De Tweede Macedonische Oorlog: Het Jaar 200 BCE

(foto: PHGCOM/British Museum).

Samenvatting

  • De Romeinen zien in een Macedonische aanval op Athene een casus belli en besluiten Koning Philippos de oorlog te verklaren;
  • Omdat het geld in de schatkist nodig is voor de oorlog met Philippos mogen schuldeisers die tijdens de Tweede Punische Oorlog geld hebben geleend aan de Staat publiek land pachten tegen bodemprijzen;
  • De proconsul Lucius Cornelius Lentulus keert terug in Rome na vijf jaar trouwe dienst in Spanje en krijgt een ovatio toegekend;
  • Marcus Valerius Laevinus, een held uit de Tweede Punische Oorlog, komt te overlijden;
  • Een leger van Kelten en Liguriërs onder leiding van de Carthaagse officier Hamilcar plundert Placentia en slaat het beleg op voor Cremona;
  • De praetor Lucius Furius Purpureo behaalt een beslissende overwinning op het Keltische leger in de Slag bij Cremona;
  • De consul Publius Sulpicius Galba steekt de Adriatische Zee over en slaat zijn winterkamp op in de buurt van Apollonia;
  • De jonge en buitengewone knappe Marcus Aemilius overhandigt Koning Philippos een ultimatum;
  • Een kleine Romeinse strijdmacht onder Gaius Claudius Cento slaagt erin bij verrassing Chalkis in te nemen en de stad te plunderen.

De casus belli van de Tweede Macedonische Oorlog (200-196 BCE) zou de Macedonische aanval op Atheens grondgebied zijn. Het Athene van de late derde eeuw BCE was geen schim meer van de stad die het in zijn glorietijd was. Het is niet helemaal duidelijk in welke verhouding de stad tot de Romeinen stond. Waarschijnlijk waren de Atheners geen formele Romeinse bondgenoten, maar als we af mogen gaan op het verslag van Livius waren ze wel als partijen opgenomen in het Verdrag van Phoinike van 205 BCE.[1] Athene had zichzelf nu in de nesten gewerkt door twee jongemannen uit de streek Akarnanië (ten westen van Aetolië) ter dood te brengen voor heiligschennis. Tijdens de Mysteriën van Eleusis waren zij per ongeluk de tempel van Demeter binnengelopen. Omdat ze niet waren ingewijd, werd hun handelen als heiligschennis aangemerkt, waarbij kennelijk niet van belang was dat ze volkomen te goeder trouw waren geweest. Na de terechtstelling stuurden de woedende Akarnaniërs gezanten naar Koning Philippos (zie de afbeelding hierboven). De koning gaf hun toestemming om Atheens gebied te plunderen en dat lieten ze zich geen twee keer zeggen.

De Atheners kregen daarop allereerst hulp van Koning Attalos van Pergamum en de Rhodiërs. Zij kwamen naar Piraeus om hun bondgenootschap te hernieuwen en om een aantal Atheense schepen terug te brengen die eerder dit jaar door de Macedoniërs waren buitgemaakt. De burgers van Athene waren van oudsher verdeeld in 10 phylai, die samen weer 100 demoi omvatten. Deze administratieve districten kunnen worden vergeleken met de Romeinse tribus. De Atheners eerden Attalos door een van de phylai naar hem te vernoemen en een van de demoi naar zijn vrouw Apollonis. Phylai die naar twee Macedonische koningen waren vernoemd zouden later worden afgeschaft als wraak voor het optreden van Philippos. Rhodiërs die in Athene woonden, werden eveneens beloond: zij kregen het volledige Atheense burgerrecht, een zeldzaam geschenk in de Griekse wereld, die niet bepaald inclusief was als het ging om het toekennen van burgerschap aan vreemdelingen. Athene, Pergamum en Rhodos zouden de handen ineenslaan in de strijd tegen de Macedoniërs en hun bondgenoten. Maar wat ze écht nodig hadden, was een Romeinse interventie.

