De Annalist: De Jaren 254-251 BCE

Samenvatting

  • De consuls Gnaeus Cornelius Scipio Asina en Aulus Atilius Calatinus veroveren Panormus (254 BCE);
  • De consuls Gnaeus Servilius Caepio en Gaius Sempronius Blaesus slagen er niet in Lilybaeum in te nemen (253 BCE);
  • Nadat ze met plundertochten langs de kust van Afrika maar beperkt succes hebben behaald, verliezen de consuls een groot gedeelte van hun vloot in een zware storm;
  • De consul Lucius Caecilius Metellus verslaat de Carthagers wanneer die proberen Panormus te heroveren (251 BCE).

De Eerste Punische Oorlog sleepte zich nu al tien jaar voort. Het was duidelijk dat geen van beide partijen ook maar enigszins van plan was op te geven. De Romeinen hadden slechts drie maanden nodig om een nieuwe vloot van 220 schepen te bouwen. De consuls voor het jaar 254 BCE waren Gnaeus Cornelius Scipio Asina en Aulus Atilius Calatinus (of Caiatinus). Beiden waren reeds eerder consul geweest. Scipio was in 260 BCE door de Carthagers gevangen genomen en twee jaar later was een poging van Calatinus om Panormus in te nemen mislukt. Het behoeft dan ook geen verbazing te wekken dat beide magistraten gebrand waren op het behalen van roem.

De oorlog sleept zich voort

Scipio en Calatinus voeren naar Messana en voegden de 80 schepen die de rampen van het vorige jaar hadden overleefd toe aan hun nieuwe vloot. De consuls durfden nu wel een grote stad met een goede haven aan te vallen. Calatinus had nog wel een appeltje te schillen met Panormus, en dat was dan ook precies de locatie waar de beide consuls hun land- en zeestrijdkrachten heen stuurden. De stad werd aan alle kanten omsingeld. Dankzij advies van hun trouwe bondgenoot Hiero van Syracuse waren de Romeinen nu tevens in staat om belegeringswerktuigen te bouwen. Daarmee slaagden ze erin de verdedigingswerken aan de kant van de zee neer te halen. De legioensoldaten vochten zich een weg de stad in en namen snel het laaggelegen deel van Panormus in. Daarna hongerden ze de verdedigers in de citadel uit, waarop deze zich overgaven. De inname van Panormus, een belangrijke Carthaagse basis, was een enorme opsteker voor het Romeinse moreel.

Kaart van Sicilië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

De consuls voor het jaar 253 BCE, Gnaeus Servilius Caepio en Gaius Sempronius Blaesus, deden vervolgens een aanval op Lilybaeum, een van de laatste Carthaagse bolwerken op Sicilië, maar deze mislukte. Vervolgens voeren ze weer naar Afrika, maar het was duidelijk dat ze nooit van plan waren opnieuw een grootschalige invasie te proberen. In plaats daarvan werden groepjes soldaten aan land gezet om raids uit te voeren. Deze richtten wat schade aan, maar geen van deze acties kon de Carthagers echt pijn doen. De Romeinen landden ook op het eiland Meninx (het huidige Djerba voor de kust van Tunesië), het legendarische eiland van de Lotuseters uit de Odyssee. Beide aanvoerders hadden nauwelijks ervaring op zee en ze lieten de hele vloot aan de grond lopen toen het plotseling eb werd. De schepen konden tijdens de eerstvolgende vloed wel weer loskomen, maar pas nadat de bemanningen veel van de ballast overboord hadden gezet. De bevelhebbers voeren daarop terug naar Panormus. Van daaruit probeerden ze Rome te bereiken door over de volle zee te varen. Het gevolg was dat ze weer in een zware storm terechtkwamen en dat 150 schepen verloren gingen. Er moeten ook duizenden slachtoffers te betreuren zijn geweest.

