Een kleine geschiedenis van het Oude Egypte: het Nieuwe Rijk (deel 1)

Graftempel van Hatsjepsoet bij Luxor (foto: Andrea Piroddi, CC BY-SA 3.0).

Met de eerste farao van de Achttiende Dynastie, Ahmose I (ca. 1549-1524 BCE), begint de geschiedenis van de het Nieuwe Rijk in Egypte. Tijdens zijn regering en die van zijn zoon Amenhotep I (ca. 1525-1506 BCE) vond allereerst een proces van standaardisatie plaats in het opnieuw verenigde land. Wetgeving, bestuur, kalender en religieuze zaken werden voor heel Egypte gelijkgetrokken. Amun, voorheen een hoofdzakelijk in Thebe vereerde godheid, werd definitief een nationale god. Hij smolt samen met de zonnegod Re tot de oppergod Amun-Re. Thebe (Waset) was in deze tijd de koninklijke residentie en bovendien het belangrijkste religieuze centrum van Egypte. De reeds bestaande tempels bij Karnak, ten noorden van Thebe, werden gerestaureerd en uitgebreid, zodat hier een enorme tempelstad ontstond waarin de cultus van Amun-Re centraal stond. Aan de andere kant van de Nijl vonden de farao’s in de Vallei der Koningen hun laatste rustplaats.

De Achttiende Dynastie werd bijna in de knop gebroken toen Amenhotep I zonder mannelijke opvolger stierf. Zijn opvolger Thoetmosis I – ‘geboren uit Thot’ – was slechts aangetrouwde familie. Zijn vrouw koningin Ahmose behoorde waarschijnlijk wel tot de koninklijke familie, maar van wie zij de dochter was, is niet geheel zeker. Het doet er ook niet veel toe. Met Thoetmosis I (ca. 1506-1493 BCE) kwam de eerste farao met deze beroemde naam op de troon. Er zouden er nog drie volgen.

Expansie onder het Nieuwe Rijk

Tijdens het Nieuwe Rijk bereikte Egypte haar grootste omvang. Haar invloed reikte van om en nabij de vijfde cataract van de Nijl in het zuiden tot in het huidige Syrië in het noorden. De militaire successen van de farao’s en hun generaals werden mede mogelijk gemaakt door belangrijke hervormingen binnen het leger. Het Egypte van het Oude Rijk kende geen staand leger. Soldaten werden onder de burgerbevolking geworven en deze burgers keerden na een veldtocht weer terug naar hun boerderijen of andere professies. Tijdens de Eerste Tussenperiodes werden frequent huurlingen ingezet, bijvoorbeeld troepen die waren geworven in Nubië of Libië. Tijdens de Elfde Dynastie leefde de gouverneur Mesehti, wiens graftombe ons een idee geeft van de samenstelling van het Egyptische leger uit die tijd. Een eenheid van veertig houten miniatuursoldaten en een even grote eenheid Nubische boogschutters zijn bewaard gebleven. De Egyptenaren noch de Nubiërs dragen lichaamsbescherming. De soldaten zijn bewapend met speren met bronzen punten en dragen verder alleen een houten schild.

Reliëf met Egyptische strijdwagen, 14e eeuw BCE (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

Egypte en het Midden-Oosten ten tijde van de Achttiende Dynastie. De grote machten zijn met een letter weergegeven. E = Egypte; H = Hatti (i.e. de Hittieten); M = Mitanni; A = Assyrië; B = Babylonië. Bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0.

Door paarden getrokken strijdwagens waren in deze tijd nog niet bekend in Egypte. Die werden omstreeks 1700 BCE door de Kanaänitische Hyksos in Egypte geïntroduceerd. Mogelijk brachten zij ook het kromzwaard met zich mee, waarop de Egyptische khopesh is gebaseerd. De farao’s gingen op den duur zelf paarden fokken en verbeterden het ontwerp van de strijdwagen. De strijdwagens van de Hyksos waren zwaar en vervoerden doorgaans vier tot vijf mannen. De Egyptische modellen waren veel lichter en vervoerden slechts een menner en een soldaat, doorgaans een boogschutter gewapend met een krachtige recurveboog. Deze strijdwagens waren veel sneller en wendbaarder. We zien ze geregeld terug op wandreliëfs (zie hierboven). Ook de infanteristen werden beter bewapend en vooral bepantserd. De manschappen droegen nu leren of met brons bezette harnassen en bovendien helmen. Samen met eenheden Nubische boogschutters en Libische lichte troepen zouden de Egyptische legers grote gebieden veroveren. Egypte werd tijdens het Nieuwe Rijk een wereldmacht.