Rome besluit te interveniëren

Zicht op het Forum Romanum.

Hoewel de precieze volgorde van de gebeurtenissen moeilijk te reconstrueren is, is het duidelijk dat Pergamum en de Rhodiërs al gezanten naar Rome hadden gestuurd om hun beklag te doen bij de Senaat over het optreden van Philippos in de voorgaande jaren. Na de plundertochten van de Akarnaniërs stuurden ook de Atheners gezanten naar Rome. Tegelijkertijd was er al een Romeinse diplomatieke delegatie actief in Griekenland en deze was toevallig in Athene aanwezig toen Koning Attalos en de Rhodiërs daar werden ontvangen en geëerd door de burgers. Waarschijnlijk was dit de delegatie die het voorgaande jaar naar Koning Ptolemaios V Epiphanes van Egypte was gestuurd. Ondanks al deze activiteiten moest de formele beslissing om Koning Philippos de oorlog te verklaren nog genomen worden. Toen een van de nieuwe consuls voor dit jaar, Publius Sulpicius Galba, een voorstel aan de volksvergadering deed om de oorlog te verklaren, stemden de centuriën in eerste instantie in grote meerderheid tégen. Het was duidelijk dat het Romeinse volk, en zelfs de burgers uit de hogere bezitsklassen die de comitia centuriata domineerden, even genoeg hadden van oorlog en nog niet hersteld waren van zeventien jaar van voortdurende strijd tegen Carthago.

Galba had reeds Macedonië als provincie toegewezen gekregen en hij was er de man niet naar om snel op te geven. Hij had bovendien de nodige oorlogservaring, want hij had de Romeinse zeestrijdkrachten geleid tijdens de Eerste Macedonische Oorlog. De consul hield een vurige toespraak waarin hij beweerde dat als de Romeinen nu niet aanvielen, Philippos spoedig met zijn vloot de Adriatische Zee zou oversteken en Italië binnen zou vallen. Dankzij de speech veranderde het volk van mening. De centuriën stemden nu vóór oorlog en de consul kreeg toestemming om vrijwilligers te rekruteren onder de veteranen die onder Scipio Africanus hadden gediend tijdens diens Afrikaanse veldtocht. Een nadere blik op het Romeinse leger van dit jaar leert ons overigens hoezeer de situatie in Italië genormaliseerd was: er waren dit jaar slechts zes Romeinse legioenen in het veld.

Binnenlandse problemen

Het Senaatsgebouw – de Curia – op het Forum Romanum (NB. niet de Curia die er in 200 BCE stond).

Het lijdt geen twijfel dat Galba meteen naar zijn provincie zou zijn vertrokken als niet bepaalde binnenlandse problemen hem en zijn collega enkele maanden in Rome hadden gehouden. De meest urgentie kwestie was de zaak van de leningen tijdens de Tweede Punische Oorlog. In 210 BCE hadden veel Romeinen goud, zilver en gemunt koper aan de Staat geleend om de oorlogsinspanningen te steunen. De Staat was in 204 BCE begonnen met het terugbetalen van het geld en er was toen afgesproken dat de burgers hun deel in drie termijnen zouden terugkrijgen. Dit jaar had de derde termijn moeten worden terugbetaald, maar het geld in de schatkist was nodig voor de oorlog met Philippos. Toen boze burgers hun geld opeisten, moesten de consuls hun nul op het rekest geven. Dit leidde natuurlijk tot verontwaardigde reacties van de schuldeisers, die vervolgens een beroep deden op de Senaat. Uiteindelijk wist de Senaat een bevredigend compromis te bedenken. De schuldeisers mochten publiek land (ager publicus) pachten binnen een straal van vijftig mijl van Rome en hoefden daarvoor slechts één bronzen as per iugerum te betalen.[2] Als de Staat weer in staat zou zijn de derde termijn van de lening terug te betalen[3], dan mochten de burgers kiezen: ze konden ofwel de pachtovereenkomst voortzetten, ofwel hun geld in ontvangst nemen en het land aan het Romeinse volk teruggeven.

