Mijn wandeling langs de Via Appia (deel 8)

Reliëf van een heros langs de Via Appia.

Dit is deel 8 van het verslag van mijn wandeling langs de Via Appia, van het Circus Maximus naar de Villa van de Quintilii zo’n 8 kilometer verder naar het zuidoosten. De delen 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 vindt u hier.

Nadat ik het Complesso di Capo di Bove had verlaten, liep ik verder langs een van de mooiste en tegelijkertijd rustigste stukken van de Via Appia. Hier kunt u voornamelijk voetgangers en fietsers verwachten, als u überhaupt al iemand tegenkomt. Sommige delen van de weg hebben nog altijd hun originele bestrating, bestaande uit grote blokken basaltsteen. Andere stukken zijn daarentegen opnieuw geplaveid met moderne kinderkopjes. Gemotoriseerd verkeer komt hier bijna niet, en op sommige stukken zijn auto’s en motoren zijn waarschijnlijk niet eens toegestaan omdat ze de oude basaltblokken zouden kunnen beschadigen (overigens vermoed ik dat hier gaan rijden ook niet erg heilzaam is voor de wielophanging van auto’s…). Een wandeling langs dit gedeelte van de Via Appia voelt echt als een wandeling over het platteland en een sprong terug in de tijd. Afgezien van de weg zelf is er op archeologisch gebied weinig te zien. Men moet al bijna een kilometer lopen om bij een reliëf van een heros uit de Oudheid te komen (zoek op Google naar Bassorilievo maschile om de precieze plaats te bepalen).

De Via Appia met de originele bestrating.

Ik zette mijn wandeling voort en slechts 75 meter verderop arriveerde ik bij de overblijfselen van de graftombe van Marcus Servilius Quartus. ‘Graftombe’ is overigens niet helemaal het goede woord. Wat we zien is een bijna 200 jaar oude muur, gemaakt van baksteen en oudere blokken tufsteen, en versierd met stukken marmer uit de Oudheid. Onderdeel van het bovenste gedeelte van de muur is een oude kroonlijst met daarop de naam van de genoemde Marcus Servilius Quartus. In de tekst wordt trots verklaard dat deze man zijn graftombe liet bouwen met zijn eigen geld: DE SVA PECVNIA FECIT. De huidige ‘tombe’ dankt haar bestaan aan Antonio Canova (1757-1822), de beroemde Venetiaanse beeldhouwer. Tijdens het pontificaat van Paus Pius VII (1800-1823) was hij benoemd tot hoofdinspecteur van oudheden langs de Via Appia. Canova geloofde sterk dat graftomben uit de Oudheid en hun decoraties zoveel mogelijk op hun oorspronkelijke plek moesten blijven staan. In 1808 liet hij daarom de eerdergenoemde muur bouwen en deze versieren met wat er nog over was van de graftombe van Servilius Quartus (toegegeven: dat was niet veel).[1] Op een plaquette die aan de muur is bevestigd komen we de namen van Canova en Paus Pius tegen.

Graftombe van Marcus Servilius Quartus (detail).

Veel graftomben langs de Via Appia zijn tegenwoordig nauwelijks nog als zodanig herkenbaar. Zo’n 200 meter voorbij de graftombe van Marcus Servilius Quartus stuiten we bijvoorbeeld op een rond mausoleum (Mausoleo circolare), dat eigenlijk niet meer is dan een met vegetatie overwoekerde steenklomp. We kunnen nu echt niet meer vaststellen wiens graftombe dit ooit was.

De pracht van de Via Appia.

Mausoleo circolare.

