Mijn wandeling langs de Via Appia (deel 2)

De kerk van Santa Balbina.

Dit is deel 2 van het verslag van mijn wandeling langs de Via Appia, van het Circus Maximus naar de Villa van de Quintilii zo’n 8 kilometer verder naar het zuidoosten. Deel 1 vindt u hier.

De afstand tussen het Circus Maximus en de Piazzale Numa Pompilio bedraagt zo’n 750 meter. Ik wandelde allereerst langs een modern atletiekstadion genaamd Stadio Nando Martellini. Als u hier rechtsaf slaat en omhoog kijkt naar de helling van de Kleine Aventijn, dan ziet u de interessante kerk van Santa Balbina. Het gebouw is niet altijd een kerk geweest. In de Oudheid stond er een grote domus uit de tweede eeuw op de helling. Keizer Septimius Severus (193-211) schonk dit huis aan zijn vriend en politieke bondgenoot Lucius Fabius Cilo, die als consul en later als praefectus urbi diende. In de vierde eeuw werd er een grote zaal met apsissen aan Cilo’s huis toegevoegd (Cilo zelf was toen natuurlijk allang dood). Deze zaal was waarschijnlijk bedoeld voor het houden van grote banketten.[1] Tussen de late vierde eeuw en het jaar 595 werd de zaal omgevormd tot een kerk, de titulus Sanctae Balbinae. De kerk is zeker een bezoek waard, maar ik raad u aan alleen op zondag direct na de mis een poging te wagen.

De Baden van Caracalla

Ik zette mijn wandeling richting de Piazzale Numa Pompilio voort. De gigantische Baden van Caracalla aan mijn rechterhand waren natuurlijk moeilijk te missen.[2] Hun geschiedenis begint in het jaar 212. In dat jaar confisqueerde keizer Caracalla (211-217) het terrein en joeg de eigenaren van de particuliere woningen en tuinen die hier te vinden waren weg. Vervolgens begon hij met de bouw van de Thermae Antoninianae. Toen die in 216 voltooid en geopend werden, waren ze de grootste openbare baden in de stad. Zo’n 1.600 mensen konden tegelijkertijd een bad nemen en zo’n 8.000 mensen uit alle sociale klassen konden iedere dag van de faciliteiten gebruikmaken. Van alle openbare baden in het oude Rome waren alleen de Baden van Diocletianus, gebouwd tussen 298 en 306, groter (zie Rome: Santa Maria degli Angeli e dei Martiri). Daar konden tot wel 3.000 mensen tegelijkertijd terecht.

Zicht op de Baden vanuit het zuidwesten.

De Baden van Caracalla beslaan een terrein van 110.000 vierkante meter (vs. 140.000 vierkante meter voor de Baden van Diocletianus). Ze hebben dezelfde indeling als vrijwel alle andere Romeinse baden (zie deze plattegrond). Langs de weg – de Via Nova, die parallel aan de Via Appia liep – stonden tabernae of winkels, waar mensen spullen voor het baden en versnaperingen konden kopen. Nadat ze een kaartje hadden gekocht konden bezoekers naar de kleedkamers (apodyteria) gaan om zich uit te kleden. Daarna konden ze doorlopen naar het hete bad (caldarium), een van de zweetruimtes (sudatoria), het lauwwarme bad (tepidarium) en het koude bad (frigidarium). Verder konden ze een duik nemen in het grote zwembad (natatio) en oefeningen doen op een van de twee met zuilen omringde sportvelden of palaestrae. Achter het caldarium lag een grote tuin, vanwaar men bij twee bibliotheken aan de rand van het complex kon komen (mogelijk was één bibliotheek bestemd voor Griekse literatuur en de andere voor werken in het Latijn).

Enorme exedra van een van de palaestrae.

Baden van deze omvang hadden veel water nodig om naar behoren te kunnen functioneren. Caracalla liet daarom de Aqua Antoniniana bouwen, een aftakking van de veel oudere, reeds in 144 BCE gebouwde Aqua Marcia. De baden hadden tevens een groot ondergronds gedeelte waar honderden slaven moeten hebben gezwoegd om de baden goed te laten functioneren. Zoals bij alle Romeinse baden was er een ingenieus vloerverwarmingssysteem (hypocaustum) dat werd aangedreven door verschillende praefurnia of stookruimtes. Naast deze stookruimtes waren er ook nog dienst- en opslagruimtes.

Mozaïeken in de Baden.

Mozaïek van een atleet (Vaticaanse Musea).