Het moet al augustus of september zijn geweest voordat Galba eindelijk naar Brundisium kon vertrekken. Vanuit deze havenstad voer hij naar Epirus toe. Waarschijnlijk was hij al niet meer in Rome aanwezig toen het volgende binnenlandse probleem in de Senaat besproken moest worden. Lucius Cornelius Lentulus was teruggekeerd in Rome nadat hij vijf jaar in Spanje had gediend. Na het vertrek van Scipio had hij het commando over de Spaanse gebieden overgenomen. Samen met zijn collega Lucius Manlius Acidinus had hij in 205 BCE de Spaanse oproerkraaier Indibilis verslagen. Beiden hadden de rang van proconsul gekregen, maar ondanks deze fraaie titulatuur waren zij in feite maar gewone burgers die nog geen van de hogere ambten hadden bekleed.[4] Na zijn thuiskomst vroeg Lentulus om toekenning van een triomftocht en gelet op zijn grote verdiensten maakte hij daar zeker aanspraak op. Omdat hij echter praetor noch consul was geweest, kende de Senaat hem slechts de minder eervolle ovatio toe. En zelfs die werd aanvankelijk verboden door een van de volkstribunen, die zijn veto uitsprak omdat hij vond dat de Senaat hier brak met de traditie. Het is mogelijk dat deze zaak ertoe leidde dat de Romeinen meer aandacht gingen besteden aan de status van hun Spaanse gebieden. Drie jaar later vormden ze deze om tot formele provincies die werden bestuurd door een praetor.[5]

Mozaïek van vechtende gladiatoren.

Dit jaar kwam Marcus Valerius Laevinus te overlijden, een van de helden van de Tweede Punische Oorlog en de consul van het jaar 210 BCE. Hij had zich onderscheiden in de eerste oorlog tegen Macedonië, maar waarschijnlijk was hij al dood toen de Tweede Macedonische Oorlog losbarstte. Zijn zoons zorgden ervoor dat hij een grootse uitvaart kreeg. Tijdens de gebruikelijke begrafenisspelen vochten 25 paren gladiatoren tegen elkaar.

De Keltische hordes

De Latijnse kolonies Placentia en Cremona lagen diep in vijandelijk gebied. Dit jaar legde een leger van zo’n 40.000 Kelten en Liguriërs Placentia in de as en sloeg vervolgens het beleg op voor Cremona. De Boii, Insubres en Cenomani (de laatsten voormalige bondgenoten van de Romeinen) hadden zich verenigd onder leiding van een zekere Hamilcar. De naam Hamilcar is natuurlijk niet Keltisch, maar Punisch. Hamilcar was een Carthaagse officier die had gediend in ofwel het leger van Hasdrubal, ofwel dat van Mago, en die was achtergebleven in Gallia Cisalpina nadat deze legers in respectievelijk 207 BCE en 203 BCE door de Romeinen waren verslagen. Cremona had net op tijd haar poorten weten te sluiten en kon voorlopig rekenen op de troepen die op de stadsmuren waren opgesteld. Niettemin had de stad dringend hulp nodig, maar het dichtstbijzijnde Romeinse leger bevond zich meer dan 200 kilometer verderop bij Ariminum. De praetor Lucius Furius Purpureo, die daar het bevel voerde, beschikte bovendien alleen over een leger van 5.000 Latijnen en bondgenoten (socii). Het zou simpelweg zelfmoord zijn om het Keltische leger met zo’n kleine strijdmacht aan te vallen.

