Mijn wandeling langs de Via Appia (deel 1)

Zicht op de Via Appia.

Ongeveer anderhalf jaar geleden las ik een interessant boek over de Via Appia, een van de beroemdste Romeinse wegen in Italië. De dichter Statius noemde haar de Regina Viarum, de Koningin der Wegen. Tijdens mijn bezoek aan Rome in de zomer van 2018 besloot ik in de voetsporen van de auteur te treden en zelf langs de Via Appia te gaan wandelen. Mijn route liep van het Circus Maximus nabij de Tiber tot aan de Villa van de Quintilii zo’n 8 kilometer verder naar het zuidoosten, waarbij ik een stukje omliep via het Parco della Caffarella. De wandeling was buitengewoon interessant en leverde een prachtige tocht door de Romeinse geschiedenis op. Oorspronkelijk was ik van plan nog eens 4 kilometer verder te lopen, tot aan het mausoleum van keizer Gallienus (253-268). De verzengende zomerhitte en een gebrek aan tijd (de strijd om de derde plaats bij het WK Voetbal stond op het punt van beginnen) deden mij echter besluiten een bus terug naar het stadscentrum te nemen. Ongetwijfeld zal ik nog eens terugkeren naar de Via Appia, maar nu zal ik me richten op het schrijven van een verslag van de wandeling die ik reeds heb gemaakt.

Geschiedenis van de Via Appia

Eerst is echter enige achtergrondinformatie over de Via Appia gewenst. Vanaf 312 BCE werd deze weg aangelegd onder leiding van de censor Appius Claudius, een man die later, toen hij zijn gezichtsvermogen verloor, de bijnaam Caecus (‘de blinde’) ontving.[1] De nieuwe weg moest Rome over een afstand van 196 kilometer verbinden met de belangrijke stad Capua in Campanië. Anno 312 BCE hadden de Romeinen al verschillende andere wegen aangelegd. Zo was er de oude zoutweg of Via Salaria en waren er wegen die Rome verbonden met andere steden in Latium, zoals Praeneste (de Via Praenestina) en Tibur (de Via Tiburtina). Ook de Via Latina was enkele decennia ouder dan de Via Appia. Deze weg verbond Rome met het belangrijke heiligdom van Jupiter Latiaris op de Mons Albanus. Later werd ze doorgetrokken naar de Latijnse kolonie Fregellae in Latium en de Romeinse kolonie Cales in Campanië, beide gesticht in het derde kwart van de vierde eeuw. Bij zijn mars op Rome in 211 BCE volgde Hannibal de Via Latina. Nog weer later zou de weg worden doorgetrokken naar Capua en Neapolis (het huidige Napels).

Overblijfselen van het Circus Maximus, dicht bij het begin van de Via Appia.

De betrekkingen tussen Rome en Capua gingen terug tot 343 BCE. In dat jaar werd de laatstgenoemde stad bedreigd door de Samnieten, die zich verenigd hadden als natie en uit waren op territoriale expansie. De inwoners van Capua vroegen Rome om hulp en Rome bleek bereid een leger naar het zuiden te sturen. Aan de Romeinse hulp hing echter een prijskaartje, want ook Rome streefde gebiedsuitbreiding in Campanië na. Toen de censor Appius Claudius ruim dertig jaar later met de aanleg van de Via Appia begon, hadden de Romeinen al twee oorlogen tegen de Samnieten uitgevochten (de tweede was eigenlijk nog gaande). Beide zouden in Romeinse overwinningen zijn geëindigd, maar hun Oskisch sprekende vijanden – een taal verwant aan het Latijn – waren zeker niet volledig verslagen. De aanleg van de Via Appia diende dan ook in de eerste plaats militaire doeleinden. De weg stelde de Romeinen in staat snel troepen naar Campanië te verplaatsen, waardoor ze de annexatie van deze streek konden afronden. De relatie tussen Rome en Capua was ondertussen over het algemeen goed. Veel inwoners van de stad verwierven uiteindelijk het Romeins burgerrecht zonder stemrecht (civitas sine suffragio). Huwelijken tussen Romeinen en inwoners van Capua waren heel gebruikelijk, in elk geval tot 216 BCE, het jaar waarin Capua een dwaasheid beging door over te lopen naar de Carthager Hannibal.

Ruïnes van de keizerlijke paleizen op de Palatijn, met uitzicht op het Circus Maximus.

