Een kleine geschiedenis van het Oude Egypte: prehistorie en vroege geschiedenis

Narmerpalet (bron: Wikimedia Commons).

Egypte is het land van de Nijl. Deze langste rivier van Afrika creëert een smalle vruchtbare vallei tussen de Sahara in het westen en het rotsachtige terrein langs de Rode Zee in het oosten. Tussen 25.000 en 10.000 BCE, in de slotfase van de late oude steentijd (Laat Paleolithicum), trokken groepen mensen deze vallei binnen. In een periode van enkele duizenden jaren ontwikkelden deze jagers en verzamelaars zich tot sedentaire landbouwers. Al vroeg ontstonden er contacten met het Midden-Oosten, dat op het gebied van landbouw en nederzettingen een flinke voorsprong op Egypte had. Ook met het gebied ten zuiden van Egypte, dat doorgaans Nubië of Koesj wordt genoemd, werden contacten aangeknoopt. Egypte was nog allesbehalve een eenheid, en al vroeg werd er onderscheid gemaakt tussen Neder- en Opper-Egypte. Neder-Egypte is – enigszins verwarrend – de streek in het noorden, grosso modo het gebied van de Nijldelta. Dit gebied kent een zachter klimaat en meer regenval dan Opper-Egypte, dat ten zuiden van de Nijldelta begint. Het noordelijke gedeelte van Opper-Egypte wordt soms ook wel Midden-Egypte genoemd.

Vroege culturen

Neder- en Opper-Egypte brachten in de nieuwe steentijd culturen voort die bekend zijn komen te staan als de Merimdecultuur in Neder-Egypte (ca. 4800-4300 BCE) en de Badaricultuur (ca. 4400 BCE-3800 BCE) en Naqadacultuur (tot omstreeks 3000 BCE) in Opper-Egypte, waarbij de laatste doorgaans in drie fasen wordt opgedeeld. De culturen hebben archeologische sporen nagelaten in de vorm van handbijlen, potten, schalen, flesjes en uiteindelijk ook beeldjes van mannen en vrouwen. De belangrijke Naqadacultuur bracht ons voorts afbeeldingen van dieren en planten. Daarnaast vinden we afbeeldingen van geroeide schepen, die erop wijzen dat er reeds op de Nijl werd gevaren. Er waren intensieve handelscontacten met Palestina in het noorden en Nubië in het zuiden, waarbij Nubië fungeerde als leverancier van verschillende ruwe materialen als ivoor, koper, edelstenen, hout en huiden. Een prachtstuk is in dit verband een mes van ivoor en vuursteen waarop een man in Mesopotamische kledij is afgebeeld. De laatste fase van de Naqadacultuur wordt ook wel de proto-dynastieke periode genoemd. Er ontstonden meerdere nederzettingen en een daarvan was Hierakonpolis of Nechen, waar de valkengod Horus werd vereerd.

Muurschildering in Hierakonpolis (foto: Francesco Raffaele, CC BY-SA 3.0).

Kaart van Egypte met belangrijke nederzettingen (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

In Hierakonpolis vinden we de oudste Egyptische graftombe met muurschilderingen, de zogenaamde Tombe 100 uit ongeveer 3300 BCE (zie hierboven). De muurschilderingen tonen ons schepen en jachtpartijen, maar ook gevechten. Zeer belangrijk is een voorstelling die ons een krijger met een knots toont die drie vastgebonden gevangenen executeert. De eerste wordt bij de haren gegrepen en zijn schedel wordt ingeslagen. Een afbeelding ziet u hier. De krijger of krijgsheer zou spoedig vervangen worden door de farao, en afbeeldingen van zegevierende farao’s die verslagen vijanden bij de haren grijpen en hoogstpersoonlijk doodslaan zijn alomtegenwoordig in de Egyptische kunst. De opkomst van de farao’s houdt nauw verband met de vereniging van Neder- en Opper-Egypte, een proces dat volgens de traditie zou zijn afgerond onder de eerste farao, Menes. Van deze Menes wordt volop melding gemaakt in Egyptische inscripties. Zo staat hij als eerste vermeld op de Koningslijst van Abydos en op een soortgelijke lijst in het Ramesseum in Thebe. Het probleem is echter dat de eerstgenoemde koningslijst van de regering van farao Seti I (ca. 1290-1279 BCE) dateert en de tweede tijdens de regering van diens opvolger Ramses II (1279-1213 BCE) werd gemaakt. Dat is dus bijna 2.000 jaar na de veronderstelde regering van Menes. Bij de Griekse geschiedschrijver Herodotos (ca. 484-425 BCE) heet de eerste farao Min (Boek 2.4 en 2.99). Het is duidelijk dat hij op Menes doelt, al was Min een vruchtbaarheidsgod die onder meer in Coptos werd vereerd.

