De Vroege Republiek: de Tweede Samnitische oorlog (deel 1; 327-312 BCE)

Samnitische wapenrusting.

De Romeinen hadden in 354 BCE een bondgenootschap met de Samnieten van zuidelijk Centraal-Italië gesloten. De Eerste Samnitische oorlog van 343-341 BCE had hier een einde aan gemaakt, maar na de Romeinse zege in het conflict was het bondgenootschap hernieuwd en hadden de Samnieten aan Romeinse zijde meegevochten tijdens de Latijnse oorlog (340-338 BCE). Dat gold zeker voor het eerste jaar van die oorlog, toen er in Campania werd gestreden. In de jaren daarna waren de betrekkingen tussen Rome en Samnium echter steeds slechter geworden. De Samnieten namen vooral aanstoot aan de recent gestichte Latijnse kolonies Cales en Fregellae. Het zou echter een conflict om de van oorsprong Griekse stad Parthenope of Palaepolis zijn die de Tweede Samnitische oorlog in 327 of 326 BCE deed ontbranden.

De Tweede Samnitische oorlog: inleiding

De eerste Griekse kolonie in Italië was Pithecusae, omstreeks 775 BCE gesticht op het eiland Ischia voor de kust van Campania. Van daaruit werd enkele decennia later Cumae gesticht. Cumae werd al snel een succesvolle kolonie en van daaruit werd tussen 700 en 650 BCE zo’n vijftien kilometer oostelijker een stad gesticht die Parthenope werd genoemd. Hoe het deze stad verging, is niet precies bekend, maar in de zesde eeuw BCE verrees even ten noorden van Parthenope een nieuwe Griekse stad die de naam Neapolis (‘nieuwe stad’) meekreeg. Beide steden moeten in het laatste kwart van de vijfde eeuw BCE onder de voet gelopen zijn door de Samnieten en Campaniërs, die ook steden als Capua (een Etruskische nederzetting) en het al genoemde Cumae innamen. Neapolis en Parthenope bleven bewoond door Grieken, maar er moeten zich ook Samnieten en Campaniërs hebben gevestigd en Livius vermeldt voor het jaar 327 BCE voor Parthenope – bij hem Palaepolis (‘oude stad’) genoemd – een garnizoen van 4.000 Samnitische soldaten en 2.000 manschappen uit het Campanische Nola.[1]

Wapenrusting van een krijgstribuun uit de tijd van de Republiek.

Vanuit Palaepolis werden aanvallen uitgevoerd op de Romeinse kolonisten die in het vruchtbare gebied van de Ager Campanus en de Ager Falernus waren neergestreken. De consul Quintus Publilius Philo was naar het gebied gestuurd om hier een einde aan te maken. Philo had zich op een strategische plek tussen Neapolis en Parthenope gelegerd en was aan het beleg van de laatstgenoemde stad begonnen. De Senaat besloot zijn ambtstermijn ter verlengen zodat hij het beleg in 326 BCE kon voltooien. Als de allereerste proconsul (van pro consule, ‘in de plaats van de consul’) wist Philo de stad vervolgens in te nemen. Daarbij kreeg hij hulp vanuit Parthenope zelf: de stad werd aan hem verraden, hetzij door enkele Griekse inwoners, hetzij door het Samnitische garnizoen. Het verraad was waarschijnlijk ingegeven door het feit dat hulptroepen vanuit het Griekse Taras (Tarentum)[2] en het Samnitische binnenland te laat kwamen. Voor zijn overwinning werd aan de proconsul een triomftocht toegekend.[3] Het is heel goed mogelijk dat de Romeinen Parthenope met de grond gelijkmaakten. Vervolgens gingen ze met Neapolis een verbond aan. Tegenwoordig kennen we deze stad als Napels.

Ondertussen waren de onderhandelingen met de Samnieten stukgelopen en was de Tweede Samnitische oorlog uitgebroken. Het was een oorlog die met een duur van 22-23 jaar niet onderdeed voor de Eerste Punische Oorlog van de volgende eeuw. Dat de Tweede Samnitische oorlog veel langer duurde dan de Eerste had met een aantal factoren te maken. In de eerste plaats was het oorlogsgebied vele malen groter. De strijd beperkte zich niet tot Campania en Samnium, zoals tijdens de eerste confrontatie met de Samnieten het geval was geweest, maar strekte zich tevens uit over Lucania, Apulia en Latium. De bewoners van deze streken moesten op verschillende momenten hun positie ten opzichte van zowel de Romeinen als de Samnieten bepalen, en dat gold ook voor volkeren als de Vestini, de Marsi en de Paeligni. Een tweede reden voor de lange duur van het conflict was het feit dat Rome de Samnieten weliswaar enkele malen wapenstilstanden toestond, maar geen vrede wenste te sluiten. Rome was uit op de totale onderwerping van dit volk. Daarmee was de Tweede Samnitische oorlog wellicht het eerste duidelijke voorbeeld van het Romeinse streven naar een deditio van de tegenstander, een onvoorwaardelijke overgave.