De Romeinen besloten vervolgens voorlopig geen nieuwe vloot te bouwen en in plaats daarvan op hun landstrijdkrachten te vertrouwen. Ze hielden wel een vloot van zo’n 60 schepen aan om de Italiaanse kust tegen raids te beschermen en de legioenen te bevoorraden. De consuls voor het jaar 252 BCE, Gaius Aurelius Cotta en Publius Servilius Geminus, slaagden erin de stad Thermae in te nemen, waar de Romeinse bondgenoten in 260 BCE nog een smadelijke nederlaag hadden geleden. Cotta veroverde na een beleg ook Lipara in de Eolische Eilanden. De precieze volgorde van alle gebeurtenissen is overigens moeilijk vast te stellen, en het is ook mogelijk dat zowel Thermae als Lipara pas in 251 BCE werden ingenomen, toen Lucius Caecilius Metellus en Gaius Furius Pacilus consuls waren.

Schermutselingen bij Panormus

Het huidige Panormus (Palermo; foto: Bjs, CC BY-SA 2.5 licentie).

In 251 BCE vond een belangrijke confrontatie plaats voor de muren van Panormus. Gaius Furius Pacilus was toen al naar Rome teruggekeerd met de helft van het Romeinse leger. De andere consul, Caecilius Metellus, was met de rest van de troepen in Panormus gebleven. Daarmee beschermde hij de Romeinse bondgenoten tijdens het oogsten van het graan. Polybius stelt dat de oogst in volle gang was, dus het moet augustus of september zijn geweest. Toen de Carthaagse aanvoerder Hasdrubal hoorde van de situatie bij Panormus, verzamelde hij zijn troepen en rukte vanuit Lilybaeum op naar het noorden. Hij was erop gebrand de belangrijke stad die drie jaar eerder in handen van de Romeinen was gevallen te heroveren. Hasdrubal had alle reden om optimistisch te zijn. De Romeinen meden de laatste jaren stelselmatig de strijd in het open veld, bang als ze waren voor de Carthaagse strijdolifanten en superieure cavalerie.

Veles (bron: Europa Barbarorum)

Caecilius Metellus zag al snel in dat zijn tegenstander overmoedig werd en probeerde diens troepenmacht in de val te lokken. Hij hield zijn eigen soldaten binnen de stadsmuren en liet Hasdrubal het grootste gedeelte van de oogst verwoesten. Toen de Carthagers de rivier waren overgestoken die niet ver van de stad stroomde, stuurde de consul zijn lichte infanterie – mogelijk heetten deze troepen reeds de velites – op hen af. De lichte infanterie schermutselde met de vijandelijke troepen en bestookte hen van een afstandje met projectielen. De Carthagers werden daarop gedwongen zich in slagorde op te stellen en vervolgens verder op te rukken naar Panormus. Ondertussen lieten de velites een regen aan projectielen op hen neerdalen. De mahouts – de olifantendrijvers – waren bijzonder gebrand op het behalen van roem. Ze gaven hun dieren de sporen achtervolgden de velites terug naar de stad. Deze vonden daar een veilig heenkomen in een greppel. De val klapte nu dicht: troepen die op de stadsmuren waren opgesteld begonnen de olifanten van boven te bestoken met allerhande projectielen en pijlen.

Sommige van de dieren raakten gewond, draaiden zich om en stormden hun eigen gelederen binnen. Dit leidde tot grote wanorde bij de Carthaagse infanterie. Caecilius Metellus had precies op dit moment gewacht. De consul leidde zijn keurtroepen via een zijpoort de stad uit en voerde een stormaanval op de Carthaagse flank uit. Het leverde de Romeinen een eclatante zege op, ook al wist waarschijnlijk het grootste gedeelte van de Carthagers zich uit de voeten te maken. De zegevierende consul kreeg het volgende jaar een triomftocht toegewezen. Deze was werkelijk spectaculair: 13 Carthaagse officieren en een groot aantal buitgemaakte olifanten werden erin meegevoerd. Hasdrubal werd zwaar gestraft voor zijn nederlaag. Als we Cassius Dio mogen geloven, werd hij teruggeroepen naar Carthago en gespietst.

Bronnen

Primair

– Cassius Dio, Roman History, Fragments of Book XI;
– Diodorus Siculus, Library of History, Fragments of Book XXIII;
– Livius, Periochae, Book 19;
– Polybius, The Histories, Book 1.38-40;

Secundair

– Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 92-94 en 116;
– Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 133 en p. 189-190.

3 Comments:

  1. Pingback: De Annalist: Het Jaar 250 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback: De Annalist: De Jaren 242-241 BCE – – Corvinus –

  3. Pingback: De Annalist: Het Jaar 249 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.