De Annalist: Het Jaar 210 BCE

Scipio Africanus.

Samenvatting

  • Publius Cornelius Scipio, slechts 26 jaar oud, wordt tot proconsul gekozen en naar Spanje gestuurd;
  • De Romeinen ontbinden het enige legioen dat meevecht in de oorlog tegen Macedonië en zetten de strijd voort met slechts de vloot en de deksoldaten;
  • De Romeinen veroveren het eiland Aigina en verkopen het aan Pergamum voor dertig talenten;
  • De consul Marcus Claudius Marcellus herovert Salapia in Apulië nadat de stad aan hem is verraden;
  • De Tarentijnen verslaan een Romeinse hulpvloot die voorraden naar het garnizoen in de citadel brengt;
  • Nadat de Liby-Fenicische commandant Muttines is overgelopen, slaagt de andere consul Marcus Valerius Laevinus erin Agrigentum te heroveren;
  • Laevinus beëindigt de oorlog op Sicilië en stuurt vervolgens een bende bandieten naar Bruttium om de streek te plunderen;
  • In de tweede Slag bij Herdonea vernietigt Hannibal weer eens een Romeins leger;
  • Een slag tussen Marcellus en Hannibal bij Numistro eindigt onbeslist.

De verkiezingen voor de consuls waren weer eens enigszins ongebruikelijk. Dit jaar was de centurie van de iuniores van de tribus Voturia de centuria praerogativa, dat wil zeggen de centurie die als eerste mocht stemmen en waarvan de stem een groot gewicht had. De iuniores stemden op Titus Manlius Torquatus en Titus Otacilius. Eerstgenoemde was een ervaren politicus en generaal die al tweemaal eerder consul was geweest en die in 215 BCE de Carthagers en lokale opstandelingen had verslagen op Sardinië. Laatstgenoemde was een voormalige praetor die in 214 BCE naast het consulaat had gegrepen. Tijdens de verkiezingen van dat jaar had Quintus Fabius Maximus de centuria praerogativa gevraagd haar aanvankelijke stem op Otacilius en een andere kandidaat te heroverwegen. Otacilius zou nu wederom naast het consulaat grijpen, want ditmaal was het Titus Manlius Torquatus die de iuniores vroeg anders te stemmen. Torquatus voerde aan dat hij slechte ogen had en het lijkt aannemelijk dat hij al tamelijk bejaard was, want hij had zijn eerste consulaat al in 235 BCE bekleed. De seniores van dezelfde tribus werden erbij geroepen en na enig overleg overtuigden zij de iuniores ervan om voor kandidaten te kiezen die een grotere kans zouden hebben om Hannibal te verslaan.

De iuniores stemden nu op Marcus Claudius Marcellus en Marcus Valerius Laevinus, de man die de leiding had gehad van de oorlog tegen Macedonië en die taak competent had uitgevoerd. Beiden werden in absentia gekozen. Het lijkt erop dat de arme Otacilius, die evenmin in Rome was, niet lang nadat zijn tweede greep naar het consulaat was mislukt op Sicilië overleed. De voormalige consul Publius Sulpicius Galba nam het bevel in de oorlog tegen Koning Philippos V over van Laevinus. Laevinus werd naar Sicilië gestuurd om daar de laatste verzetshaarden op te rollen. Oorspronkelijk was de provincie aan Marcellus toegevallen. Hij had de provincie echter vrijwillig opgegeven nadat leden van diverse Siciliaanse gemeenschappen in rouwkleding naar de Senaat waren gegaan en hadden geklaagd over het harde optreden van de generaal op hun eiland. Verschillende senatoren lijken van mening te zijn geweest dat Marcellus de Sicilianen, en dan vooral de inwoners van Syracuse, te hard had aangepakt. Niettemin keurde de Senaat de regelingen goed die Marcellus voor het eiland had getroffen. De Sicilianen moesten zich tevreden stellen met Laevinus als de nieuwe opperbevelhebber op Sicilië.