Gelukkig was er een oplossing voorhanden. De consul Gaius Aurelius Cotta beschikte over een leger van 20.000 man dat in Arretium gestationeerd was. Dit leger werd naar de praetor gestuurd, die in ruil daarvoor zijn 5.000 manschappen naar Etrurië liet gaan. We mogen wel aannemen dat Cotta erop rekende dat de praetor op zijn komst zou wachten, maar deze besloot juist direct naar Cremona op te rukken. Vanuit militair oogpunt was dat ook een volstrekt begrijpelijke beslissing. De Kelten gingen enthousiast de strijd met de praetor aan, maar daar kregen ze al snel spijt van. Het leger van de praetor stond aanvankelijk onder zware druk en bijna bezweek de rechter ala van de bondgenoten, maar de manschappen wisten stand te houden en uiteindelijk door de Keltische linies heen te breken. Vervolgens dreven ze de vijand vlot op de vlucht. Livius beweert dat er 35.000 Kelten werden gedood of gevangen genomen. De buit voor de Romeinen was aanzienlijk en er werden zo’n 2.000 gevangenen uit Placentia bevrijd en teruggestuurd naar de rokende puinhopen van hun kolonie. Het is niet duidelijk wat het lot van Hamilcar was. Livius beweert eerst dat hij tijdens de strijd werd gedood[6], maar stelt later dat hij gevangen werd genomen tijdens een tweede veldslag drie jaar later en werd meegevoerd in een triomftocht.[7] Hoewel de Slag bij Cremona een beslissende Romeinse overwinning was, hadden de Romeinen zelf 2.000 manschappen verloren. Hun eigen verliezen waren dus allesbehalve licht te noemen.

Restanten van de tempel van Bellona.

Lucius Furius Purpureo keerde na zijn zege terug naar Rome en had een ontmoeting met de Senaat in de Tempel van Bellona. Daar vroeg hij om een triomftocht te mogen houden. Een deel van de oudere, meer ervaren senatoren was geneigd dit verzoek af te wijzen: zij vonden dat de praetor op de consul Cotta had moeten wachten. De meerderheid van de senatoren prees de praetor echter vanwege zijn snelle en beslissende optreden, waardoor Cremona van de ondergang was gered. Uiteindelijk kreeg Furius toestemming om een triomftocht te houden. Deze kan echter gerust tot de vreemdste triomftochten in de Romeinse geschiedenis worden gerekend. Furius reed moederziel alleen in zijn strijdwagen en werd niet voorafgegaan door gevangenen en buit, noch gevolgd door zegevierende soldaten. Hij mocht dan de zege hebben behaald, de soldaten waren die van de consul.

Afrika

Toen de berichten over de Keltische aanvallen op Placentia en Cremona Rome hadden bereikt, had de Senaat gezanten naar Afrika gestuurd om te protesteren tegen de betrokkenheid van Hamilcar bij deze kwestie. De Carthaagse autoriteiten antwoordden dat ze daar niet veel aan konden doen. Ze konden de gewezen officier alleen maar formeel verbannen en de bezittingen die hij mogelijk nog had in Carthago in beslag nemen. De gezanten reisden vervolgens door naar de belangrijke Romeinse bondgenoot Masinissa, Koning van de Numidiërs. Masinissa had zijn troon aan Rome te danken, en de dankbare koning verschafte de Romeinen 1.000 ruiters en enkele olifanten met het oog op de oorlog met Macedonië. Zowel de Numidiërs als de Carthagers stuurden daarnaast grote hoeveelheden tarwe en gerst naar Rome en Griekenland.

Baal Hammon, een van de belangrijkste goden in Carthago (Bardo Museum).