De Thermae Antoninianae waren ooit weelderig versierd met mozaïeken, marmeren beelden en opus sectile, maar van deze versieringen is op de plek van de Baden zelf weinig achtergebleven. Belangrijke beeldhouwwerken als de Farnese Stier en de Farnese Hercules zijn naar musea verdwenen, in dit geval het Archeologisch Museum van Napels. Opmerkelijk is dat Paus Pius IV (1559-1565) een granieten zuil uit de Baden aan Groothertog Cosimo de’ Medici van Florence schonk. Die liet de zuil oprichten op het plein voor de kerk van Santa Trinita. In de Vaticaanse Musea vinden we een zeer interessante verzameling mozaïeken uit de Baden waarop voornamelijk atleten te zien zijn. De mozaïeken die nog wel in de Baden zelf te bewonderen zijn, zijn tamelijk eenvoudig en slechts gemaakt van zwarte en witte steentjes (zie de afbeelding hierboven). Voor deze mozaïeken hoeft u de Baden niet te bezoeken; de reden voor een bezoek is de enorme omvang van het complex.

Interessante kerken en een omweg langs de Via Latina

Tegenover en naast de Baden van Caracalla staan drie kerken. De Santa Maria in Tempulo en de San Sisto Vecchio bevinden zich aan de andere kant van de drukke Viale della Terme di Caracalla. De Santa Maria in Tempulo is een geseculariseerde kerk die niet erg interessant is, maar wel bezocht kan worden. De San Sisto Vecchio is daarentegen historisch van groot belang. Deze kerk was namelijk de eerste kerk die de Dominicanen in Rome mochten gebruiken nadat hun orde in 1216 door de Paus was goedgekeurd. Mogelijk is de kerk nog meer dan 800 jaar ouder. Ze werd vermoedelijk aan het eind van de vierde eeuw gebouwd en moet waarschijnlijk gelijkgesteld worden aan de titulus Crescentianae die in het Liber Pontificalis wordt genoemd.[3] Helaas is de San Sisto al jaren dicht vanwege restauratiewerkzaamheden. Het lijkt er niet op dat ze snel weer haar deuren zal openen.

Santi Nereo e Achilleo.

Laten we ons daarom richten op de derde kerk, de Santi Nereo e Achilleo aan deze zijde van de Viale della Terme di Caracalla. De huidige kerk werd in 814 gebouwd door Paus Leo III (795-816). Ze had echter een voorganger met de naam titulus fasciolae die ergens in de buurt stond. De naam verwijst naar het verband dat Petrus om zijn gewonde enkel had gewikkeld en dat hij verloren zou hebben toen hij via de Via Appia Rome ontvluchtte. Het verhaal valt in de categorie vrome nonsens, maar de kerk van Santi Nereo e Achilleo is bijzonder interessant. Bezoekers moeten er wel rekening mee houden dat de deuren vaak gesloten zijn.

Nadat ik de lawaaiige Piazzale Numa Pompilio was overgestoken, kwam ik bij een splitsing. Vanaf de Porta Capena volgen de Via Appia en de Via Latina over een afstand van ruwweg 800 meter hetzelfde traject. Daarna splitsen de wegen zich. Ik had bij een eerdere gelegenheid al eens langs de Via Latina gewandeld (tegenwoordig de Via di Porta Latina genoemd) en had toen een bezoek aan de kerk van San Giovanni a Porta Latina gebracht. Deze werd mogelijk rond het jaar 500 gebouwd tijdens de regering van de Ostrogotische koning Theoderik (493-526). De voornaamste reden om deze kerk te bezoeken is de indrukwekkende twaalfde-eeuwse frescocyclus die werd geschilderd tijdens het pontificaat van Paus Celestinus III (1191-1198). Tegenover de kerk van San Giovanni staat een zestiende-eeuwse kapel met de naam San Giovanni in Oleo. Slechts 25 meter verderop zien we vervolgens de imposante Porta Latina of Latijnse Poort in de Aureliaanse Muren, gebouwd tussen 271 en 275.

De Via Latina (links) en de Via Appia (rechts).

Wandelaars die door de Porta Latina lopen, komen weer in een zwaar verstedelijkt deel van de stad terecht. Laten we ons daarom omdraaien en teruglopen naar de splitsing. In mijn volgende bijdrage zal ik wederom de Via Appia volgen.

De Porta Latina.

Naar deel 3


[1] The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 383.

[2] De nu volgende alinea’s over de Baden zijn grotendeels gebaseerd op The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 382-383.

[3] The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 366.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.