Binnenlandse zaken

Romeins schip op een graftombe uit Classe, bij Ravenna (Archeologisch Museum van Ravenna).

De Romeinen brachten dit jaar het aantal actieve legioenen terug tot slechts 21. Aangezien Capua en Syracuse waren heroverd, waren er nu minder soldaten nodig. Rome had echter wel weer moeite om voldoende zeelieden voor de vloot te vinden. Net als vier jaar daarvoor werd daarom een beroep op de Romeinse burgers gedaan om bemanningen voor de vloot, voorraden en loon voor de zeelieden te leveren. Dit keer viel het verzoek echter totaal in verkeerde aarde. Dat is ook niet verrassend, want Rome had tijdens deze oorlog al zo veel van haar burgers gevraagd. Livius vertelt in dit verband een prachtig moralistisch verhaal over hoe de consul Laevinus voor een top-down benadering zou hebben gepleit. Magistraten en senatoren gaven het goede voorbeeld door een groot deel van hun eigen goud, zilver en gemunt koper te schenken voor de oorlogsinspanning. Al deze waardevolle zaken werden ingeleverd bij de drie staatsbankiers (triumviri mensarii) die in 216 BCE waren aangesteld. De equites en de gewone burgers volgden dit goede voorbeeld daarna gewillig. Hierbij moet wel worden aangetekend dat deze schenkingen strikt genomen leningen waren, en dat het geld zes jaar later zou worden terugbetaald.

De belangrijkste beslissing die dit jaar genomen werd, was de benoeming van een nieuwe opperbevelhebber voor Spanje. Livius beweert dat de Senaat lange tijd over deze kwestie debatteerde, maar niet tot een besluit kon komen. De taak om een nieuwe bevelhebber te kiezen zou vervolgens aan de volksvergadering zijn gedelegeerd. Het is echter aannemelijker dat de Senaat zelf een nieuwe bevelhebber aanwees en die keuze vervolgens door het volk, meer specifiek de comitia centuriata, liet goedkeuren. De 26-jarige Publius Cornelius Scipio werd unaniem tot proconsul benoemd of gekozen en belast met de strijd op het Spaanse schiereiland tegen Hasdrubal zoon van Gisgo, Mago en Hasdrubal Barcas. De aanstelling van Scipio was zonder precedent: niet alleen was Scipio nog erg jong, hij had tot dan toe alleen nog maar het relatief lage ambt van curulisch aediel bekleed. Hij beschikte wel over enige militaire ervaring, want hij had vermoedelijk bij de Ticinus gevochten, misschien ook bij de Trebia en zeker bij Cannae, waar hij de overlevenden had verzameld. Hij had echter nog nooit het bevel gevoerd over een heel leger en bovendien was hij op het moment van zijn aanstelling geen magistraat, maar slechts een gewoon Romeins burger. Dit alles zou de reden kunnen zijn dat de kwestie van de benoeming naar de volksvergadering werd verwezen.

Marcus Junius Silanus werd benoemd tot Scipio’s legatus. Aan het einde van 210 BCE of het begin van het volgende jaar reisde Scipio naar Spanje met een vloot van 30 quinqueremen. Hij had tevens versterkingen bij zich, zo’n 10.000 infanteristen en 1.000 ruiters. De jonge generaal landde met zijn troepen bij Emporiae en sloeg zijn hoofdkwartier op bij Tarraco. De volgende lente zou Scipio de aanval inzetten op het centrum van het Carthaagse gezag in Spanje.

Macedonië

Koning Philippos V (foto: PHGCOM/British Museum).

