Een kleine geschiedenis van het Oude Egypte: het Oude Rijk en de Eerste Tussenperiode

Trappenpiramide van Saqqara (foto: Olaf Tausch, CC BY 3.0).

Tot de heersers over het Oude Rijk worden doorgaans de farao’s van de Derde tot en met de Zesde Dynastie gerekend.[1] In deze periode, die loopt van de vroege 27e eeuw BCE tot de vroege 22e eeuw BCE kreeg Egypte haar bekendste monumenten: de piramides. Veel van deze gigantische bouwwerken – het gaat niet altijd om graftomben – staan er nog steeds, en zeker die van de farao’s van de Vierde Dynastie behoren tot de meest indrukwekkende monumenten uit de Oudheid. Het Oude Rijk werd bestuurd vanuit Memphis, dat in deze periode de rol van This/Thinis als politiek en economisch centrum definitief had overgenomen. Vanuit Memphis werden ambtenaren naar de provincies gestuurd om die als gouverneurs (nomarchen) in naam van de farao te besturen. Hoewel er wel enige onzekerheden zijn, wordt Djoser doorgaans als de eerste farao van de Derde Dynastie, en daarmee van het Oude Rijk, gezien. Zijn moeder Nimaat-Hap was een vrouw van Chasechemoey, de laatste farao van de Tweede Dynastie. Of Chasechemoey  ook de vader van Djoser was, is onbekend; mogelijk was hij zijn stiefvader. Djoser trouwde met Hetephernebti, mogelijk een dochter van Chasechemoey en dus zijn zuster, halfzuster of stiefzuster.

De Derde Dynastie: Djoser

Beeldjes van Imhotep uit de Late Periode (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

Tijdens de regering van Djoser beheersten de Egyptenaren delen van de Sinaï. Hier lagen mijnen waar koper en turkoois werden gewonnen. Een militaire bezetting van het gebied was noodzakelijk om de plaatselijke bedoeïenen in bedwang te houden. Djoser zou samen met zijn voornaamste architect Imhotep echter vooral bekend worden vanwege het gebruik van steen voor monumenten. Echte steen was aanzienlijk duurzamer dan de tot dan toe gebruikte leemstenen. Het bekendste monument dat Djoser ons heeft nagelaten is zijn piramide, de beroemde Trappenpiramide van Saqqara (ca. 2680 BCE). In wezen gaat het om een enorme mastaba (Arabisch voor bank) waarop vijf kleinere mastaba’s zijn geplaatst. De totale hoogte van de piramide is 62,5 meter en Imhotep zou de architect zijn geweest.

De piramide was onderdeel van een veel groter grafcomplex. Dit was omheind en had in het noorden en zuiden grote pleinen en in het oosten een tempel. Bijna 30 meter onder de piramide vinden we gangen en kamers versierd met porseleinen tegels waarin turkoois is verwerkt, waarschijnlijk hetzelfde turkoois dat onder Djoser in de Sinaï werd gewonnen. Ook Djosers zoon of kleinzoon Sechemchet liet een begrafeniscomplex met trappenpiramide bouwen. Dit complex verrees niet ver van dat van Djoser, maar de piramide bleef onvoltooid. De laatste farao van de Derde Dynastie was Hoeni, tijdens wiens regering overal in Egypte kleinere piramides gebouwd werden. Deze hadden geen grafkamers en dienden dan ook niet als laatste rustplaats. Het waren ook geen cenotafen, maar koninklijke monumenten en tekens van het koninklijke gezag in de provincies.

Grafstele van Abneb, beheerder van het paleis, Derde Dynastie (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

De Vierde Dynastie: Sneferoe

Kaart van Egypte met belangrijke nederzettingen (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

De overgang van de Derde naar de Vierde Dynastie, van Hoeni naar Sneferoe, loopt vermoedelijk via de moeder van de laatstgenoemde, Meresanch I. Van haar wordt gedacht dat ze een tweede vrouw van Hoeni was. Sneferoe kwam rond 2640 BCE op de troon en zou zich ontpoppen tot een uiterst belangrijke farao. Hij verdiende zijn sporen op religieus, militair en bouwkundig gebied. Tijdens zijn regering werd de zonnegod Re (of Ra) de belangrijkste godheid binnen het Egyptische pantheon. Zijn zoon Khufu en diens zonen en opvolgers namen de koninklijke titel ‘Zoon van Re’ aan. De cultus van de zonnegod zorgde ervoor dat grafcomplexen anders georiënteerd werden: niet meer noord-zuid, maar oost-west en gericht op de opkomende zon in het oosten.