Al onder Thoetmosis I breidde Egypte haar invloed sterk uit. Tijdens een veldtocht in Kanaän bereikte hij de rivier de Eufraat en kwam hij in conflict met de heerser van het koninkrijk Mitanni, in het Egyptisch Naharin geheten. Het bestuur in de veroverde gebieden werd aan lokale prinsen overgelaten, die werden bijgestaan door Egyptische adviseurs. De adviseurs hielden een vinger aan de pols, maar feitelijk bleven de prinsen autonoom. Wel werden de lokale heersers verplicht hun zonen naar het Egyptische hof te sturen, om zo van hun trouw verzekerd te zijn. Dit kon opstanden echter niet geheel voorkomen en de geannexeerde gebieden konden dientengevolge nooit volledig gepacificeerd worden. Thoetmosis I streed tevens tegen het koninkrijk Kerma in het zuiden. De heersers van Kerma waren voormalige bondgenoten van de Hyksos, dus hier stond nog een oude rekening open. De stad Kerma werd rond 1500 BCE ingenomen en het koninkrijk werd verwoest. Er werd een onderkoning benoemd die het nieuw veroverde gebied namens de farao moest besturen. Zonen van lokale Nubische heersers werden naar het hof gestuurd.

Hatsjepsoet en Thoetmosis III

Thoetmosis III (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

Thoetmosis I werd na een succesvolle regering opgevolgd door zijn zoon Thoetmosis II. Die was getrouwd met Hatsjepsoet, een vrouw die zijn halfzuster was. Zij was een dochter van Thoetmosis I en koningin Ahmose, terwijl de moeder van Thoetmosis II, Moetneferet, slechts een secundaire vrouw van Thoetmosis I was. De toch al gecompliceerde familieverhoudingen werden nog ingewikkelder toen Thoetmosis II en Hatsjepsoet – halfbroer en halfzus – alleen een dochter kregen. Thoetmosis II verwekte vervolgens wel bij een concubine een zoon, die de naam Thoetmosis III kreeg. Hoewel Thoetmosis III zijn vader had moeten opvolgen, stierf Thoetmosis II op dusdanig jonge leeftijd dat Hatsjepsoet de teugels in handen nam. Zij regeerde als regent voor haar ongeveer achtjarige stiefzoon, compleet met de ceremoniële valse faraobaard. Hatsjepsoet beschouwde zich ook niet als koningin, maar als een volwaardige mannelijke farao. Uniek was haar regering overigens niet. Al tijdens de Eerste Dynastie had koningin Merneith als regent geregeerd en de laatste heerser van de Twaalfde Dynastie was ook een vrouw: Sobekneferoe.[1]

In de periode die loopt van ca. 1479 BCE tot ca. 1458 BCE zaten er dus twee heersers op de troon, Hatsjepsoet en Thoetmosis III. Zeker in de beginperiode moet de eerstgenoemde haar stiefzoon volkomen gedomineerd hebben. De koningin lanceerde handelsmissies voor hout naar Libanon en zorgde voor een heropening van de mijnen in de Sinaï, waar koper en turkoois werden gewonnen. Ze stuurde bovendien een handelsmissie naar het mysterieuze land Poent, vermoedelijk ergens in het huidige Somalië of Eritrea. De missie bracht onder andere mirre en wierook mee terug. Hatsjepsoet liet koningin Eti of Ati van Poent vereeuwigen op een reliëf in haar graftempel te Deir el-Bahari, tegenover Thebe aan de andere zijde van de Nijl (zie de eerste afbeelding in deze bijdrage). Eti is niet erg flatteus afgebeeld. Ze heeft een kromme rug, brede heupen en een enorm achterwerk. Een afbeelding ziet u hier. Hoewel de handelsactiviteiten van Hatsjepsoet een vreedzaam karakter hadden, zou het verkeerd zijn haar als pacifist te typeren. Tijdens haar circa twee decennia durende regering werd er ook oorlog gevoerd. In Nubië was de situatie onrustig en moest militair opgetreden worden. Er is bewijs dat Hatsjepsoet in tenminste één geval persoonlijk het leger aanvoerde.[2]

Thoetmosis III slaat zijn vijanden dood (foto: Markh, Wikimedia Commons).

Omstreeks 1458 BCE kwam Hatsjepsoet te overlijden. De oorzaak is onbekend, maar haar mummie – als die tenminste van haar is – toont aan dat ze leed aan obesitas, kanker en gebitsproblemen. Haar stiefzoon bevond zich op het moment van haar dood bij het leger in Memphis. Thoetmosis III was nu eindelijk van het juk van zijn stiefmoeder verlost. Zijn jarenlange haat jegens Hatsjepsoet leidde ertoe dat hij haar cultus bij Deir el-Bahari beëindigde en een poging deed haar nagedachtenis volledig uit te wissen. Monumenten werden ontwijd, beelden vernietigd en inscripties weggebeiteld. Thoetmosis III slaagde echter niet volledig in zijn opzet. Hoewel ongetwijfeld veel is vernietigd, is Hatsjepsoet nog steeds bekend en geldt zij als een van de beroemdste vrouwen uit de geschiedenis van het Oude Egypte.