De Via Appia zou omstreeks 308 BCE zijn voltooid. Daaruit mogen we afleiden dat groepjes werklieden gelijktijdig aan verschillende stukken van de weg werkten. Waarschijnlijk verschafte het wegenbouwprogramma veel mensen in Rome werk. Nadat de weg was voltooid, zetten de Romeinen hun zuidwaartse expansie voort. De Samnieten werden uiteindelijk tijdens de Derde Samnitische Oorlog (298-290 BCE) op de knieën gedwongen, waarna de Romeinen ook de aanvallen van Pyrrhos overleefden, de koning van Epirus die de Griekse stad Tarentum op haar verzoek te hulp was geschoten. Na de oorlog tegen Pyrrhos (280-275 BCE) namen de Romeinen in 272 BCE Tarentum in. In 268 BCE stichtten ze een Latijnse kolonie bij Beneventum (toen nog Maleventum geheten), de plaats waar ze in 275 BCE Pyrrhos een nederlaag hadden toegebracht (zij het een kleine). Na 268 BCE werd de Via Appia eerst naar Beneventum en vervolgens naar de Latijnse kolonie Venusia doorgetrokken. Rond 245 BCE stichtten de Romeinen vervolgens een Latijnse kolonie bij Brundisium aan de Adriatische kust, en omstreeks 191 BCE had de Via Appia ook Tarentum en Brundisium bereikt. De weg was nu helemaal klaar. Ze liep van Rome tot aan de hiel van Italië en was 569 kilometer of 385 Romeinse mijl lang.[2]

Overblijfselen van de Muren van Servius Tullius bij het treinstation van Roma Termini.

Hoewel ze in de jaren 270 BCE het hele zuiden van het Italiaanse schiereiland hadden geannexeerd, bleven de Romeinen de Via Appia voor militaire doeleinden gebruiken. Toen Hannibal in 211 BCE naar Rome optrok (zie hierboven), nam de proconsul Quintus Fulvius Flaccus met een keurkorps de zuidelijke route langs de Via Appia om deze dreiging het hoofd te bieden. De haven van Brundisium werd een belangrijke verzamelplaats voor Romeinse operaties aan de andere zijde van de Adriatische Zee, te beginnen met de Eerste Illyrische Oorlog van 229-228 BCE. Deze werd gevolgd door de oorlogen tegen Macedonië en het Seleucidenrijk. Een en ander verklaart waarom de Via Appia naar deze Latijnse kustkolonie moest worden doorgetrokken. Echter, nu Zuid-Italië grotendeels was gepacificeerd werd de Via Appia ook steeds meer gebruikt door handelaren en reizigers. Na verloop van tijd groeide bij veel Romeinen de overtuiging dat er toch een kortere route mogelijk moest zijn van Beneventum naar Brundisium. In 109 CE begon keizer Trajanus (98-117) daarom met de aanleg van de Via Appia Traiana. Deze weg liep ten noorden van de oude Via Appia en zorgde voor een snellere verbinding met Brundisium. Helemaal nieuw was deze weg overigens niet: ze volgde grotendeels het tracé van een oudere weg die al sinds tenminste het einde van de eerste eeuw BCE bestond.[3]

Het Circus Maximus en de Porta Capena

Het Museo delle Mura is een museum gewijd aan de stadsmuren van Rome. De stad heeft in haar geschiedenis drie sets muren gehad. De eerste muren worden toegeschreven aan koning Servius Tullius (578-534 BCE), die vaak gelijk wordt gesteld aan de Etruskische krijgsheer Mastarna. Van deze muren is niets bewaard gebleven. De bouw van een tweede set stadsmuren begon kort nadat de Keltische Senones onder leiding van Brennus in 387 BCE Rome hadden geplunderd. Naar de koning worden ze de Muren van Servius Tullius genoemd, ook al hebben ze niets met hem te maken. De naam vloeit mogelijk voort uit het feit dat de nieuwe muren grotendeels het traject van de oorspronkelijke muren uit de zesde eeuw BCE volgden. Delen van de Muren van Servius Tullius zijn bewaard gebleven. Men ziet ze bijvoorbeeld bij het treinstation van Roma Termini (zie de afbeelding hierboven). De derde set stadsmuren zijn de Aureliaanse Muren, die tussen 271 en 275 CE gebouwd werden door keizer Aurelianus (270-275). Al ten tijde van de Late Republiek (ca. 133-27 BCE) was Rome voorbij de Muren van Servius Tullius gegroeid, waardoor belangrijke delen van de stad er onbeschermd bijlagen. Toen in het jaar 271 een Romeins leger in de Slag bij Placentia een pijnlijke nederlaag leed tegen de Germaanse Juthungi, brak er dan ook grote paniek uit. Vervolgens werd snel de beslissing genomen om nieuwe, grotere, langere en sterkere muren te bouwen. Grote delen van deze muren en de bijbehorende poorten staan nog overeind. Het Museo delle Mura is gehuisvest in een van deze poorten, de Porta Appia, die overigens sinds de Middeleeuwen de Porta San Sebastiano wordt genoemd (zie deel 3).