Ik liep verder en arriveerde bij een graftombe opgericht in opdracht van Sextus Pompeius Iustus. Deze staat dicht bij de plek waar ooit de vierde mijlsteen moet hebben gestaan, dus ik bevond me nu zo’n zes kilometer buiten de Porta Capena, de stadspoort waar de Via Appia begon. De genoemde tombe is wederom een bakstenen scherm uit de negentiende eeuw waaraan een marmeren plaquette uit de Oudheid met een tekst is bevestigd. De man die verantwoordelijk was voor deze constructie was niet Canova, maar Luigi Canina (1795-1856), een oorspronkelijk uit Piëmont afkomstige archeoloog en architect. Het is duidelijk dat de plaquette ooit aan diggelen is geslagen of gevallen en opnieuw in elkaar moest worden gezet. Delen van de tekst zijn verloren gegaan, maar specialisten zijn erin geslaagd de ontbrekende stukken te reconstrueren, al blijven er enkele onzekerheden (zie hier voor een reconstructie). De tekst is een gedicht van Iustus waarin hij de dood van zijn kinderen betreurt, een jongetje en een meisje. Zie ik het goed, dan stierven beiden vóór hun eerste verjaardag (‘aetate in prima’). Het meisje heette Pompeia Eleuthera en het jongetje had kennelijk nog geen naam gekregen. Dit suggereert dat hij slechts enkele dagen oud was toen hij stierf, want een Romeinse jongen kreeg doorgaans zijn praenomen op de negende dag na de geboorte.[2]

Graftombe opgericht door Sextus Pompeius Iustus.

Achter de graftombe liggen, vrijwel onzichtbaar, de overblijfselen van een kleine tempel. Het gebouw zou een tempel gewijd aan Jupiter geweest kunnen zijn[3], maar het is tegenwoordig nauwelijks nog als zodanig herkenbaar en bovendien vanaf de weg vrijwel niet te zien. Ik liep daarom door en kwam bij de graftombe van een zekere Hilarius Fuscus, die zo’n 175 meter verderop langs de Via Appia staat. Ook deze graftombe werd in de negentiende eeuw door Canina gereconstrueerd. Het reliëf op de tombe is een kopie; het origineel bevindt zich in de Vaticaanse Musea. We hebben geen idee wie Hilarius Fuscus was, maar hij moet tamelijk vermogend zijn geweest: op het reliëf zien we vijf mensen, waarschijnlijk Hilarius zelf, zijn vrouw en hun drie kinderen.[4]

Graftombe van Hilarius Fuscus.

Weer even verderop liep ik langs een derde graftombe die door Canina werd gereconstrueerd. Daarop staan de naam SECVNDVS en de letters LIB, wat betekent dat deze Secundus een vrijgelatene (libertus) was. Veel van de graftomben langs dit gedeelte van de Via Appia behoorden aan vrijgelatenen toe: adellijke Romeinen vonden veel dichter bij de stad hun laatste rustplaats, niet pas ergens tussen de vierde en vijfde mijlsteen. De fragmenten van de oorspronkelijke graftombe die bewaard zijn gebleven noemen ook andere namen: Flavia Eirene, Titus Claudius Secundin(us) en Claudia Secundina. Het is mogelijk dat de hier bijgezette mensen vrijgelatenen van keizer Claudius waren. Deze keizer zette vrijgelatenen in bij het bestuur van het Romeinse Rijk, en als mijn ogen me niet bedriegen, dan kunnen we op het monument nog steeds het woord SCRIBA of secretaris ontwaren.

Graftombe met de naam SECVNDVS.

Graftombe in de vorm van een tempel.

Niet ver van de graftombe van Hilarius Fuscus staat nog een ander gebouwtje in de vorm van een tempel. Anders dan de veronderstelde ‘Tempel van Jupiter’ was dit gebouwtje waarschijnlijk een graftombe (u vindt het op Google als u zoekt op Sepolcro a tempietto). De tombe dateert uit het midden van de tweede eeuw. Ze had twee bouwlagen: de bovenste werd gebruikt voor begrafenisceremoniën, de onderste was een crypte waarin de sarcofagen of asurnen werden bewaard. De toegang tot de crypte bevond zich aan de achterkant.

Een van de hoogtepunten langs dit stuk van de Via Appia is de graftombe van de Rabirii. Wederom gaat het om een reconstructie van Canina. De tombe is versierd met een reliëf waarop drie mensen zijn afgebeeld, de vrijgelatene Gaius Rabirius Postumus Hermodorus (let op de letter ‘L’), zijn vrouw Rabiria Demaris en een zekere Usia Prima. Mogelijk is zij de dochter van het echtpaar, al wijst haar naam daar niet echt op (en merk op dat het gedeelte waarop haar naam staat wel later lijkt te zijn toegevoegd). Het fascinerende is dat Usia een sacerdos Isidis was, een priesteres van Isis. Haar functie blijkt mede uit de afbeeldingen van een Egyptische ratel en een schaal die voor plengoffers werd gebruikt. Overigens is dit niet het originele reliëf. Dat bevindt zich in het Palazzo Massimo alle Terme, niet ver van de kerk van Santa Maria degli Angeli.