Strijdtoneel van de Tweede Samnitische oorlog (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

Uiteraard speelde bij de lange duur ook mee dat de Samnieten taaie krijgers waren, gehard door het leven in de bergen, maar zeker geen ongeciviliseerde barbaren. Hoewel Rome in de hele oorlog maar één overduidelijke nederlaag leed en verder vooral overwinningen behaalde, slaagden de Samnieten er toch in elke keer weer legers op de been te brengen en Romeins gebied of Romeinse bondgenoten aan te vallen. Daarbij gold ook dat de Samnieten zelf geen eenheid vormden. Ze bestonden in wezen uit verschillende stammen, te weten de Hirpini, Caudini, Carricini en Pentri. Soms worden ook de Frentani tot de Samnieten gerekend. Ze stamden in elk geval van hen af en onderhielden nauwe banden met hen. De Samnieten waren verenigd in een soort confederatie of bond, maar daarmee was niet gezegd dat het onderwerpen van één stam ook tot de onderwerping van de andere leidde. Ten slotte werd een groot deel van de oorlog uitgevochten op moeilijk terrein, dat ook de belangrijkste factor zou zijn in de grootste Romeinse nederlaag in het conflict.

Romeinse triarius in de uitrusting van een Griekse hopliet (bron: Europa Barbarorum).

Toch was het Romeinse leger van de late vierde eeuw BCE veel beter dan zijn voorganger van de vijfde eeuw BCE in staat op dit soort terrein te vechten. De enkele falanx van hoplieten, gesteund door lichte troepen, had nu definitief plaatsgemaakt voor de beroemde acies triplex, drie slaglinies achter elkaar.[4] Manipels hastati, principes en triarii vormden de zware infanterie, waarbij wellicht de triarii nog de uitrusting van de klassieke hopliet droegen, waaronder het bekende ronde schild. De hastati werden ondersteund door lichte troepen (leves), gewapend met werpspiesen en speren, terwijl achter bij de triarii de rorarii en accensi stonden opgesteld. Hun precieze rol is niet bekend, maar mogelijk ging het om schermutselaars en slingeraars. Een legioen van ca. 4.200-5.000 lichte en zware infanteristen werd nog ondersteund door 300 ruiters (equites), maar de belangrijkste ondersteuning kwam in de vorm van troepen van de Latijnse en Italiaanse bondgenoten. Die leverden zeker de helft van de infanterie en het merendeel van de ruiterij. En het reservoir aan mankracht waaruit Rome kon putten was groot. De stad kon in elk geval tien legioenen in het veld brengen (ca. 50.000 man) en daar kwamen de troepen van de bondgenoten dan nog bij.[5] Met deze aantallen konden de Romeinen op meerdere fronten tegelijk oorlog voeren.

De Tweede Samnitische oorlog: de eerste jaren (326-322 BCE)

Het eerste jaar van de oorlog tegen de Samnieten gebeurde er, op de inname van Parthenope na dan, relatief weinig. Dat kwam mede door de onrust in Rome. Er was een dictator benoemd om de verkiezingen voor de consuls te leiden, maar diens benoeming was op religieuze gronden ongeldig verklaard en er waren maar liefst veertien interreges geweest – en dus zo’n 70 dagen verstreken[6] – voordat er nieuwe consuls waren gekozen. De nieuwe consul Gaius Poetelius had vervolgens belangrijke zaken in Rome zelf af te handelen, want een naar hem vernoemde Lex Poetelia maakte een einde aan enkele eeuwen schuldslavernij. Voortaan konden alleen goederen als onderpand dienen voor een lening, niet langer personen.[7] Toch werd er wel strijd geleverd in Samnium, want de steden Alifae, Callifae en Rufrium vielen in Romeinse handen. Hulptroepen van de Lucani en Apuli hadden zich bij de Romeinen aangesloten, maar de Lucani liepen niet veel later onder druk van de Samnieten weer over.[8] In 325 BCE sloten de Vestini, een volk dat in de Abruzzen woonde, zich eveneens bij de Samnieten aan, zodat de nieuwe consul Decimus Junius Brutus Scaeva een strafexpeditie tegen hen moest ondernemen. Scaeva moest een zware strijd leveren en flinke verliezen incasseren, maar bracht de veldtocht wel tot een goed einde.[9]

Uitzicht over het Forum Romanum, met op de voorgrond de tempel van Saturnus.