Het Oude Rijk kende geen externe vijanden die een serieuze bedreiging voor haar vormden. Plundertochten van de stammen die aan de grenzen van het Rijk woonden waren niettemin lastig en noodzaakten tot militair optreden. Andersom traden de farao’s met geweld op om handelsroutes en de toegang tot natuurlijke hulpbronnen veilig te stellen. Dit was reeds met Djoser in de Sinaï het geval geweest en werd tijdens de Vierde Dynastie voortgezet. Onder Sneferoe vonden succesvolle veldtochten in Libië en Nubië plaats. De vijanden werden verslagen en veel buit en gevangenen werden mee teruggevoerd naar Egypte. De Libische veldtocht zou 1.100 gevangenen hebben opgeleverd, de Nubische eerst 17.000 en daarna nog eens 7.000. Of deze aantallen betrouwbaar zijn, is natuurlijk niet meer vast te stellen. De gevangenen werden overgebracht naar de koninklijke landgoederen in de Fajoem en Nijldelta waar ze werden gevestigd en tewerkgesteld. Belangrijk was verder dat onder Sneferoe een fort bij Buhen in de buurt van de tweede cataract van de Nijl werd gebouwd (tegenwoordig in het noorden van Soedan). De Egyptische invloed was hiermee verder naar het zuiden uitgebreid.

Op een reliëf uit de Sinaï, thans in het Egyptisch Museum in Cairo, is verder te zien hoe de farao een Aziatische vijand bij de haren grijpt en de hersens in slaat. Vermoed wordt dat het reliëf geen betrekking heeft op een concrete veldslag, maar verwijst naar de controle die Sneferoe over de Sinaï uitoefende. Hierboven werd reeds vermeld dat uit dit gebied koper en turkoois kwamen en onder deze farao werd de mijnbouw geïntensiveerd. Uiteraard waren niet alle contacten met andere volkeren vijandig. Egypte was zelf arm aan hout. Er waren geen grote bossen en het Egyptische hout dat gebruikt kon worden – voornamelijk acaciahout en hout van de Egyptische vijgenboom – was van tamelijk slechte kwaliteit. De Levant – grofweg het huidige Libanon – stond daarentegen bekend om zijn uitstekende cederhout. Vooral de stad Byblos leverde veel hout aan Egyptische klanten, onder wie dus ook Sneferoe. Deze handelscontacten waren vreedzaam en gunstig voor alle betrokkenen.

Knikpiramide van Sneferoe (foto: Ivrienen, CC BY 3.0).

Sneferoe was een grote bouwer, die onder meer drie grote piramides heeft nagelaten. De Trappenpiramide van Sneferoe (ca. 2625 BCE) is een piramide als die van Djoser die later, aan het einde van Sneferoes regering, werd omgebouwd tot een echte piramide door de trappen op te vullen met een omhulsel van kalksteen. Helaas bleek deze constructie instabiel en stortte de piramide op een onbekend moment in, zodat nu weer de trappenpiramide zichtbaar is. Een tweede poging tot een echte piramide mislukte eveneens. Waar de Trappenpiramide bij Meidoem verrees, koos Sneferoe voor zijn Knikpiramide (ca. 2615 BCE) Dasjoer uit. Deze enorme piramide had een hoogte van zo’n 150 meter moeten krijgen. Het bouwwerk heeft letterlijk een knik: de architecten begonnen te bouwen onder een hoek van zo’n 55 graden, maar zagen zich in verband met de stabiliteit genoodzaakt op een hoogte van 47 meter verder te bouwen onder een minder steile hoek van 43 graden. Qua hoogte bleef het bouwwerk steken op iets meer dan 104 meter. Bij de Rode Piramide van Sneferoe (ca. 2605 BCE), twee kilometer ten noorden van de Knikpiramide, ging het vervolgens wel goed. Deze 105 meter hoge piramide ontleent haar naam aan de rode kalksteen waarvan ze is gemaakt. Mogelijk vond de farao in deze piramide zijn laatste rustplaats.

