Mijn wandeling langs de Via Appia (deel 7)

De Graftombe van Caecilia Metella. Merk op hoe de auto in het niet valt bij de tombe.

Dit is deel 7 van het verslag van mijn wandeling langs de Via Appia, van het Circus Maximus naar de Villa van de Quintilii zo’n 8 kilometer verder naar het zuidoosten. De delen 1, 2, 3, 4, 5 en 6 vindt u hier.

Men ziet de enorme Graftombe van Caecilia Metella al van verre staan. Op een heldere dag kan men de tombe zelfs vanaf de Porta San Sebastiano in de Aureliaanse Muren zien (zie deel 3). Die poort staat zo’n drie kilometer ten noordwesten van de tombe. Op het gevaarte lezen we de simpele tekst:

CAECILIAE
Q·CRETICI·F
METELLAE·CRASSI

Aldus kunnen we de overledene identificeren als Caecilia Metella, dochter van Quintus Caecilius Metellus Creticus en echtgenote van Marcus Licinius Crassus. De Caecilii Metelli behoorden tot de plebejische aristocratie van Rome. Ten tijde van de Romeinse Republiek stonden ze bekend om hun sociaal conservatisme. Van de mannelijke leden van de familie bereikten er vele de hoogste publieke ambten. Zo was er Lucius Caecilius Metellus, die tijdens de Eerste Punische Oorlog tweemaal als consul diende (in 251 BCE en nogmaals in 247 BCE). Verder waren er Quintus Caecilius Metellus, die consul was tijdens de Tweede Punische Oorlog (in 206 BCE), en Quintus Caecilius Metellus Macedonicus, die in 148 BCE Andriskos versloeg en van Macedonië een Romeinse provincie maakte. Quintus Caecilius Balearicus (de consul van 123 BCE) veroverde de Balearen, Lucius Caecilius Metellus Delmaticus (de consul van 119 BCE) versloeg de Dalmatae en dan was er nog Quintus Caecilius Metellus Numidicus, die een belangrijke rol speelde in de oorlog tegen de Numidische koning Jugurtha. De vader van Caecilia was de consul van 69 BCE. Hij verwierf zijn agnomen ‘Creticus’ voor zijn overwinningen op Kreta, een berucht piratennest dat grote hinder voor de Romeinse scheepvaart veroorzaakte.

De Graftombe van Caecilia Metella en een gedeelte van het Castrum Caetani.

Ook over Caecilia’s echtgenoot Marcus Licinius Crassus weten we tamelijk veel. Hij was de zoon van de beroemde generaal en politicus Marcus Licinius Crassus, een van de deelnemers aan het Eerste Triumviraat, een bondgenootschap tussen Gaius Julius Caesar, Pompeius en Crassus. Crassus senior had roem vergaard met zijn overwinning op Spartacus, maar hij sneuvelde in 53 BCE tijdens de Slag bij Carrhae tegen de Parthen. Zijn zoon diende onder Caesar in Gallië, maar schopte het nooit tot consul. Deze Crassus junior trouwde met Caecilia en het paar had een zoon, wederom genaamd Marcus, die in 30 BCE als consul diende. Wat tamelijk irritant is, is dat we over Caecilia zelf vrijwel niets weten. We weten niet wanneer ze geboren werd, noch wanneer ze stierf. We hebben daarom geen idee hoe oud ze was toen ze overleed. De Graftombe van Caecilia Metella moet ergens tussen 50 en 20 BCE gebouwd zijn. De tombe is verreweg het grootste grafmonument langs de hele Via Appia. Niemand die van of naar Rome reisde kon volhouden dat hij het gevaarte niet gezien had.

Later gebruik van de Graftombe van Caecilia Metella

De kerk van San Nicola a Capo di Bove.

De tombe heeft een vierkante basis en een cilindervormige trommel. Deze zijn samen minstens 21 meter hoog. De trommel heeft een diameter van 29,6 meter. Deze moet oorspronkelijk een gewelf hebben gedragen, maar dat element is al lang geleden verdwenen. Tegenwoordig zien we op het hoogste niveau middeleeuwse kantelen gemaakt van baksteen. Nadat Rome gevallen was, ontdekten latere generaties al snel het strategische belang van het monument vanwege zijn ligging aan de Via Appia. In de zesde eeuw vormde het Oost-Romeinse Rijk het mausoleum om tot een fort van waaruit de weg beheerst kon worden. In de elfde eeuw werd het voor hetzelfde doel gebruikt door de graven van het nabijgelegen Tusculum (in de buurt van het huidige Frascati). Vandaag de dag zien we de overblijfselen van het Castrum Caetani, een versterkt dorp dat werd gebouwd door leden van de familie Caetani.