De andere consul van 325 BCE was Lucius Furius Camillus, een held uit de Latijnse oorlog van wie een ruiterstandbeeld het Forum sierde. Camillus werd echter ziek en kon daarom de oorlog in Samnium niet op zich nemen. Lucius Papirius Cursor werd vervolgens tot dictator benoemd en kreeg Quintus Fabius Maximus Rullianus als magister equitum naast zich. Papirius Cursor was een fenomeen in die tijd. Hij was oersterk en pijlsnel (cursor betekent ‘hardloper’), en stond bovendien bekend om zijn enorme eetlust.[10] Daarnaast was hij een zeer kundig militair, maar wel buitengewoon rechtlijnig, zoals moge blijken uit het conflict dat vervolgens met zijn ruitercommandant ontstond.[11] De dictator had op enig moment het legerkamp verlaten en was naar Rome vertrokken om opnieuw de voortekenen (auspicia) waar te nemen. Hij had Fabius verboden in de tussentijd de strijd aan te binden met de Samnieten. De ruitercommandant zag echter een prachtige kans om de vijand een zware slag toe te brengen en hakte deze vervolgens bij de plaats Imbrinium (locatie onbekend) volledig in de pan. Duizenden Samnieten zouden over de kling zijn gejaagd.[12]

Bij terugkeer in het legerkamp ontstak Papirius in grote woede omdat zijn bevel was genegeerd. Hij wilde zijn rechterhand al laten geselen en onthoofden, maar Fabius wist naar Rome te vluchten, waar hij bescherming zocht bij zijn vader, de oud-consul en oud-dictator Marcus Fabius Ambustus.[13] Terwijl de jonge Fabius de Senaat toesprak, arriveerde Papirius in Rome, nog steeds vast van plan de ruitercommandant te straffen. Uiteindelijk kon een interventie van het volk de dictator ertoe bewegen van zijn voornemen af te zien. Fabius had daarmee aanzienlijk meer geluk dan de zoon van de consul Titus Manlius Torquatus, die in 340 BCE door zijn vader was terechtgesteld vanwege het negeren van diens bevel. Papirius zette zijn ruitercommandant wel op een zijspoor en de hele affaire had zijn populariteit binnen het leger geen goed gedaan. De dictator wist de orde echter snel te herstellen en behaalde in 324 BCE een dusdanig grote zege op de Samnieten dat aan hem een triomftocht werd toegekend. Vervolgens werd over vrede onderhandeld, maar uiteindelijk kwam men niet verder dan een wapenstilstand van een jaar.

Samnitische krijger (bron: Europa Barbarorum).

Na het verstrijken van de wapenstilstand werd de oorlog in 323 BCE voortgezet. Samnium zelf en de Samnitische bondgenoten in Apulia werden aangevallen, maar tot een geregelde veldslag kwam het niet. Dat was het volgende jaar anders. Ergens in Samnium kwam het in 322 BCE tot een zeer bloederig treffen dat vijf uur duurde. Uiteindelijk zou de inhaligheid van de Samnitische ruiterij de doorslag hebben gegeven: die was meer in de Romeinse bagage geïnteresseerd dan in het verslaan van de tegenstander. De Romeinse ruiters konden hen toen gemakkelijk op de vlucht jagen en vervolgens de Samnitische infanteristen in de rug aanvallen. Het is niet duidelijk hoeveel vijanden er sneuvelden, maar onder hen was zeker de Samnitische generaal. Aan de Romeinse consuls Lucius Fulvius Curvus en Quintus Fabius Maximus Rullianus (de voormalige ruitercommandant) werd een triomftocht toegekend.[14]

De Tweede Samnitische oorlog: de schande van de Caudijnse passen (321 BCE)