De oorlog tussen Rome en haar bondgenoten enerzijds en de energieke jonge Koning Philippos V en zijn bondgenoten anderzijds bestond nog steeds hoofdzakelijk uit raids en schermutselingen. De koning lijkt nooit serieus te hebben overwogen om de Adriatische Zee over te steken voor een inval in Italië. Het is ook erg onaannemelijk dat hij überhaupt de mankracht had om Hannibal daar te hulp te schieten. De Romeinen realiseerden zich dat Philippos nooit een reële dreiging voor Italië zou vormen, wat ook precies de reden is dat de consul Laevinus na zijn terugkeer naar Rome dit jaar het voorstel deed het enige legioen dat onder zijn bevel stond op te heffen. De oorlog zou worden voortgezet met slechts de vloot en de deksoldaten.

Philippos slaagde er dit jaar in na een beleg de stad Echinos in te nemen, een lid van de Aetolische Bond. De Romeinen veroverden op hun beurt het eiland Aigina, een lid van de rivaliserende Achaeïsche Bond. De burgers van Aigina kregen de gelegenheid zichzelf vrij te kopen, maar ze konden daarvoor niet genoeg geld bijeenbrengen. Publius Sulpicius Galba, de nieuwe Romeinse bevelhebber en de opvolger van Laevinus, was niet geneigd om genade te tonen: de inwoners van het eiland werden als slaaf verkocht. Het eiland zelf werd aan Koning Attalos van Pergamum verkocht voor slechts dertig talenten. De Romeinen en hun bondgenoten veroverden ook de stad Antikyra in Phokis dit jaar.

Italië en Sicilië

Na de val van Capua beschuldigden Hannibals Italiaanse bondgenoten hem ervan dat hij niet genoeg had gedaan om hen te beschermen. De Carthaagse bevelhebber kon zijn leger niet opsplitsen, maar wist er wel een paar eenheden vanaf te pellen die als garnizoenen in steden van de bondgenoten konden dienen. Een van deze steden was Salapia in Apulië, waar Hannibal in 214 BCE zijn winterkamp had opgeslagen. Hij had daar een garnizoen van 500 Numidiërs achtergelaten als bescherming. Salapia werd echter dit jaar aan de Romeinen verraden door een van haar politieke leiders. De consul Marcellus werd met zijn leger de stad binnengelaten en hij omsingelde de Numidiërs aan alle kanten. Hier in de stad konden de Numidiërs geen gebruik maken van hun paarden, maar ze besloten niettemin tot het bittere einde te vechten. De meeste van hen sneuvelden en slechts zo’n 50 man werden gevangen genomen door de Romeinen. Het verlies van deze ervaren manschappen was een flinke klap voor Hannibal.

Kaart van Zuid-Italië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

Bij Tarentum was ondertussen een patstelling ontstaan. De Tarentijnen waren er nog steeds niet in geslaagd de citadel van de stad te veroveren, die dapper werd verdedigd door Gaius (of Marcus) Livius en zijn troepen. De situatie was zowel voor de verdedigers als voor de belegeraars tamelijk hopeloos, want beide kampen dreigden te verhongeren. De Tarentijnen boekten wel enig succes toen ze een Romeinse hulpvloot versloegen die met voorraden onderweg was naar de verdedigers in de citadel. Zo’n 20 Romeinse schepen onder bevel van een zekere Decimus Quinctius waren uit Rhegium vertrokken als escorte voor een vloot transportschepen met als eindbestemming Tarentum. Bij Sapriportis, zo’n 24 kilometer van Tarentum, werd deze vloot onderschept door Tarentijnse schepen. In de daaropvolgende zeeslag werd het Romeinse vlaggenschip veroverd en werd Quinctius gedood. De Tarentijnen konden maar korte tijd genieten van hun succes. De meeste transportschepen wisten te ontkomen en Livius stuurde een flinke eenheid soldaten uit de citadel naar de velden rondom Tarentum, waar ze verspreide groepjes burgers aanvielen die het graan aan het oogsten waren. Vele burgers werden gedood en de oogst ging verloren. Later dit jaar slaagden de Romeinen er alsnog in door de scheepsblokkade heen te breken en graan dat gekocht was in Etrurië bij de verdedigers af te leveren.