Graftombe van de Rabirii.

Over de overledenen is weinig bekend, maar we weten des te meer over de voormalige meester van Hermodorus en Demaris. Zijn naam was Gaius Rabirius Postumus en hij was de postume zoon van Gaius Curtius – vandaar de naam Postumus. Cicero noemde zijn vader de princeps ordinis equestris, de meest vooraanstaande man van de ridderstand.[5] Daar voegde hij aan toe dat de man een publicanus was, een belastingpachter. De jonge Postumus werd vervolgens geadopteerd door zijn oom, de tamelijk roemloze senator Gaius Rabirius. Dit was dezelfde Rabirius die in 63 BCE door Titus Labienus werd vervolgd voor perduellio, oftewel hoogverraad (zie deze bijdrage voor een uitgebreide bespreking van het proces). Zijn adoptiezoon nam de naam Gaius Rabirius Postumus aan en werd een rijke en succesvolle bankier. Postumus leende de Egyptische koning Ptolemaios XII Auletes (‘de fluitspeler’) enorme bedragen zodat deze zijn troon terug kon krijgen (hij was afgezet door zijn dochter). Toen Auletes’ missie geslaagd was, verhuisde Postumus naar Alexandrië in Egypte, waar hij zich begon te gedragen als ’s konings minister van financiën. Dit leidde tot een conflict dat Postumus dwong naar Rome terug te vluchten. In 54 BCE werd hij voor afpersing vervolgd, maar mede dankzij de verdediging van Cicero vrijgesproken.

Het interessante is dat Postumus’ korte verblijf in Egypte kennelijk grote invloed had op Usia Prima, die een priesteres van Isis werd. De cultus van Isis was in het Rome van de eerste eeuw BCE al bekend, maar het lijkt erop dat hij in 53 BCE werd onderdrukt. Cassius Dio beweert namelijk dat de Senaat opdracht gaf alle tempels gewijd aan Isis en Serapis af te breken.[6] Hij noemt geen reden voor de maatregel, maar de Senaat was altijd op zijn hoede voor buitenlandse invloed op de Romeinse staatsreligie. Bij het voorgaande moeten we wel bedenken dat de cultus van de twee godheden weinig meer te maken had met de cultus zoals die in het ‘klassieke’ Oude Egypte bestond. Zowel Isis als Serapis waren door en door gehelleniseerd. De laatstgenoemde was in feite een mix van Osiris, Apis en Hades. Ondanks de afbraakmaatregel ging de verering van de twee goden door buiten het pomerium,  de heilige stadsgrens van Rome. En reeds in 43 BCE stemde het Tweede Triumviraat in met de bouw van een nieuwe tempel voor Isis en Serapis[7], al is niet duidelijk wanneer die precies werd gebouwd.

Graftombe van de Rabirii.

Grafsteen met Semitische namen.

Vanaf de graftombe van de Rabirii liep ik nog zo’n 500 meter verder langs de Via Appia, totdat ik bij een volgend voorbeeld van buitenlandse invloeden op het leven in het oude Rome kwam. Een inscriptie aan de voet van een grote verticale steenklomp noemt drie namen die duidelijk geen Romeinse oorsprong hebben. De drie overledenen waren liberti, vrijgelatenen, en oorspronkelijk heetten ze Baricha, Zabda en Achiba. Toen hun meester Lucius Valerius hen vrijliet, namen ze zijn naam aan. Het is aannemelijk dat de mannen Joden waren. Misschien waren ze gevangenen uit de Eerste Joods-Romeinse Oorlog (66-74), het conflict waarin de toekomstige keizer Titus Jeruzalem veroverde.

Naar deel 9


[1] Zie Fik Meijer, Via Appia, p. 132.

[2] Adrian Goldsworthy, Caesar, p. 42.

[3] Filippo Coarelli, Rome and Environs: An Archaeological Guide, p. 394.

[4] De naam ‘Hilarius Fuscus’ werd op een inscriptie aangetroffen, maar deze is geen onderdeel van het monument meer.

[5] Cicero, pro Rabirio Postumo 2.

[6] Cassius Dio 40.47.

[7] Cassius Dio 47.15.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.