Na hun nederlaag in 322 BCE waren de Samnieten opnieuw bereid vrede te sluiten. Ze leverden de Romeinen zelfs het lichaam uit van ene Brutulus Papius, een edelman die verantwoordelijk werd gehouden voor hervatting van de oorlog na de wapenstilstand. Om niet levend in Romeinse handen te vallen, had hij zelfmoord gepleegd, maar voor de Romeinen was dit gebaar niet genoeg. Ze zetten de oorlog voort en zulke arrogantie moest een keer in hun gezicht ontploffen. In 321 BCE dienden Titus Veturius Calvinus en Spurius Postumius als consul. Ze waren gelegerd bij Calatia en kregen daar bericht dat de Samnieten de stad Luceria in Apulia belegerden. Luceria was een Romeinse bondgenoot, dus de consuls besloten ogenblikkelijk te hulp te schieten. De stad lag echter wel aan de andere zijde van de Apennijnen (zie de kaart hierboven). Veturius en Postumius besloten voor de kortste route te kiezen en trokken met hun leger door de Caudijnse passen. Plotseling verschenen daar aan alle kanten Samnitische soldaten op de rotsen boven hen. Alle in- en uitgangen van de passen bleken versperd te zijn met rotsen en boomstammen en 40.000 Romeinen[15] konden geen kant meer uit.

Spinario, eerste eeuw BCE (Capitolijnse Musea, Rome).

De opperbevelhebber van de Samnieten was op dat moment de talentvolle Gaius Pontius. Hij had het Romeinse leger kunnen vernietigen, maar bleek bereid te onderhandelen. De consuls gaven zich over en werden met al hun manschappen, ontwapend en met slechts één kledingstuk aan, onder het juk doorgestuurd terwijl de Samnieten hen beschimpten. Dit was een oud ritueel waarmee soldaten hun krijgersstatus verloren. Daarna droop het vernederde Romeinse leger af richting Capua, waar de mannen gelukkig goed opgevangen werden door hun bondgenoten. Met Pontius was een voorlopig vredesverdrag gesloten waarvoor de consuls persoonlijk borg stonden. Bovendien waren er 600 Romeinse equites als gijzelaars achtergelaten. Omdat Senaat en volksvergadering in 320 BCE echter weigerden het verdrag goed te keuren, moesten de twee voormalige consuls aan de Samnieten worden uitgeleverd. Ze werden teruggebracht naar Caudium, waar Gaius Pontius weigerde hun overgave aan hem te aanvaarden. Uiteindelijk stonden de Samnieten daarmee met lege handen. Pontius had moeten luisteren naar de raad van zijn vader om ofwel alle Romeinen ongedeerd te laten gaan (om zo hun vriendschap te winnen) ofwel ze allemaal tot de laatste man af te slachten.[16]

Bij het hele verhaal zoals verteld door Livius en Dionysius van Halicarnassus zijn terecht vraagtekens geplaatst. Op andere momenten tijdens de oorlog bleken de Samnieten niet te beroerd om Romeinse soldaten af te slachten, dus het is nogal ongeloofwaardig dat ze dat in de Caudijnse passen niet zouden hebben gedaan. Mogelijk werden de Romeinen hier wel degelijk in een gevecht verslagen en werd het hele verhaal van de overgave, het juk en de terugkeer van de oud-consuls later verzonnen. Sowieso heeft het verhaal wel erg veel moralistische elementen, bijvoorbeeld de oud-consuls die trouw aan hun woord terugkeren naar de plaats van het onheil en Pontius die niet naar de wijze raad van zijn vader luistert. Opvallend is ten slotte dat alleen Spurius Postumius de ironische bijnaam ‘Caudinus’ – veroveraar van Caudium – kreeg[17], dus wellicht liep alleen zijn leger in de passen in een hinderlaag.

De Tweede Samnitische oorlog: Rome keert het tij (320-312 BCE)

Romeinse standaarddrager (restanten van de tempel van Hadrianus).

Wat er ook precies gebeurde in de Caudijnse passen, de Romeinen waren er tijdelijk door van slag. De nieuwe consuls Quintus Publilius Philo en Lucius Papirius Cursor zetten echter een krachtdadig tegenoffensief in. De plebejer Philo, de overwinnaar van Parthenope, was nu voor de derde maal consul. In een woest gevecht versloeg hij de Samnieten in de buurt van Caudium, waarmee hij de schande van het vorige jaar enigszins goed wist te maken. Papirius Cursor, nu voor de tweede maal consul, rukte op naar Apulia. Volgens Livius werden daar in de stad Luceria, die inmiddels in Samnitische handen was, de 600 Romeinse gijzelaars bewaakt.[18] Papirius had een veiligere route naar Apulia gekozen en bereikte zonder problemen de stad Arpi. De plaatselijk Apuli waren de Romeinen over het algemeen gunstig gezind omdat ze veel te lijden hadden gehad van de Samnieten, maar de consul en zijn leger raakten wel door hun levensmiddelen heen. Arpi stuurde wat voedsel, maar kon een zo groot leger kennelijk niet bevoorraden.