In de tussentijd had de consul Laevinus de oorlog op Sicilië beëindigd door de stad Agrigentum te veroveren. De consul had dit succes kunnen behalen dankzij het overlopen van Muttinus, de Liby-Fenicische officier die in eerdere jaren met succes tegen de Romeinen had gevochten, maar die ook het slachtoffer was geworden van discriminatie door zijn eigen superieuren. Muttines was uiteindelijk ontslagen door Hanno, die in zijn plaats zijn eigen zoon had benoemd. De Numidische ruiters waren echter trouw gebleven aan Muttines. Deze was geheime onderhandelingen gestart met de consul en had met hem de afspraak gemaakt dat hij een poort in de muren van Agrigentum zou openen om de Romeinen binnen te laten. Toen de Romeinse soldaten door de straten marcheerden, ontvluchtten Hanno en Epicydes de stad en slaagden erin naar Carthago te ontsnappen. Hun manschappen hadden minder geluk: de meesten werden zonder pardon afgeslacht. Laevinus bleek als overwinnaar niet minder hardvochtig te zijn dan Marcellus. Hij liet de belangrijkste magistraten van Agrigentum geselen en onthoofden en verkocht de overige burgers als slaaf.

Kaart van Sicilië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Muttines werd door de Romeinen rijkelijk beloond en kreeg zelfs het Romeinse burgerrecht toegekend. Hij nam daarop de nomen gentilicium van zijn belangrijkste weldoener Laevinus aan, en als Marcus Valerius Muttines zou hij nog vele jaren in het Romeinse leger dienen. De consul Laevinus maakte nu snel een einde aan de oorlog op Sicilië door de laatste nog opstandige steden weer te onderwerpen. De meeste hiervan gaven zich vrijwillig over en slechts een handjevol moest bestormd worden. Aangezien geen van deze steden bij naam genoemd wordt in onze bronnen mogen we aannemen dat het voornamelijk om kleinere nederzettingen ging. Laevinus richtte zich vervolgens op het herstel van de landbouw op Sicilië. Dit was belangrijk, want het eiland moest de Romeinen van graan voorzien gedurende de rest van de oorlog. De consul zette ook nieuwe methoden van oorlogsvoering in. Hij verzamelde zo’n 4.000 gewapende bandieten en zette die vanuit Agathyrna op Sicilië over naar Rhegium. Daar werden ze losgelaten met de opdracht Bruttium te plunderen, een regio die nog aan de kant van Hannibal stond.

De oorlog in Italië leek zo helemaal te verlopen zoals de Romeinen het wensten, maar wederom onderschatten ze Hannibal. Bij Herdonea, waar de Romeinen twee jaar eerder al een nederlaag geleden hadden (zie de kaart hierboven), verpletterde de briljante Carthaagse bevelhebber weer eens een Romeins leger dat te dicht in zijn buurt was gekomen. Ditmaal was het de proconsul Gnaeus Fulvius Centumalus die het slachtoffer werd van het tactische genie van Hannibal. We hebben niet veel gegevens over de veldslag, maar de proconsul en tussen de 7.000 en 13.000 van zijn manschappen sneuvelden, samen met 11 krijgstribunen. De stad Herdonea werd door de Carthagers platgebrand omdat zij de inwoners ervan verdachten naar de Romeinen te zijn overgelopen.

Later dit jaar was er een confrontatie tussen de consul Marcellus en Hannibal en zijn leger bij Numistro in Lucanië. De veldslag eindigde onbeslist, dus Hannibal bleef ongeslagen in Italië. Die ongeslagen status zou hij weten te behouden helemaal tot aan het moment dat hij werd teruggeroepen naar Afrika.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 236-237, p. 258-259 en p. 267-271;
  • Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 296-300.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.