Ten slotte bezocht de Romeinse delegatie een tweede Numidische koning genaamd Vermina. Deze Vermina was een beetje een nulliteit. Hij was de zoon van Syphax, de voormalige koning van de Masaesyli die in 203 BCE door de Romeinen was verslagen en gevangen genomen, en die mogelijk was meegevoerd tijdens de triomftocht van Scipio Africanus in 201 BCE. Vermina zelf was zo dom geweest om de Romeinen aan te vallen nadat zij bij Zama (of Naraggara) de overwinning op Hannibal hadden behaald. Hij was toen volkomen in de pan gehakt. Kennelijk was hij erin geslaagd de controle te behouden over kleine gedeelten van het koninkrijk van zijn vader. Eerder dit jaar had hij gezanten naar de Senaat in Rome gestuurd met het verzoek om hem te erkennen als koning, bondgenoot en vriend van het Romeinse volk (rex sociusque et amicus). De Senaat had het verzoek afgewezen omdat de jongeman Rome nog geen enkele dienst had bewezen. Toen later dit jaar de Romeinse gezanten aan de grens van zijn piepkleine koninkrijkje verschenen, konden ze Vermina gemakkelijk vredesvoorwaarden dicteren. Deze was bereid alles te accepteren wat ze hem maar voorlegden. Het was duidelijk dat de Romeinen nu in een positie verkeerden waarin ze hun wil aan andere, zwakkere volkeren konden opleggen.

Macedonië en Griekenland

Aangezien de consul Galba pas in de herfst in Epirus was aangekomen, was het oorlogsseizoen al te ver gevorderd om nog een landoffensief tegen Koning Philippos te beginnen.[8] De consul besloot in de omgeving van Apollonia te overwinteren. De koning had op zijn beurt bepaald niet stilgezeten. Zijn generaal Nikanor was bij zijn plundertochten in Atheens gebied helemaal tot aan de Academie opgerukt, die nog door Plato zelf was gesticht en ongeveer een mijl buiten de stadsmuren lag. De Romeinse diplomatieke delegatie die in Athene verbleef (zie hierboven), had een ontmoeting met de generaal gehad en had hem gewaarschuwd – en via hem ook Koning Philippos – om de Griekse steden met rust te laten. De delegatie verliet vervolgens Athene en reisde door naar de hoven van Koning Antiochos en Koning Ptolemaios. Waarschijnlijk moesten ze bemiddelen in de Vijfde Syrische Oorlog die twee jaar eerder was uitgebroken tussen het Seleucidenrijk en het Ptolemeïsche Egypte. Egypte, een vriend van de Romeinen, had tijdens deze oorlogen met tegenslagen in Koile-Syrië te maken en het is mogelijk dat de Romeinse gezanten een Seleucidische inval in Egypte zelf wilden proberen te voorkomen. De gezanten moeten echter nog een tweede doel hebben gehad, namelijk Antiochos, een bondgenoot van Philippos, buiten de Tweede Macedonische Oorlog houden.

Kaart van Griekenland en Klein-Azië; strijdtoneel van de oorlogen tussen Rome, Macedonië en het Seleucidenrijk (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

Philippos zelf had zijn operaties in het Egeïsch gebied voortgezet met een aanval op Abydos. Deze stad lag aan de Hellespont (nu de Dardanellen) en de aanval van de koning was evident onderdeel van zijn plan om de controle over de vaarroute naar de Zwarte Zee te verwerven. De burgers van Abydos verdedigden hun stad op heldhaftige wijze, maar ze realiseerden zich al snel dat ze geen partij waren voor het leger van de koning. Een deel van de bevolking verkoos zelfmoord boven een overgave. Toen de Romeinse delegatie die op weg was naar Antiochos en Ptolemaios van het beleg van Abydos hoorde, werd snel een van de gezanten naar Koning Philippos toegestuurd. Deze Marcus Aemilius las de koning streng de les vanwege zijn optreden tegen Pergamum en Rhodos, en stelde hem een ultimatum: de koning moest de Griekse steden met rust laten, geen bezittingen van de Ptolemaeën aanvallen en Pergamum en Rhodos een schadevergoeding betalen.

Koning Attalos I van Pergamum (foto: Nicolás Pérez, CC BY-SA 3.0 license).