De situatie verbeterde toen ook de consul Philo in Apulia arriveerde. Terwijl de ene consul Luceria belegerde, stroopte de andere het vijandelijke gebied eromheen af. De Romeinse aanwezigheid in Apulia was zeer tegen de zin van het Griekse Taras, dat tevergeefs in het conflict probeerde te bemiddelen.[19] De dreiging om militair te interveniëren maakte al helemaal geen indruk op de strijdende partijen. De Samnieten probeerden nog om het beleg van Luceria te doorbreken, maar de consuls dreven hen met gemak terug. De stad werd intussen effectief uitgehongerd en moest zich op den duur overgeven. De 600 Romeinse gijzelaars werden vervolgens vrijgelaten en nu waren het de Samnieten die onder het juk door werden gestuurd. Ook zouden alle standaards en wapens die de Romeinen in de Caudijnse passen waren kwijtgeraakt weer in Romeinse handen zijn gekomen.[20] Het is een afloop die een beetje te mooi klinkt om waar te kunnen zijn.

Verder naar het westen gingen de zaken echter helemaal niet zo voorspoedig voor de Romeinen, want daar hadden de Samnieten een offensief ingezet. Ze wisten na een felle strijd de Latijnse kolonie Fregellae in te nemen en Satricum tot afvalligheid te bewegen. Dat laatste was opvallend, want Satricum was een Romeinse kolonie in Latium, op minder dan 50 kilometer van Rome. In 319 BCE wist Papirius, alweer voor de derde maal tot consul gekozen, de kolonie te heroveren. Dat ging vrij gemakkelijk, want ’s nachts openden enkele burgers die de Romeinen trouw gebleven waren een poort. Bovendien hadden ze de consul geïnformeerd dat het Samnitische garnizoen diezelfde nacht zou proberen te vluchten. Het resultaat was dat de Romeinen zonder problemen de stad binnen konden trekken en een hinderlaag voor de Samnieten konden opzetten. Zo kon Papirius Satricum weer in handen krijgen.[21] De verantwoordelijken voor het overlopen naar de Samnieten werden terechtgesteld en de consul mocht in Rome een triomftocht houden. Zijn collega Quintus Aulius Cerretanus had ondertussen met succes strijd geleverd tegen de Frentani, als gezegd bondgenoten en stamverwanten van de Samnieten.

Uitzicht over het Forum Romanum.

Nu Rome het tij had gekeerd, vroegen de Samnieten weer om vrede. Die kregen ze niet: de Romeinen waren slechts bereid tot een wapenstilstand van twee jaar. In die twee jaar richtten ze hun aandacht op Apulia en Lucania. In 318-317BCE werden de steden Teanum, Canusium en Forentum in Apulia onder Romeins gezag gebracht en in 317 BCE werd Nerulum in Lucania veroverd. Het volgende jaar werd de Samnitische oorlog hervat met een Romeinse aanval op Saticula, een stad die op de hand van de Samnieten was. De inmiddels benoemde dictator Lucius Aemilius Mamercinus begon de stad te belegeren. In 341 BCE was hij al eens consul geweest en in die hoedanigheid had hij toen aan de strijd tegen de Samnieten deelgenomen, al viel er destijds weinig meer te vechten. Nu probeerde een Samnitisch ontzettingsleger het beleg van Saticula te doorbreken, terwijl tegelijkertijd de belegerden een uitval deden. De veteraan Mamercinus hield echter het hoofd koel. Beide aanvallen werden afgeslagen, waarna de Samnieten probeerden de aandacht van Saticula af te leiden door zonder succes het nabijgelegen Plistica, een Romeinse bondgenoot, aan te vallen.

De Curia Julia, opvolger van de Curia Hostilia. Links de kerk van Santi Luca e Martina, op de plek waar de Curia Hostilia stond.