De Vierde Dynastie: Khufu, Khafra en Menkaure

Sneferoe werd opgevolgd door een reeks farao’s van wie Khufu, Khafra en Menkaure de bekendste zijn. Hun piramides behoren tot de beroemdste en belangrijkste monumenten van het Oude Egypte. Khufu was een zoon van Sneferoe en Hetepheres[2] en is wellicht beter bekend onder zijn Griekse naam Cheops. Meer dan 2.000 jaar na zijn dood schreef de Griekse geschiedschrijver Herodotos (ca. 484-425 BCE) een soort minibiografie van deze farao waarvan het waarheidsgehalte bijzonder twijfelachtig is. Volgens Herodotos liet Khufu de Egyptenaren dwangarbeid verrichten om zijn piramide te kunnen bouwen en liet hij zijn dochter als prostituee werken toen hij in geldnood kwam (Boek 2.124-126). Wellicht hoorde Herodotos deze verhalen van zijn Egyptische gids en tolk. Eerder schreef hij immers dat “ik alle overleveringen van elk volk doorgeef zoals ze mij zijn verteld”.[3] Zoals er vandaag de dag ook slechte gidsen zijn, zo waren deze er in de Oudheid ongetwijfeld ook.

Piramides op het Plateau van Giza. De grote zijn die van Menkaure (links), Khafra (midden) en Khufu (rechts). Vooraan drie kleinere piramides (foto: KennyOMG, CC BY-SA 4.0).

Voor zijn grote piramide (ca. 2585 BCE; zie de afbeelding hierboven) koos Khufu niet Meidoem of Dasjoer uit, maar het Plateau van Giza verder naar het noorden. Als architect wordt vaak de vizier Hemioenoe genoemd, een zoon van Khufu’s oudere en reeds overleden broer Nerfermaat. De piramide was oorspronkelijk meer dan 146 meter hoog en daarvan is vandaag de dag nog zeker 137-138 meter over. De theorie dat de piramide – en meer in het algemeen de piramides, meervoud – door slaven werd gebouwd heeft tegenwoordig weinig aanhangers meer. Ten zuiden van de piramide zijn de restanten van een dorp opgegraven waar de arbeidskrachten woonden.  Mogelijk werkten er 20-25.000 mensen tegelijkertijd aan een piramide, op een geschatte bevolking van twee miljoen.[4] Veel arbeidskrachten zullen professionals geweest zijn, al is het niet ondenkbaar dat er onder de arbeiders ook mensen waren dat ‘herendiensten’ verrichten. De bouw van de Grote Sfinx van Giza wordt tegenwoordig ook steeds vaker aan Khufu toegeschreven. Helemaal zeker is dit echter niet. Ook zijn zoons Djedefre en Khafra worden als opdrachtgevers genoemd.

Locaties van de piramides ten opzichte van Memphis. In feite gaat het om één grote koninklijke begraafplaats ten westen van de hoofdstad (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

Khufu werd opgevolgd door Djedefre, die maar kort regeerde. Hij werd op zijn beurt opgevolgd door zijn broer Khafra, die ook wel bekend is onder zijn Griekse naam Chefren. Volgens Herodotos was hij een broer van Khufu (quod non) en was hij net als hem een slechte heerser. De Griekse geschiedschrijver merkte terecht op dat de piramide die Khafra liet bouwen (ca. 2550 BCE; zie de afbeelding hierboven), en die zo’n 150 meter ten zuidwesten van de Piramide van Khufu staat, iets kleiner is dan de laatstgenoemde. Zijn bewering dat de piramide 12 meter lager is – “ik heb het persoonlijk nagemeten”[5] – klopt echter niet. Het verschil was eerder 3 meter: de hoogte was destijds iets minder dan 143 meter en thans iets meer dan 136. Hierbij kan worden opgemerkt dat de Piramide van Khafra hoger lijkt dan die van zijn vader Khufu omdat ze is gebouwd op een hoger punt op het plateau. De derde piramide op dit plateau is veel kleiner en lager. Deze werd omstreeks 2520 BCE gebouwd door Menkaure, in het Grieks Mykerinos genoemd. Hij was een zoon van Khafra en volgde Baka op, een zoon van Djedefre. Herodotos prijst Menkaure als een rechtvaardige rechter (Boek 2.129), maar aan deze biografie mag net zo min waarde worden gehecht als aan de kwaadsprekerij over Khufu en Khafra. De piramide die Menkaure liet bouwen had een hoogte van 65 meter. Thans is het bouwwerk nog zo’n 61 meter hoog.