Een deel van de Aureliaanse Muren, dicht bij de Porta Appia.

Het Museo delle Mura – dat gratis te bezoeken is – bezit een aardig schaalmodel van de stad Rome waarop de Muren van Servius Tullius binnen de Aureliaanse Muren te zien zijn. Het Circus Maximus is duidelijk zichtbaar tussen de Palatijn en de Aventijn. Net ten zuidoosten van het Circus bevond zich een van de poorten in de Muren van Servius Tullius, de Porta Capena. Hier begon de Via Appia. De Porta Capena zelf is al lang geleden verdwenen, maar merk op dat er een pleintje naar vernoemd is, de Piazza di Porta Capena. Daar vinden we nu een hoop stenen die de Rudere di Porta Capena wordt genoemd. Naar algemeen wordt aangenomen is dit de ruïne van de eerdergenoemde poort (hier vindt u een plaatje). Aan de ruïne is een plaquette bevestigd waarop met de simpele woorden INIZIO DELLA VIA APPIA wordt gememoreerd dat dit de plek is waar de Via Appia begon. Toeristen lijken zowel de ruïne als de plaquette doorgaans te negeren, maar vanwege de welig tierende vegetatie zijn die ook gemakkelijk over het hoofd te zien. Mensen die Rome bezoeken, zijn natuurlijk ook meer geïnteresseerd in het immense Circus Maximus, een enorme open vlakte die nog steeds veel indruk maakt (zie de afbeeldingen hierboven en hieronder). Tenminste 150.000 mensen konden hier naar de wagenrennen kijken. Als we over het open terrein staren, is het moeilijk voorstelbaar dat dit hele gebied tijdens de Middeleeuwen was volgebouwd met huizen en andere gebouwen. Toch werd het gebied pas tijdens het bewind van Mussolini leeggeruimd (zie deze bijdrage).

Het Circus Maximus, gezien vanaf de Palatijn.

De naam van de Porta Capena is mogelijk afgeleid van het feit dat hier de weg naar Capua begon. Volgens een alternatieve verklaring houdt de naam echter verband met de Camenae. In de Romeinse mythologie waren dit nimfen die verbonden waren aan bronnen en fonteinen. De weg die langs de zuidelijke helling van de Caelius loopt, wordt ook de Via di Valle delle Camene genoemd. Verder is relevant dat een andere poort in de Muren van Servius Tullius, ten zuiden van de Capitolijn, de Porta Carmentalis heette. Deze was vernoemd naar Carmenta, een van de nimfen. Nog weer een andere nimf heette Egeria, en het grote plein iets verderop is vernoemd naar haar echtgenoot Numa Pompilius. Hij was de tweede Romeinse koning (vroege zevende eeuw BCE). Later zullen we het zogenaamde Nymphaeum van Egeria nog verkennen (zie deel 5; spoiler: het heeft niets met haar te maken), maar eerst zal ik me richten op de bezienswaardigheden tussen het Circus Maximus en de Piazzale Numa Pompilio.

Naar deel 2


[1] Livius 9.29.

[2] Deze alinea is grotendeels gebaseerd op Fik Meijer, Via Appia, p. 25-35.

[3] Strabo, Geography Book VI.3.7 noemt twee wegen van Brundisium naar Rome. De ene is een ezelspaadje, de andere de Via Appia. De laatste is volgens de geograaf “beter voor wagens”. Het ezelspaadje wordt soms de Via Minucia genoemd (zie Fik Meijer, Via Appia, p. 38 en 280).

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.