De Caetani waren een machtige Romeinse clan. Hun macht nam alleen maar toe toen een van hen – Benedetto Caetani – tot Paus Bonifatius VIII (1294-1303) werd gekozen. Rond de eeuwwisseling kende de Paus zijn familieleden de Graftombe van Caecilia Metella toe en omstreeks 1302-1303 hadden zij het eerdere fort uit de elfde eeuw omgevormd tot een nog formidabeler bolwerk. Het Castrum Caetani werd omringd door muren en 19 torens. Het bestond uit woonkwartieren voor leden van de familie en soldaten, stallen, opslagplaatsen en zelfs een kerk, de San Nicola a Capo di Bove, die op 12 mei 1303 werd gewijd. De naam Capo di Bove verwijst naar de gebeeldhouwde ossenkoppen die onderdeel zijn van de graftombe.

Baden van het complex van Capo di Bove.

Het interessante aan de kerk van San Nicola is dat het om een Gotische kerk gaat. Die zijn zeer zeldzaam in Rome. De stad kent maar één andere Gotische kerk uit de Middeleeuwen, en dat is de kerk van Santa Maria sopra Minerva. Bij de ruïne van de kerk langs de Via Appia staat een informatiebord waarop wordt uitgelegd dat Paus Bonifatius VIII, “who spent a long period in Paris as a cardinal”, de architectonische keuzes voor deze kerk moet hebben beïnvloed. In Parijs stonden natuurlijk flink wat kerken die waren gebouwd in de sobere Cisterciënzisch-Gotische stijl. Houd u er bij een bezoek wel rekening mee dat u de kerk op dit moment alleen van buitenaf kunt bewonderen. De kerk zelf is niet toegankelijk, maar veel is er toch niet te zien.

Al kort na de dood van Paus Bonifatius raakten de Caetani het bezit van het complex kwijt. Het Castrum Caetani kwam vervolgens in handen van leden van andere Romeinse families, zoals de Savelli en de Orsini. Tegen het einde van de vijftiende eeuw werd het hele complex, inclusief de Graftombe van Caecilia Metella, kennelijk verlaten. Enkele decennia later werd ook de kerk niet langer gebruikt. In 1589 wilde Paus Sixtus V (1585-1590) de tombe laten afbreken, maar gelukkig kon men hem op andere gedachten brengen.

Baden van het Complex van Capo di Bove

Oorspronkelijke mozaïekvloer.

Ik liep zo’n 450 meter verder langs de Via Appia en kwam, zo omstreeks de vierde mijlsteen, aan bij het Complesso di Capo di Bove. Hier vinden we de overblijfselen van particuliere baden. Hoogstwaarschijnlijk waren deze ooit onderdeel van het landhuis van Herodes Atticus en zijn vrouw Annia Regilla, die in deel 5 al aan de orde kwamen. Het grootste gedeelte van de ruïnes dateert van de tweede eeuw van onze jaartelling, wat goed aansluit op gebruik door Herodes en Annia. Een nog belangrijkere aanwijzing is dat in een van de ruimtes een stuk marmer is gevonden met daarop een Griekse tekst. Grieks was de moedertaal van Herodes en de tekst verwees naar een vrouw als ‘het licht van het huis’. Dat moet wel op Annia slaan. Sommige delen van het complex dateren van de derde eeuw, weer andere van de vierde, hetgeen erop wijst dat de baden in elk geval tot in de laatstgenoemde eeuw in gebruik bleven. Twee cisternes zorgden ervoor dat het complex van water werd voorzien.

Hoewel de indeling van deze particuliere baden enigszins verschilt van de indeling die we meestal bij openbare baden vinden, heeft het complex wel alle bekende soorten baden. Een bezoeker die het complex vanaf de Via Appia binnenliep, trof links en rechts een apodyterium of kleedkamer aan. Delen van de mozaïekvloeren in deze ruimtes zijn bewaard gebleven. De bezoeker kwam vervolgens in het frigidarium met twee koudwaterbaden. De lauwwarme en hete baden (tepidarium en caldarium) bevonden zich dieper in het complex. Dat had verder zweetruimtes en sauna’s (sudatorium en laconicum) en mensen konden tevens een massage krijgen. Een deel van de mozaïekvloeren heeft de tand des tijds doorstaan. Een zeer mooie vloer vindt men in ‘Ruimte H’, waarvan de functie kennelijk onbekend is.

Naar deel 8

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.