De Vijfde en Zesde Dynastie

Sjepseskaf was de laatste farao van de Vierde Dynastie. Mogelijk was hij een zoon van Menkaure, maar zeker is het niet. Hij vond zijn laatste rustplaats in een mastaba bij Saqqara, tegenwoordig bekend als de Mastabet el-Fara’un. De link naar de Vijfde Dynastie loopt via Chentkaoes, de moeder van de eerste drie farao’s uit deze dynastie: Oeserkaf, Sahoere en Neferirkare. Chentkaoes zou heel goed de (of een) vrouw van Sjepseskaf geweest kunnen zijn, maar het blijft voorlopig bij speculeren. In elk geval wordt met de Vijfde Dynastie een beweging in gang gezet waarbij de piramides kleiner worden en de graftempels juist groter. Farao Nioeserre liet bijvoorbeeld bij Abu Gurab een groot tempelcomplex bouwen voor de zonnegod Re. Centraal op het complex stond een obelisk met een hoogte van zo’n 56 meter. Piramides verrezen eerst bij Abusir en later bij Saqqara. Onder farao Sahoere werd rond 2490 BCE het eerste contact gelegd met het mysterieuze land Poent, vermoedelijk ergens in het huidige Somalië of Eritrea. En onder de een na laatste farao, Djedkare Isesi (ca. 2405-2367 BCE) reikte de Egyptische invloed in het zuiden tot voorbij de derde cataract van de Nijl (zie de kaart hierboven).

Farao Pepi II op schoot bij zijn moeder Anchesenmeryre (foto: Brooklyn Museum, New York).

De Vijfde Dynastie eindigde met farao Oenas. Diens dochter Ipoet was getrouwd met Teti, die de eerste farao van de Zesde Dynastie werd. Onder deze dynastie stopte de bouw van grote zonnetempels en kwam de cultus van Osiris, de god van het dodenrijk, meer centraal te staan. Het belangrijkste centrum van de verering van Osiris was in Abydos. De verering van Re bleef echter belangrijk, zoals blijkt uit het feit dat zijn naam blijft terugkeren in de namen van de farao’s van deze dynastie. Van deze koningen lieten Teti I, Pepi I, Merenre I en Pepi II piramides na, die allemaal bij Saqqara werden gebouwd. Met een hoogte van telkens iets meer dan 50 meter zijn ze stukken kleiner dan de piramides uit de Vierde Dynastie. Vanaf de Zesde Dynastie groeide langzaam ook het belang van de stad Thebe (Waset) in Opper-Egypte. De stad zou nog een belangrijke rol spelen bij het einde van de Eerste Tussenperiode en de overgang naar het Middenrijk (zie hieronder).

Van farao Pepi I, de zoon van Teti is een veldtocht bekend die werd geleid door diens generaal Weni en waarbij het Egyptische leger diep in Palestina doordrong. De vijanden waren bedoeïenen en Semitische volkeren, en Weni bereikte uiteindelijk een berg die de ‘Neus van de Gazelle’ werd genoemd. Doorgaans wordt deze gelijkgesteld aan het de berg Karmel in het huidige Israël. Het moet om een voor die tijd enorme operatie zijn gegaan, waarvoor niet alleen gebruik werd gemaakt van dienstplichtige Egyptische burgers, maar ook van huurlingen uit Nubië. De Nubische heersers waren in deze tijd de facto bondgenoten van de Egyptische farao’s, waarschijnlijk omdat de zelf ook veel last hadden van bedoeïen die de handelsroutes bedreigden. Onder farao Pepi II, een van de langst regerende farao’s uit de geschiedenis, werden er drie expedities in Nubië uitgevoerd. Ze stonden onder leiding van de gouverneur van Opper-Egypte, een zekere Harchoef. Tot grote vreugde van de farao wist deze op een van de expedities een dwerg gevangen te nemen, waarschijnlijk een pygmee. Van Pepi II is een prachtig beeldje bewaard gebleven (ca. 2270 BCE). Het toont hem zittend op de schoot van zijn moeder.

Wanddecoraties van een mastaba, Vijfde Dynastie (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

Osiris, god van het dodenrijk.

Het einde van het Oude Rijk

Het einde van het Oude Rijk ergens rond 2170-2120 BCE kan niet wordt toegeschreven aan externe vijanden. We moeten eerder kijken naar interne factoren. Provinciegouverneurs werden van oudsher vanuit Memphis benoemd en aangestuurd, maar al tijdens de extreem langere regering van Pepi II traden ze in de praktijk steeds zelfstandiger op. Het centrale gezag erodeerde en de gouverneurs veranderden op den duur in zelfstandige vorsten die hun eigen gang gingen. Ook omdat de inkomsten en materialen uit de provincies moesten komen, werd de positie van Memphis, en daarmee van de farao, geleidelijk aan zwakker.

