De Annalist: De Jaren 224-221 BCE

Samenvatting

  • De consuls Quintus Fulvius Flaccus en Titus Manlius Torquatus onderwerpen de Boii, maar de rest van hun veldtocht loopt op niets uit (224 BCE);
  • De consuls Gaius Flaminius en Publius Furius Philus behalen een beslissende overwinning op de Insubres en mogen daarvoor een triomftocht houden (223 BCE);
  • De consul Gnaeus Cornelius Scipio Calvus belegert Acerrae, terwijl zijn collega Marcus Claudius Marcellus zich richting Clastidium haast, dat wordt bedreigd door de Insubres (222 BCE);
  • Bij Clastidium verslaat de Romeinse ruiterij de Kelten, waarbij Marcellus hoogstpersoonlijk de vijandelijke aanvoerder weet te doden;
  • Marcellus wijdt de spolia opima aan Jupiter Feretrius in Rome;
  • Scipio Calvus neemt Mediolanum in, de hoofdstad van de Insubres;
  • Mogelijke veldtochten tegen de Histri (221 BCE);
  • In Spanje wordt Hasdrubal Barcas vermoord. Hij wordt opgevolgd door Hannibal, de zoon van Hamilcar Barcas.

Na hun overwinning bij Telamon in 225 BCE lanceerden de Romeinen een offensief. De consuls van 224 BCE, Quintus Fulvius Flaccus en Titus Manlius Torquatus, kregen beiden de oorlog tegen de Boii als hun provincie toegewezen. Met een grote strijdmacht vielen ze het gebied van deze stam binnen. De Boii werden hierdoor volledig verrast en konden voorlopig onderworpen worden, maar de rest van de veldtocht liep op niets uit vanwege slecht weer en het uitbreken van een ziekte. De Romeinen zouden echter het volgende jaar terugkeren.

Meer veldtochten: 223 BCE

De veldtocht van 223 BCE stond wederom onder leiding van beide consuls, in dit geval Gaius Flaminius en Publius Furius Philus. Flaminius was een “nieuwe man” en dit was zijn eerste consulaat. Het voornaamste doel van de consuls was het gebied van de Insubres, die ten noorden van de Boii leefden. Aanvankelijk verliep de veldtocht niet goed. De Romeinen probeerden de rivier de Po (Padus in het Latijn) over te steken bij de zijrivier de Adda (Addua in het Latijn), maar ze werden hier teruggedreven door de Insubres. De consuls trokken daarop met hun troepen naar het gebied van hun bondgenoten, de Cenomani. Vanuit een andere richting gingen ze vervolgens weer op de Insubres af. Ze troffen een Keltisch leger tegenover zich dat volgens Polybius 50.000 man telde. De Romeinen hadden zelf de beschikking over twee consulaire legers, wat neerkomt op zo’n 40.000 soldaten in het veld. Zelfs als Polybius weer eens overdreef, lijkt de conclusie gerechtvaardigd te zijn dat de legers aan elkaar gewaagd waren.

Een deel van de uitrusting van een triarius. Zijn stootlans (hasta) ontbreekt. Hij zou in de strijd het grote schild op de achtergrond hebben gebruikt, niet het kleine ronde schild. Zijn zwaard hangt aan de verkeerde kant: het werd rechts gedragen.

Tijdens de daaropvolgende veldslag gebruikten de Romeinen een nieuwe tactiek. Ook al bleek deze succesvol, het lijkt er niet op dat ze de tactiek in latere gevechten hebben herhaald. De hastati in de voorste linie, die meestal met werpspiesen en zwaarden vochten, kregen nu de speren van de triarii in de derde linie. De hastati stelden zich vervolgens op in een dichte falanx en confronteerden de Kelten met een imponerende muur van speren. De Insubres stormden op de Romeinse linies af, maar ze werden op afstand gehouden en slaagden er niet in om zich met hun grote zwaarden een weg door de Romeinse formatie te hakken. Deze zwaarden waren van hoge kwaliteit – hoewel Polybius ten onrechte het tegenovergestelde beweert -, maar ze hadden geen scherpe punt en konden daarom niet gebruikt worden om mee te steken, zoals met de Romeinse zwaarden wel kon. De Romeinen brachten de Keltische stormloop al snel tot staan en begonnen geleidelijk aan hun tegenstanders terug te dringen met hun zwaarden en schilden. De Insubres werden op de vlucht gedreven en de meeste van hen werden gedood. Na hun zege keerden de consuls met buit beladen terug naar Rome. Als beloning mochten ze beiden een triomftocht houden.