In 315 BCE nam een nieuwe dictator het beleg van Saticula over, Quintus Fabius Maximus Rullianus, de voormalige ruitercommandant en de consul van 322 BCE. Een nieuwe Samnitische poging het beleg te doorbreken leidde tot een verwoed gevecht bij de Romeinse schansen, waarin eerst de Samnitische bevelhebber sneuvelde en vervolgens Fabius’ rechterhand, de ruitercommandant Quintus Aulius Cerretanus. De Romeinen behaalden echter de zege en konden niet veel later Saticula innemen. De Samnieten moesten zich aanvankelijk tevreden stellen met het onbeduidende Plistica, dat ze nu wel in handen wisten te krijgen.[22] Niet veel later viel hen echter een veel grotere prijs in de schoot: de stad Sora. Deze stad had voorheen aan de Volsci toebehoord en na de inname door de Romeinen in 345 BCE was er een Latijnse kolonie gesticht. De plaatselijke Volsci hadden nu echter de kolonisten gedood en zich bij de Samnieten aangesloten. Uiteraard waren de Romeinen het aan hun stand verplicht Sora te heroveren. Een eerste poging daartoe van de dictator Fabius liep echter op een mislukking uit. Bij Lautulae, een pas aan de kust, kwam het tot een gewapend treffen. De uitkomst van de strijd is niet geheel duidelijk, maar zeker is dat de Romeinen geen overwinning behaalden.[23] Dankzij de komst van de nieuwe ruitercommandant Gaius Fabius Ambustus, tevens de broer van de dictator, kon een tweede gevecht wel in Romeins voordeel worden beslecht.

De Romeinen konden nu Sora belegeren en in 314 BCE heroveren. Vanwege haar strategische ligging in de heuvels was een directe aanval op de stad lastig, maar de Romeinen werden geholpen door een overloper, die hun de burcht van Sora in handen speelde. Naar verluidt hadden slechts tien Romeinse soldaten zich van deze burcht meester gemaakt, maar de bange bevolking verwachtte een grote aanval en probeerde te vluchten. Ze openden de poorten, waarop de Romeinen konden binnendringen. Niet veel later was kolonie weer in hun handen. 225 Sorani werden gearresteerd vanwege de moord op de Romeinse kolonisten en voor hun terechtstelling naar Rome gestuurd. De consuls van dit jaar veroverden vervolgens ook nog de steden Ausona, Minturnae en Vescia in het land van de Aurunci en gingen daar zo woest tekeer dat de Aurunci nagenoeg uitgemoord werden. Een grote tegenvaller was het verlies van Luceria in Apulia, dat gelukkig vrijwel direct weer heroverd kon worden. De Senaat moest vervolgens kiezen tussen het verwoesten van deze stad of het stichten van een Latijnse kolonie. Hij koos uiteindelijk voor het laatste.[24]

Amfitheater in Capua uit de tijd van Augustus (foto: Rico Heil, CC BY-SA 3.0 license).

Er gebeurde sowieso veel in 314 BCE. Een samenzwering in Capua, met als doel de Campaniërs aan de kant van de Samnieten te brengen, mislukte weliswaar, maar leidde er wel toe dat een Samnitische legermacht Campania bedreigde. Beide consuls, Marcus Poetelius en Gaius Sulpicius, gingen in de buurt van Caudium de strijd met hun tegenstander aan. De Romeinen boekten een grote overwinning en 30.000 Samnieten werden gedood of gevangen genomen, ongetwijfeld een overdrijving.[25] De overlevenden vluchtten naar Maleventum in het binnenland. Het volgende doel van de consuls was Bovianum, een van de belangrijkste steden in Samnium en de hoofdstad van de Pentri. De precieze locatie van de stad is niet bekend. Voorheen werd wel aangenomen dat Bovianum op de plek van het huidige Pietrabbondante lag, maar daar zijn archeologen van teruggekomen. De Romeinen konden de stad niet innemen, want in 313 BCE hadden de Samnieten opnieuw de Latijnse kolonie Fregellae aangevallen. In 320 BCE hadden ze de stad al eens kortstondig bezet (zie hierboven), maar die was niet veel later door de Romeinen heroverd. Nu maakten ze zich van de burcht meester, waarop de pas aangestelde dictator Gaius Poetelius het beleg van Bovianum afbrak en de kolonie te hulp schoot.

