde hem ervan te overtuigen zijn koning te verraden. Bomilcar slaagde er vervolgens ook in Jugurtha te overreden zich over te geven. De koning stuurde een aantal deserteurs naar de Romeinse generaal toe, maar toen hij zelf naar de stad Tisidium ontboden werd, veranderde hij plotseling van gedachte en besloot de oorlog voort te zetten. In de tussentijd had de Senaat al besloten het commando van Metellus in Numidië te verlengen. Hij moest als proconsul de oorlog tegen Jugurtha voortzetten, en als het even kon ook beëindigen. Zijn eerste opdracht was de herovering van Vaga. Metellus had de stad het vorige jaar ingenomen, maar Jugurtha had de inwoners verleid om in opstand te komen. Ze hadden de Romeinse officieren bij hen thuis uitgenodigd om een feestdag mee te vieren en hadden hen vervolgens vermoord. Romeinse soldaten die op straat werden aangetroffen, waren afgeslacht. De enige overlevende was de garnizoenscommandant, een zekere Titus Turpilius.

Strijdtoneel van de oorlog tegen Jugurtha (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

Numidische ruiter (bron: Europa Barbarorum).

Metellus mobiliseerde het legioen dat in zijn winterkamp verbleef en rukte op naar Vaga, waar hij slechts twee dagen na het bloedbad arriveerde. In dit stadium van de oorlog vochten er verschillende eenheden Numidische ruiterij aan de kant van de Romeinen mee. De proconsul gaf de ruiters opdracht zich als een soort scherm vóór zijn legioensoldaten op te stellen. De burgers van Vaga zagen aldus alleen de Numidiërs en ze namen aan dat Jugurtha naar de stad was gekomen. Toen ze enthousiast naar buiten kwamen om hem te begroeten, liet Metellus de val dichtklappen. Zijn cavalerie en infanterie stormden de stad binnen en richtten er een slachting aan. Nadat Vaga was leeggeplunderd, moest de proconsul een beslissing nemen over het lot van Turpilius. De man was een Italiaan met Latijnse status, en hij behoorde al lange tijd tot de cliënten van de Caecilii Metelli. Als enige overlevende van het bloedbad in Vaga werd hij ervan verdacht de stad aan Jugurtha verraden te hebben. Die zou als wederdienst zijn leven hebben gespaard. Dit alles kwam neer op hoogverraad, en op hoogverraad stond de doodstraf. De zaak werd behandeld door een militair gerecht waarvan ook de legaat Gaius Marius deel uitmaakte. Plutarchus beweert dat Marius grote invloed had op de beslissing van het gerecht om Turpilius schuldig te verklaren. Metellus werd nu gedwongen een cliënt van zijn eigen familie terecht te stellen. Omdat Turpilius Latijns burger was, werd hij vóór zijn executie ook nog gegeseld (dit was normaal gesproken verboden als het om Romeinse burgers ging).

Marius werd nu steeds populairder. Dankzij zijn soberheid en uithoudingsvermogen – hij was eind veertig – begonnen de gewone soldaten hem almaar sympathieker te vinden. Plutarchus schreef in dit verband: “[V]oor een Romeins soldaat bestaat er geen mooier tafereel dan het zien van een bevelhebber die hetzelfde brood eet of op een gewone strozak ligt of een handje meehelpt bij het aanleggen van een gracht of palissade”.[2] Inmiddels overwoog Marius zich kandidaat te stellen voor het consulaat. Al vóór de affaire-Turpilius had hij Metellus permissie gevraagd om naar Rome af te reizen en daar zijn kandidatuur bekend te maken. Eerst had de proconsul, die de plannen van Marius lijkt te hebben opgevat als een schoolvoorbeeld van hybris, geprobeerd hem het idee uit zijn hoofd te praten. Toen Marius echter volhield, had Metellus gegrapt dat zijn legaat zich kandidaat mocht stellen zodra Metellus’ eigen zoon dat ook deed. De jongeman was op dat moment ongeveer twintig jaar oud. Volgens Plutarchus raakte de relatie tussen de twee mannen na de affaire-Turpilius onherstelbaar beschadigd. Uiteindelijk zou Metellus Marius pas twaalf dagen voor de verkiezingen toestemming hebben gegeven naar Rome af te reizen. Deze werden doorgaans in december gehouden[3], dus als het verhaal klopt, moet het zeker al november zijn geweest toen Marius naar Utica vertrok en van daaruit een schip naar Italië nam. Marius arriveerde net op tijd in Rome, stelde zich kandidaat en werd vervolgens gekozen.

Buste van Gaius Marius (Glyptothek, München; foto: Bibi Saint-Pol).