Pepi’s opvolger Merenre II kreeg hier in volle omvang mee te maken. Deze farao regeerde maar kort en kan in verband gebracht worden met een verhaal dat door Herodotos in Boek 2.100 van zijn Historiën wordt verteld over de vermeende enige vrouwelijke farao in de geschiedenis, door de geschiedschrijver Nitokris (Neit-Ikeret) genoemd. Zij zou dan de zuster en echtgenote van Merenre II, en dus een dochter van Pepi II, moeten zijn geweest. Na de moord op haar broer-man zou ze wraak hebben genomen op de moordenaars en vervolgens zelfmoord hebben gepleegd. Aan het verhaal kan met recht getwijfeld worden. Nitokris kan best een regentes zijn geweest (die waren er al tijdens de Eerste Dynastie), maar het is ook mogelijk dat ze nooit bestaan heeft en verward is met Netjerkare, de laatste (mannelijke!) farao van de Zesde Dynastie, over wie vrijwel niets bekend is. De namen lijken in elk geval erg op elkaar.

Mentoehotep II, reliëf uit Thebe (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

Of er een Zevende Dynastie bestaan heeft, wordt tegenwoordig sterk betwijfeld. De Achtste Dynastie wordt wel als historisch beschouwd, maar ze duurde slechts kort (ca. 20-40 jaar) en er is weinig over bekend. Met deze Dynastieën begint de Eerste Tussenperiode waarin Egypte bij gebrek aan een sterk centraal gezag uit elkaar viel. Uit Herakleopolis (of Henen-nesoet in het Egyptisch) kwam een nieuwe dynastie voort, de Negende, waarvan Meryibre Cheti als stichter wordt aangemerkt. Het gezag van de farao’s van de Negende en Tiende Dynastie strekte zich uitsluitend uit over Neder-Egypte en kwam in het zuiden niet verder dan Assioet (Zawty). Opper-Egypte werd na een interne strijd beheerst door de stad Thebe. De gouverneurs van die stad stichtten de Elfde Dynastie. Onder farao Mentoehotep II (ca. 2046-1995 BCE), de zesde farao uit deze lijn, werd Egypte weer verenigd. Daarmee eindigde de Eerste Tussenperiode en begon het Middenrijk. Tijdens de Elfde Dynastie leefde ook de gouverneur Mesehti, wiens graftombe ons een idee geeft van de samenstelling van het Egyptische leger uit die tijd. Een eenheid van veertig houten miniatuursoldaten en een even grote eenheid Nubische boogschutters zijn bewaard gebleven. De Egyptenaren noch de Nubiërs dragen lichaamsbescherming. De soldaten zijn bewapend met speren met bronzen punten en dragen verder alleen een houten schild. Strijdwagens waren in deze tijd nog niet bekend in Egypte.

Bronnen

  • Dieter Kessler, ‘The Political History of the Third to Eighth Dynasties’, in: Egypt. The World of the Pharaohs, p. 41-45;
  • Dieter Kessler, ‘The Political History from the Ninth to the Seventeenth Dynasties’, in: Egypt. The World of the Pharaohs, p. 105;
  • Manfred Gutgesell, ‘The Military’, in: Egypt. The World of the Pharaohs, p. 365;
  • Rainer Stadelmann, ‘Royal Tombs from the Age of the Pyramids’, in: Egypt. The World of the Pharaohs, p. 47-77.

Noten

[1] Afhankelijk van welk naslagwerk men raadpleegt, komen daar soms nog de uiterst obscure Zevende en Achtste Dynastie bij.

[2] Zijn oudere broers Nefermaat en Rahotep waren reeds gestorven.

[3] Boek 2.123 (vertaling: Hein L. van Dolen).

[4] Stadelmann, p. 66.

[5] Boek 2.127 (vertaling: Hein L. van Dolen).

2 Comments:

  1. Pingback:Een kleine geschiedenis van het Oude Egypte: het Middenrijk en de Tweede Tussenperiode – – Corvinus –

  2. Pingback:Een kleine geschiedenis van het Oude Egypte: het Nieuwe Rijk (deel 1) – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.