De Samnieten werden snel verjaagd bij Fregellae, waarna ook Nola, Atina en Calatia in Romeinse handen vielen. Er werden in 313 BCE ook twee nieuwe Latijnse kolonies gesticht: Suessa Aurunca in het gebied van de Aurunci en Pontiae op een eiland voor de kust van Latium (tegenwoordig Ponza) dat voorheen aan de Volsci had toebehoord. In 312 BCE verrees een Latijnse kolonie bij Interamna.[26] De stichting van zoveel nieuwe kolonies en de versterking van bestaande kolonies als Fregellae en Cales was een duidelijk teken dat de Romeinen aan de winnende hand waren in de Tweede Samnitische oorlog. Zij waren hun veroveringen aan het consolideren. Toch zou de Tweede Samnitische oorlog nog acht jaar langer duren, en dat was vooral te wijten aan het feit dat er een nieuwe oorlog uitbrak met diverse Etruskische steden. De Romeinen moesten daardoor hun krachten verdelen en de Samnieten putten daaruit weer moed.

Appius Claudius de censor

In 312 BCE dienden Appius Claudius en Gaius Plautius als censor. De twee mannen kregen grote ruzie, en dat leidde er uiteindelijk toe dat Claudius als enige censor overbleef. Plautius legde namelijk zijn ambt neer uit onvrede over de maatregelen die zijn ambtsgenoot had genomen. Normaal gesproken zou in zo’n geval ook de tweede censor zijn afgetreden en zouden er nieuwe verkiezingen zijn gehouden, maar in dit geval bleef Claudius niet alleen aan, hij bekleedde het censorschap ook nog eens langer dan de achttien maanden die de wet toestond.[27] Twee van de maatregelen die de censor nam, waren zeker niet controversieel: de aanleg van de Via Appia en de bouw van een aquaduct, de Aqua Appia. De aanleg van de Via Appia diende in de eerste plaats militaire doeleinden. De weg stelde de Romeinen in staat snel troepen naar Campania te verplaatsen, waardoor ze de annexatie van deze streek konden afronden. De bouw van het aquaduct moest verzekeren dat de burgers van het almaar groeiende Rome over vers drinkwater konden beschikken.

De Via Appia.

Claudius was echter ook verantwoordelijk voor een aantal maatregelen die als populistisch beschouwd werden. De Claudii waren patriciërs en stonden over het algemeen niet bekend om hun liefde voor het plebs, maar er waren uitzonderingen (zoals moge blijken uit een beroemd voorbeeld uit de eerste eeuw BCE). Kennelijk zag ook Appius Claudius zichzelf als een man van het volk. Als censor stelde hij de rol met senatoren op en bepaalde hij wie daarvan geschrapt werden. Ook al werd zijn bevoegdheid enigszins gereguleerd door de Lex Ovinia van 318 BCE, de censor had toch een behoorlijke vrijheid te benoemen wie hij wilde. Claudius benoemde nu enkele zonen van vrijgelatenen tot senator en dat viel bij de elite niet goed. Bovendien verdeelde hij leden van de lagere klassen (onder wie waarschijnlijk weer veel vrijgelatenen) over alle tribus, de 31 kiesdistricten die Rome op dat moment telde. Voorheen werden de armere Romeinen vermoedelijk in de vier grote stedelijke tribus geconcentreerd, waardoor hun politieke macht beperkt bleef. Claudius’ herverdeling over de kiesdistricten werd door de volgende censors weer ongedaan gemaakt.[28]

Overblijfselen van het Ara Maxima.

Een laatste controversiële maatregel van de censor betrof de religie. Al sinds de Koningstijd werd het Ara Maxima van Hercules, waarvan de restanten zich onder de kerk van Santa Maria in Cosmedin bevinden, beheerd door priesters uit de gens Potitia.[29] Claudius zou nu bepaald hebben dat de ceremoniën bij het altaar ook wel door staatsslaven konden worden uitgevoerd. Kort daarna zouden de Potitii in mannelijke lijn zijn uitgestorven. Voor straf zouden de goden Claudius met blindheid hebben geslagen, wat hem de bijnaam Caecus (‘de blinde’) opleverde.[30] Waarschijnlijk klopt er vrij weinig van het hele verhaal. Eerder zal het uitsterven van de gens Potitia – een zeer obscuur patricisch geslacht – de reden zijn geweest om de eredienst aan slaven op te dragen. Ten slotte klopt het wel dat Claudius blind werd, maar dat werd hij pas op latere leeftijd.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic, p. 28 en 164;
  • Philip Matyszak, Chronicle of the Roman Republic, p. 70-72;
  • Timothy Venning, A Chronology of the Roman Empire, p. 69-72.

Noten

[1] Livius 8.23.

[2] Taras was in 706 BCE gesticht door kolonisten uit Sparta. Zie voor de legende rondom deze stichting Dionysius van Halicarnassus 19.1.