Toen de koning bezwaar maakte en tegenwierp dat juist Koning Attalos en de Rhodiërs de agressors waren geweest, onderbrak de jonge Romein hem met de vraag of hij meende dat ook de inwoners van Athene, Kios en Abydos agressors waren. De koning was verbluft door deze brutaliteit, maar koos ervoor Aemilius te vergeven omdat hij nog erg jong, buitengewoon knap en – misschien wel het belangrijkst – een Romein was. De koning liet Aemilius weten dat de Romeinen de Vrede van Phoinike moesten respecteren en waarschuwde hen hem niet aan te vallen. Als ze toch wilden vechten, dan was de koning daar klaar voor.

De consul Galba slaagde er dit jaar in nog één klap uit te delen. Hij had een van zijn officieren, een zekere Gaius Claudius Cento, met twintig schepen en 1.000 man van Kerkyra (Corfu) naar Athene gestuurd. Dit was natuurlijk maar een kleine vloot, maar de aanwezigheid ervan vijzelde wel het moreel van de Atheners enigszins op. Cento was oorspronkelijk van plan om alleen maar Athene en het platteland eromheen te beschermen, maar toen deed zich plotseling een prachtige kans voor om roem te verwerven. Anti-Macedonische ballingen uit Chalkis op Euboea wisten te vertellen dat deze stad slechts zwak verdedigd werd en gemakkelijk ingenomen zou kunnen worden. Chalkis was een van de drie ‘ketenen van Griekenland’, samen met de Korintische citadel en Demetrias. Macedonische koningen die deze drie strategisch belangrijke plaatsen beheersten, konden heel Griekenland beheersen. Cento besloot een verrassingsaanval te wagen. Met een paar extra schepen uit Rhodos en Attika voer hij naar Euboea. Toen het donker was liet hij zijn troepen aan land gaan. De Romeinen klommen over de stadsmuren, doodden een aantal wachters en openden vervolgens de poorten om de rest van de soldaten binnen te laten.

Chalkis werd snel geplunderd en platgebrand. De Romeinen staken de gebouwen rondom het forum in brand en legden ook de voorraadschuur van de koning en het koninklijke arsenaal in de as. Het garnizoen bood geen enkel verzet en de meeste jongemannen van militaire leeftijd werden samen met de garnizoenscommandant gedood. Cento’s strijdmacht was veel te klein om Chalkis permanent bezet te houden. Nadat alle buit verzameld was, voer de Romeinse aanvoerder daarom terug naar Piraeus, de haven van Athene.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 316-318;
  • Adrian Goldsworthy, In the Name of Rome, p. 81-82.

Noten

[1] Livius 29.12.

[2] Een iugerum is ongeveer een kwart hectare.

[3] Dat zou het geval zijn in 196 BCE.

[4] In het werk van Livius is sprake van een praetor genaamd Lucius Cornelius die in 211 BCE gouverneur van Sardinië was (Livius 26.1). Omdat deze geschiedschrijver tevens expliciet beweert dat Lucius Cornelius Lentulus nog geen praetor was geweest (Livius 31.20), moet het om twee verschillende personen gaan.

[5] De opvolger van Lentulus was wederom een proconsul, Gaius Cornelius Cethegus. Hij zou de Sedetani hebben verslagen en 15.000 vijanden hebben gedood, een aantal dat ongetwijfeld overdreven is. Zie Livius 31.49. De opvolgers van Cethegus waren eveneens proconsuls.

[6] Livius 31.21.

[7] Livius 32.30 en 33.23.

[8] Zonaras beweert dat de consul ook ziek was.

4 Comments:

  1. Pingback:Vrijheid voor de Grieken: Het Jaar 196 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback:Het Proces tegen Lucius Scipio: Het Jaar 187 BCE – – Corvinus –

  3. Pingback:De Romeins-Syrische Oorlog: Het Jaar 190 BCE – – Corvinus –

  4. Pingback:De Tweede Macedonische Oorlog: Het Jaar 199 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your e-mail address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.