Eenmaal alleenheerser achtte Thoetmosis de tijd rijp om zijn sporen op het slagveld te verdienen. De ongeveer dertigjarige farao begon slechts een jaar na de dood van zijn stiefmoeder, in 1457 BCE, aan een veldtocht tegen een Kanaänitische coalitie die onder leiding stond van de prins van Kadesh. Bij de stad Megiddo in het huidige Israël kwam het tot een veldslag, die algemeen wordt gezien als de oudste gedocumenteerde veldslag uit de geschiedenis. De farao wist de prins van Kadesh en zijn bondgenoten te verrassen en te verslaan. Doordat zijn troepen vervolgens echter de vijandelijke kampen plunderden en daarmee veel kostbare tijd verspilden, kon Megiddo haar poorten sluiten en zich voorbereiden op een beleg. Kanaänitische strijders die de slag overleefd hadden, werden met behulp van aan elkaar geknoopte kledingstukken de stad in gehesen en toegevoegd aan de verdedigers. Het daaropvolgende beleg zou zeven maanden duren, maar uiteindelijk viel Megiddo in handen van de farao. Dit brak het Kanaänitische verzet. Thoetmosis liet zijn veldtocht en uiteindelijke zege vereeuwigen in de tempel van Amun-Re in Karnak (zie de afbeelding hierboven). Op een grotendeels bewaard gebleven reliëf zien we hier hoe de farao, volgens goed Egyptisch gebruik, gevangen genomen vijanden de hersens inslaat, wat in werkelijkheid overigens vermoedelijk niet gebeurd is. Megiddo werd in elk geval gespaard.

Stele met Thoetmosis III en zijn zoon en opvolger Amenhotep II (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

De veldtocht die leidde tot de Slag bij Megiddo was een van de maar liefst zeventien militaire expedities die Thoetmosis III lanceerde. Net als zijn grootvader kwam hij in conflict met het koninkrijk Mitanni. Dit koninkrijk werd bewoond door Hurrieten, die echter door een bovenlaag van Indo-Europese afkomst overheerst werden. De hoofdstad Wasjukanni is nooit teruggevonden, maar moet ergens tussen de Eufraat en de Tigris hebben gelegen. Mitanni stond bekend om zijn paarden en strijdwagens en was dan ook een geduchte tegenstander. Omstreeks 1446 BCE lanceerde Thoetmosis zijn aanval over het water (i.e. de Eufraat) en het land. Het offensief was een compleet succes. De koning van Mitanni werd verslagen, en ter nagedachtenis aan zijn zege liet de farao in de buurt van Karkemish een stele plaatsen. Mitanni was verslagen, maar zeker niet uitgeschakeld. Slechts 15-20 jaar later veroverde koning Shaushtatar van Mitanni de stad Assur, hoofdstad van Assyrië. Tot de buit behoorde een deur van zilver en goud, die in het paleis in de hoofdstad werd geïnstalleerd.

Thoetmosis III  was in alle opzichten een succesvolle farao, die in totaal 54 jaar op de troon zat. Naast zijn overwinningen op het slagveld liet hij vele monumenten na. Zijn reliëfs te Karnak zijn al genoemd. Daarnaast was hij actief in Avaris, de oude hoofdstad van de Hyksos. De stad was door Ahmose I verwoest, maar vervolgens weer opgebouwd en opnieuw tot bloei gekomen. Avaris heette nu Peru-nefer. Thoetmosis liet er een nieuw paleis bouwen, dat hij liet decoreren met fresco’s die doorgaans aan Minoïsche kunstenaars worden toegeschreven. De fresco’s tonen, zelfs als ze niet door etnische Kretenzers zijn gemaakt, wel aan dat Egypte in die tijd nauwe banden onderhield met het eiland Kreta (Keftiu). Voor het laatste monument van Thoetmosis III moeten we niet naar Egypte, maar naar Rome. Daar staat op het plein voor de kathedraal van San Giovanni in Laterano namelijk een grote obelisk van deze farao. Het gevaarte stond oorspronkelijk in het tempelcomplex van Amun-Re te Karnak. In 357 liet de Romeinse keizer Constantius II (337-361) de obelisk per schip naar Rome overbrengen en op de spina van het Circus Maximus plaatsen. Sinds 1588 staat het monument op zijn huidige plek.

Obelisk van Thoetmosis III in Rome.

Bronnen

  • Dieter Kessler, ‘The Political History of the Eighteenth to Twentieth Dynasties’, in: Egypt. The World of the Pharaohs, p. 143-146;
  • Eric H. Cline, 1177 v. Chr. Het Einde van de Beschaving, p. 47-54;
  • Manfred Gutgesell, ‘The Military’, in: Egypt. The World of the Pharaohs, p. 365-367.

Noten

[1] De door de Griekse geschiedschrijver Herodotos genoemde vrouwelijke farao Nitokris (Neit-Ikeret) was waarschijnlijk geen vrouw, maar een man, namelijk Netjerkare, de laatste farao van de Zesde Dynastie.

[2] Zie Cline, p. 236, noot 72.

One Comment:

  1. Pingback:Een kleine geschiedenis van het Oude Egypte: het Nieuwe Rijk (deel 3) – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.