Volgens een traditie die Flaminius vijandig gezind was, had de consul zelf niet veel aan de overwinning bijgedragen. Deze zou voornamelijk door zijn officieren zijn behaald. Polybius beschuldigt Flaminius zelfs van een tactische fout door zijn manschappen met hun rug tegen de rivier op te stellen. Als de Romeinen waren teruggedrongen had dat tot een ramp kunnen leiden. Dio voegt hieraan toe dat de consuls een bevel van de Senaat hadden ontvangen om terug naar huis te gaan vanwege slechte voortekenen (Plutarchus heeft een soortgelijk verhaal). Furius zou bereid zijn geweest te gehoorzamen, maar Flaminius zou hem hebben overgehaald de veldtocht voort te zetten. De laatstgenoemde zou volgens Dio ook alle buit aan de soldaten hebben gegeven om hun gunst te winnen. Nadat ze in Rome waren teruggekeerd wilde de Senaat de consuls laten vervolgen voor het negeren van zijn bevelen, maar volgens Dio zou de volksvergadering tussenbeide zijn gekomen, de Senaat hebben overruled en de bevelhebbers juist een triomftocht hebben toegekend.

We moeten het grootste gedeelte van de hierboven genoemde kritiek maar met een korreltje zout nemen. Flaminius was niet populair bij de conservatievere senatoren vanwege de landhervormingen die hij in 232 BCE had geïnitieerd. Hij was toen reeds van populisme beschuldigd, en dat heeft zeker invloed gehad op de manier waarop hij in de historische bronnen wordt besproken.

Meer veldtochten: 222 en 221 BCE

De Kelten, vermoedelijk nog steeds de Insubres, boden nu aan om vrede te sluiten. De nieuwe consuls voor het jaar 222 BCE, Marcus Claudius Marcellus en Gnaeus Cornelius Scipio Calvus, waren er echter op gebrand de oorlog voort te zetten. Zich realiserend dat een nieuwe Romeinse inval op handen was, begonnen de Kelten met het rekruteren van verse troepen bij de volkeren die aan de andere zijde van de Alpen leefden. Polybius beweert dat hun gelederen werden versterkt met zo’n 30.000 Gaesatae die langs de Rhône woonden. De Romeinen rukten eerst op naar een versterkte stad genaamd Acerrae, volgens Polybius “een stad tussen de Po en de Alpen”. Omdat de consuls alle strategische plaatsen rondom de stad hadden bezet, hadden de Insubres geen andere mogelijkheid dan een afleidingsaanval uit te voeren op de stad Clastidium (het huidige Casteggio in Lombardije), een bondgenoot van Rome. Terwijl Scipio Calvus het beleg van Acerrae voortzette, haastte Marcus Claudius Marcellus zich met alleen zijn ruiterij en lichte infanterie naar Clastidium.

Kaart van Gallia Cisalpina (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

Bij Clastidium zou Marcellus eeuwige roem vergaren. De Romeinen waren ver in de minderheid vergeleken bij de Kelten, maar dat deerde de Romeinse aanvoerder niet. Aan het hoofd van zijn cavalerie stormde hij op de Keltische ruiters en infanteristen af. Plotseling schrok zijn paard echter ergens van. Het dier stopte en draaide zich om. Dit zou als een slecht voorteken kunnen worden gezien, maar de consul hield het hoofd koel. Hij deed net alsof hij zijn paard bewust had laten omkeren, zodat hij tot de Zon kon bidden. Na een kort gebed hervatten de consul en zijn mannen hun stormaanval. Plutarchus vertelt ons wat er vervolgens gebeurde:

“Ondertussen kreeg de koning van de Galliërs [in de bronnen afwisselend Britomar(t)us of Viridomarus genoemd] hem in de gaten. Uit zijn insignes leidde de koning af dat hij de aanvoerder was. De koning reed ver voor zijn manschappen uit voor een confrontatie met Marcellus. Hij daagde hem uit en zwaaide met zijn speer. De koning was groter dan de andere Galliërs en viel op door het harnas dat hij droeg. Dit was bezet met goud en zilver, met heldere kleuren en allerhande versieringen. Het harnas glom als de bliksem. Marcellus speurde de gelederen van de vijand af en concludeerde dat dit het mooiste harnas was, en dat hij dit harnas aan de godheid had beloofd [i.e. aan Jupiter Feretrius, zie hieronder]. Daarom stormde hij op de man af en doorboorde de borstplaat van zijn tegenstander met een stoot van zijn speer. Door de klap – zijn paard reed in volle galop – werd deze op de grond gegooid. De koning van de Galliërs leefde nog, maar daar, op de grond, doodde Marcellus hem met een tweede en een derde stoot. Vervolgens sprong hij van zijn paard en legde zijn handen op het harnas van de dode. Hij keek naar de hemel en zei: “Oh Jupiter Feretrius, u die de grootse verrichtingen en heldendaden van generaals en bevelhebbers in oorlogen en veldslagen aanschouwt, ik roep u als getuige aan dat ik deze man met mijn eigen handen heb overmeesterd en gedood. Ik ben daarmee de derde Romeinse aanvoerder en generaal die een heerser en koning doodt. Ik wijd aan u het eerste en mooiste van de buit. Schenkt u ons daarom voorspoed bij het verdere verloop van de oorlog.”