[3] Livius 8.25-8.26. In Livius 3.4 wordt voor het jaar 464 BCE al een proconsul genoemd, maar zeer waarschijnlijk gaat het hier om een onhistorisch voorbeeld. De Fasti Triumphales noemen Quintus Publilius Philo expliciet de eerste proconsul.

[4] Livius 7.25, 8.8 en 10.26; Bernard van Daele, Het Romeinse leger, p. 30-31.

[5] Livius 7.25 en 9.19. De auteur noemt in het laatste geval een census waarbij 250.000 Romeinse burgers werden geteld. Dat zullen echter niet allemaal potentiële soldaten zijn geweest.

[6] De interrex, die altijd een patriciër was, bekleedde zijn ambt voor maximaal vijf dagen. Hij was verantwoordelijk voor het waarnemen van het imperium en de auspicia en voor het overdragen daarvan aan een correct gekozen magistraat. Zie Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic, p. 28 en 164.

[7] Dionysius van Halicarnassus 16.5; Livius 8.28. De andere consul, Lucius Papirius Cursor, was afgaande op het relaas van Livius ook bij het wetsvoorstel betrokken, maar kennelijk kreeg de wet niet zijn naam mee.

[8] Livius 8.25 en 8.27.

[9] Livius 8.29.

[10] Livius 9.16. Livius achtte Cursor opgewassen tegen Alexander de Grote.

[11] Uitgebreid beschreven in Livius 8.30-8.35.

[12] Livius 8.30 noemt 20.000 gesneuvelden.

[13] Consul in 360, 356 en 354 BCE, dictator in 351 BCE.

[14] Volgens de Fasti Triumphales. Livius 8.38-8.40 noemt een alternatieve versie, waarbij de Romeinen werden geleid door de dictator Aulus Cornelius Cossus Arvina, die tijdens de Eerste Samnitische oorlog consul was geweest (343 BCE). Waarschijnlijk was hij echter aangesteld in verband met de Romeinse Spelen (Ludi Romani) en de ziekte van de verantwoordelijke praetor.

[15] Dionysius van Halicarnassus 16.1.

[16] Livius 9.1-9.11; Dionysius van Halicarnassus 16.1.

[17] De Romeinse geschiedenis biedt vele voorbeelden van generaals met ironisch bedoelde bijnamen. Na een nederlaag tegen de Carthagers in 260 BCE kreeg de consul Gnaeus Cornelius Scipio bijvoorbeeld de bijnaam ‘Asina’, de ezel. Marcus Antonius, de vader van de bekende Marcus Antonius, leed in 72 BCE een nederlaag tegen Kretenzische piraten en kreeg de bijnaam ‘Creticus’, wat niet alleen ‘veroveraar van Kreta’ betekent, maar ook ‘man van krijt’. En de vermoorde keizer Elagabalus zou in 222 in de Tiber zijn gegooid en de bijnaam ‘Tiberinus’ hebben gekregen.

[18] Livius 9.12.

[19] Livius 9.14.

[20] Livius 9.15.

[21] Livius 9.16.

[22] Zie voor de gebeurtenissen in 318-315 BCE Livius 9.20-9.22.

[23] Livius 9.23 spreekt van een veldslag die onbeslist of met een Romeinse nederlaag eindigde. Hij schrijft ook dat de Romeinen eerst Sora bereikten en vervolgens bij Lautulae kwamen, maar geografisch bezien ligt de omgekeerde volgorde meer voor de hand. Ten slotte noemt Livius de mogelijkheid dat ruitercommandant Quintus Aulius Cerretanus in dit treffen, en dus niet bij Saticula, sneuvelde.

[24] Livius 9.24-9.26.

[25] Livius 9.27.

[26] Livius 9.28. Interamna Sucasina of Lirenas in het huidige Lazio moet niet verward worden met Interamna Nahars (Terni) in Umbrië.

[27] Het is niet duidelijk wanneer hij zijn ambt alsnog neerlegde. Meestal wordt het jaar 309 BCE genoemd (Philip Matyszak, Chronicle of the Roman Republic, p. 72; Timothy Venning, A Chronology of the Roman Empire, p. 72).

[28] Livius 9.29-9.30, 9.33-9.34 en 9.46.

[29] Livius 1.7.

[30] Livius 9.29; Dionysius van Halicarnassus 16.3.

One Comment:

  1. Pingback:De Vroege Republiek: consolidatie in Latium en de Derde Samnitische oorlog (303-290 BCE) – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.