Het verenigde Egypte en de eerste farao’s

Mogelijk was Menes dezelfde persoon als Hor Aha, een farao die tot de Eerste Dynastie wordt gerekend. Hij wordt ook wel gelijkgesteld aan Narmer, al is het gebruikelijker om deze als de vader van Menes/Hor Aha te zien. Narmer is dan de laatste heerser van de proto-dynastieke periode, ook wel Dynastie 0 genoemd. Hij is zonder meer als een historische figuur te beschouwen. Zijn graftombe in Abydos is bekend en in Hierakonpolis heeft hij het beroemde Narmerpalet (ca. 3100 BCE; zie hierboven) nagelaten. Op de ene zijde van dit palet zien we onder meer de godin Hathor, twee panters met slangennekken en een lugubere stapel met tien geëxecuteerde gevangenen. Hun hoofden zijn afgehakt, zodat het Narmerpalet als het eerste onthoofdingsfilmpje in de geschiedenis mag gelden. Op de andere zijde slaat Narmer met zijn knots een vijand de schedel in. Er is voldoende archeologisch materiaal voorhanden om te kunnen concluderen dat oorlogsvoering bepaald geen uitzondering was in de proto-dynastieke periode. Op andere paletten zien we dieren die steden verwoesten, buit en gevangenen die worden weggevoerd. Het zogenaamde Libische palet uit ca. 3150 BCE wijst op een conflict met Libië, ten westen van Egypte.

Ninetjer, farao uit de Tweede Dynastie (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

De farao’s van de Eerste en de Tweede Dynastie waren afkomstig uit This of Thinis en die stad wordt vaak als hun hoofdstad aangeduid. De precieze ligging van deze stad is niet bekend, maar het moet in de buurt van het huidige Girga zijn geweest. De koninklijke begraafplaats lag echter iets zuidelijker, bij Abydos (of correcter: Abdjoe). Hier vond als gezegd Narmer zijn laatste rustplaats en ook de graven van twee van zijn voorgangers, Ka en Iry Hor, bevinden zich bij Abydos. Op een steenworp afstand van deze graven stond de graftombe van farao Hor Aha (mogelijk dus dezelfde als Menes). Zijn vermoedelijke zoon en opvolger Djer werd hier ook begraven, net als diens kinderen Djet en Merneith, van wie wordt aangenomen dat ze niet alleen broer en zus waren, maar ook man en vrouw. Na de dood van Djet regeerde diens vrouw en zuster Merneith waarschijnlijk enige tijd als regentes voor haar zoon Den. Na Den kwamen nog de farao’s Adjib, Semerkhet, Qa en enkele anderen van wie de regering zeer kort moet zijn geweest. Qa is de laatste farao van de Eerste Dynastie die in Abydos zijn laatste rustplaats vond.

De Tweede Dynastie nam omstreeks 2890 BCE de macht in Egypte over. Het is onmogelijk nu nog vast te stellen onder welke omstandigheden haar eerste farao, Hotepsechemoey, op de troon kwam. Wel is er een opmerkelijke verschuiving van Opper- naar Neder-Egypte te constateren. Tijdens de Tweede Dynastie verschoof het machtscentrum van This en Abydos naar het noordelijker gelegen Memphis, dat volgens de traditie nog door Menes gesticht zou zijn. Bij Saqqara, net ten westen van Memphis, werd een nieuwe koninklijke begraafplaats gesticht waar we de grote rechthoekige graftombes tegenkomen die bekendstaan onder de naam mastaba’s (Arabisch voor ‘banken’). De architectuur van deze graftombes verraadt invloeden uit het Midden-Oosten.

Farao Chasechemoey, de laatste farao van de Tweede Dynastie (foto: Geni / Ashmolean Museum, Oxford, CC BY-SA 4.0).

De drie eerste farao’s uit de Tweede Dynastie werden in Saqqara bijgezet, maar opvallend genoeg werden Seth-Peribsen en Chasechemoey, de laatste farao’s van deze Dynastie, weer in de necropool van Abydos begraven. De reden voor de beslissing om dáár begraven te worden is lastig vast te stellen. Het is niet ondenkbaar dat het verenigde Egypte tijdens de Tweede Dynastie weer uit elkaar viel in Neder- en Opper Egypte als twee aparte politieke entiteiten met een eigen bestuur. Op de plint van een beeldje van Chasechemoey in het Ashmolean Museum in Oxford uit ca. 2710 BCE wordt naar een veldtocht van deze farao verwezen. Plaats van de strijd was de Nijldelta en er zouden maar liefst 47.209 vijanden zijn gedood. Dit grote aantal – of het nu juist is of niet – geeft wel aan dat het Egypte van de eerste twee dynastieën een allesbehalve pacifistische samenleving was. Niet alleen waren er interne spanningen, het leger van de farao legde ook zijn wil op aan de inwoners van naburige streken. Belangrijk was bijvoorbeeld de bouw van een fort bij Elephantine, in het zuiden bij de eerste cataract van de Nijl (zie de kaart hierboven). Deze nederzetting lag – en ligt – op een eiland in de rivier en bood de Egyptische bezetting de mogelijkheid het verkeer op de Nijl te domineren.

Bronnen

  • Stephan Seidlmayer, ‘Egypt’s Path to Advanced Civilization’, in: Egypt. The World of the Pharaohs, p. 9-23;
  • Stephan Seidlmayer, ‘The Rise of the State to the Second Dynasty’, in: Egypt. The World of the Pharaohs, p. 25-39.

3 Comments:

  1. Pingback:Een kleine geschiedenis van het Oude Egypte: het Oude Rijk en de Eerste Tussenperiode – – Corvinus –

  2. Pingback:Een kleine geschiedenis van het Oude Egypte: het Nieuwe Rijk (deel 1) – – Corvinus –

  3. Pingback:Een kleine geschiedenis van het Oude Egypte: de Derde Tussenperiode – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.