Denarius met Marcellus die de spolia opima aan Jupiter Feretrius wijdt (bron).

De Romeinse ruiters behaalden een prachtige zege op hun Keltische tegenstanders en joegen zowel de vijandelijke infanterie als de ruiters op de vlucht. Aangezien hij de Keltische koning in een tweegevecht had gedood, viel Marcellus de eer ten deel om de wapens en het harnas van de koning – de zogenaamde spolia opima – te wijden aan Jupiter Feretrius in zijn oude tempel op het Capitool. Deze eer was tot dusver alleen toegestaan aan de legendarische koning Romulus en in 437 BCE aan ene Aulus Cornelius Cossus.[1] Gnaeus Cornelius Scipio Calvus slaagde er nu in om Acerrae in te nemen. Van daaruit rukte hij op naar het noorden, richting de hoofdstad van de Insubres, de stad Mediolanum (het huidige Milaan). Na nog enkele gevechten slaagde Scipio Calvus erin de vijand de bergen in te drijven. De consul zette de achtervolging in, verwoestte de akkers van de vijanden en nam uiteindelijk ook hun hoofdstad in. De Insubres hadden een zware nederlaag geleden en boden daarop vrede aan. Deze werd hun vervolgens ook geschonken.

We beschikken maar over weinig bronnen inzake de Romeinse veldtochten van het jaar 221 BCE. Livius moet deze veldtochten hebben beschreven, maar helaas is dit gedeelte van zijn werk verloren gegaan. Dio beweert dat de consuls Publius Cornelius Scipio Asina en Marcus Minucius Rufus “een expeditie leidden in de richting van de Ister en veel van de volkeren daar onderwierpen”. De Periochae maken melding van een veldtocht tegen de Histri of Istriërs, die zouden zijn onderworpen. Al deze beweringen zijn problematisch. De Ister is de rivier de Donau, die ver ten noorden van de Romeinse gebieden van deze tijd stroomt. Op hun beurt leefden de Istriërs in Istrië, een groot schiereiland in de Adriatische Zee dat tegenwoordig onderdeel is van Kroatië (zie de kaart hierboven). Als de consuls echt tot in Istrië zijn gekomen, dan is het niet erg waarschijnlijk dat ze daar een permanente Romeinse aanwezigheid wisten te bewerkstelligen. De Istriërs zouden pas na (nieuwe) Romeinse veldtochten in 178 en 177 BCE onderworpen worden.

De dood van Hasdrubal

Een andere belangrijke gebeurtenis van het jaar 221 BCE was de dood van de Carthaagse bevelhebber in Spanje, Hasdrubal. Deze had het werk van zijn schoonvader Hamilcar voortgezet. Met een voorkeur voor kundige diplomatie boven bruut geweld had hij de Carthaagse gebieden op het Iberisch schiereiland flink uitgebreid. Hasdrubal sneuvelde niet op het slagveld: hij werd vermoord door een Kelt die kennelijk om de een of andere reden wrok tegen hem koesterde (Livius beweert dat Hasdrubal zijn meester had gedood). Het leger in Spanje koos nu de 26-jarige Hannibal als opvolger van Hasdrubal. Deze keuze werd later goedgekeurd door de Carthaagse volksvergadering. Toen Hannibal nog een jongetje was, had zijn vader hem laten zweren “nooit vriendschap met de Romeinen te zullen sluiten” (volgens Polybius[2]) of zelfs “dat hij zich zodra hij dat kon een vijand zou tonen van het Romeinse volk” (volgens Livius[3]). Al snel deed Hannibal zijn eerste gevechtservaring op als opperbevelhebber. Hij voerde met succes operaties uit tegen de stam van de Olcades. Daarna keerde hij terug naar zijn winterkamp bij Carthago Nova.

Bronnen

Primair

Secundair

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 139-140;
  • Adrian Goldsworthy, In the Name of Rome, p. 45-47;
  • Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 222-225.

Noten

[1] Gaius Julius Caesar was de volgende persoon die, in 44 BCE, deze eer te beurt viel, hoewel hij nimmer een vijandelijke aanvoerder in een tweegevecht had gedood. In 29 BCE versloeg Marcus Licinius Crassus (kleinzoon van de triumvir) eigenhandig Deldo, de koning van de Bastarnae. Dat zou hem strikt genomen het voorrecht hebben moeten opleveren om de spolia opima te wijden, maar Octavianus onthield hem die eer.

[2] Polybius 3.11 (vertaling Wolther Kassies).

[3] Livius 21.1 (vertaling Hedwig van Rooijen-Dijkman).

2 Comments:

  1. Pingback: De Annalist: Het Jaar 217 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback: De Annalist: De Jaren 220-219 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.