Nadat Marius was vertrokken, zette Metellus de oorlog tegen Jugurtha voort. Spoedig hoorde hij van de dood van Bomilcar, de man die hij had aangemoedigd om tegen Jugurtha samen te zweren. Helaas voor de Romeinen was het complot van Bomilcar ontdekt en was de man zelf terechtgesteld. Volgens Sallustius had de samenzwering Jugurtha paranoïde gemaakt en dat kan heel goed kloppen. Immers, nog maar iets meer dan dertig jaar eerder hadden de Romeinen een eindeloos lijkende oorlog tot een goed einde gebracht door hun voornaamste tegenstander, de Lusitaniër Viriathus, te laten vermoorden. Toen Jugurtha over het platteland trok met de restanten van zijn leger werd hij plotseling aangevallen door Metellus en zijn troepen. De laatstgenoemde behaalde een gemakkelijke zege. Jugurtha’s soldaten werden kansloos verslagen, maar waarschijnlijk waren hun verliezen niet heel hoog. Sallustius merkt in dit verband nogal sarcastisch op dat “in het algemeen Numidiërs bij alle gevechten meer bescherming [hebben] van hun voeten dan van wapens”[4], waarmee hij suggereert dat ze erg goed in wegrennen waren.

Jugurtha vluchtte naar de grote en rijke stad Thala, waar de koning een groot deel van zijn schatkist bewaarde en waar zijn zonen waren opgegroeid. Thala was dan ook het volgende doelwit van Metellus. Toen de proconsul bij de stad aankwam, vluchtte de koning midden in de nacht met zijn familie weg. De burgers van Thala waren echter vastbesloten zich te verdedigen, dus Metellus liet de stad omringen met een wal en gracht (circumvallatio). Hij gaf zijn manschappen bevel verplaatsbare schutdaken (vineae) te maken en te beginnen met de bouw van een helling (agger) en belegeringstorens (turres). Na 40 dagen van zware gevechten, dus waarschijnlijk pas in het nieuwe jaar, wisten de Romeinen Thala te veroveren. Ze kwamen er al snel achter dat ze een lege huls in handen hadden gekregen. Jugurtha had een groot deel van de schatkist meegenomen op zijn vlucht en de burgers van Thala hadden de rest verbrand. Bovendien hadden veel inwoners zelfmoord gepleegd om te voorkomen dat ze in Romeinse handen zouden vallen.

De Boog van Septimius Severus in Leptis Magna (foto: David Gunn).

Na de inname van Thala ontving Metellus gezanten van de stad Leptis Magna in Libië. De burgers van deze stad waren in 111 BCE vrienden en bondgenoten van het Romeinse volk geworden. Ze vroegen nu om een Romeins garnizoen omdat een edelman genaamd Hamilcar probeerde om de lokale magistraten omver te werpen. Aangezien Leptis de Romeinse zaak trouw had gediend, besloot Metellus vier cohorten Liguriërs onder leiding van Gaius Annius beschikbaar te stellen. De Romeinen kregen daardoor ook op militair gebied voet aan de grond in Libië.

Ondertussen begon Jugurtha steeds wanhopiger te worden. Hij was eerst naar de Gaetuli gevlucht, die leefden in wat nu Centraal Algerije is. Daarna was hij afgereisd naar het hof van Bocchus, de koning van Mauretanië (in het huidige Marokko). Bocchus was zijn schoonvader, want Jugurtha was getrouwd met een van zijn dochters. Tot dusver had de Numidiër niet veel aan deze familieband gehad, wat wellicht lag aan het feit dat de dochter niet zijn enige vrouw was. Niettemin sloten de twee koningen nu een bondgenootschap en rukten op naar Cirta, de belangrijkste stad in Numidië. Jugurtha had de stad in 112 BCE ingenomen en vervolgens zijn neef Adherbal vermoord, maar momenteel was Cirta in Romeinse handen en Metellus bewaarde er zijn buit, gevangenen en legertros. Terwijl Bocchus en Jugurtha naar de stad optrokken, maakte de proconsul zich klaar om hun een warme ontvangst te bereiden. Toen kreeg hij echter slecht nieuws te horen: de provincie Numidië was aan de pasgekozen consul Gaius Marius toegewezen.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, In the name of Rome, p. 133-134;
  • Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic, p. 10, noot 4.

Noten

[1] Cicero, Voor Aulus Cluentius 119.

[2] Leven van Marius 7 (vertaling: H.W.A. van Rooijen-Dijkman).

[3] Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic, p. 10, noot 4.

[4] De oorlog tegen Jugurtha 74 (vertaling: Vincent Hunink).

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.