Een kleine geschiedenis van het Oude Egypte: het Nieuwe Rijk (deel 3)

Horemheb en Horus (Kunsthistorisches Museum, Wenen).

Farao Eje was waarschijnlijk al flink op leeftijd toen hij omstreeks 1323 BCE de troon besteeg. Na zijn dood maakte een zekere Horemheb zich van de troon meester. Hij was een hoge generaal zonder adellijke status en zijn machtsgreep werd dan ook enkel mogelijk gemaakt door zijn controle over het leger. Horemheb was meteen de laatste farao van de Achttiende Dynastie, die omstreeks 1292 BCE ten einde kwam. Omdat Horemheb geen zoon (meer) had, benoemde hij zijn rechterhand en vizier Ramses tot zijn opvolger. Ramses, een telg uit een militair geslacht, werd hiermee de stichter van de Negentiende Dynastie. Zijn eigen regering duurde maar kort (ca. 1292-1290 BCE), maar hij plaveide wel de weg voor zijn zoon Seti I (ca. 1290-1279 BCE) en kleinzoon Ramses II (ca. 1279-1213 BCE). Na de jaren van chaos die volgden op de dood van farao Amenhotep IV of Echnaton hadden Horemheb en Ramses I weer voor stabiliteit gezorgd. Onder Seti I en Ramses II kon het Nieuwe Rijk zich vervolgens weer doen gelden als wereldmacht. Dat gold zeker tijdens de exceptioneel lange regering van Ramses II, die maar liefst 66 jaar op de troon zat en uiteindelijk op ruim 90-jarige leeftijd overleed. Onderzoek aan zijn mummie heeft iets heel bijzonders uitgewezen: Ramses II had een lichte huid en rood haar!

Ramses de Grote

De nieuwe dynastie had om strategische redenen besloten de hoofdstad van het Rijk te verplaatsen naar Pi-Ramesses in de Nijldelta, niet ver van de oude hoofdstad van de Hyksos, Avaris. Pi-Ramesses wordt samen met de andere ‘voorraadstad’ Pitom genoemd in de Bijbel[1], al kan worden getwijfeld aan de bewering dat deze steden door Israëlitische slaven werden gebouwd. Van hieruit konden militaire operaties in Kanaän worden gelanceerd. Dit gebied in het huidige Israël, Libanon en delen van Syrië viel formeel nog steeds onder Egyptisch bestuur, maar werd al bijna een halve eeuw bedreigd door de Hittieten, die nu op het toppunt van hun macht stonden. De altijd opstandige prins van Kadesh was hun bondgenoot geworden. Al onder Seti had het Egyptische leger in Kanaän geïntervenieerd, en als we af mogen gaan op de reliëfs die de farao in de tempel van Amun-Re in Karnak achterliet (ca. 1285 BCE), was die operatie een succes geweest. De Hittieten bleven echter een bedreiging en in 1274 BCE kwam het bij Kadesh tot een grote veldslag tussen het Egyptische leger van Ramses II en dat van de Hittieten onder hun koning Muwatalli II. De laatstgenoemde probeerde de grens van zijn Rijk verder naar het zuiden te verplaatsen, de eerstgenoemde wilde dat koste wat kost verhinderen.

Horemheb overladen met goud, reliëf uit zijn (niet gebruikte) graftombe bij Saqqara, Memphis (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

Egypte en het Midden-Oosten ten tijde van de Achttiende Dynastie. De grote machten zijn met een letter weergegeven. E = Egypte; H = Hatti (i.e. de Hittieten); M = Mitanni; A = Assyrië; B = Babylonië. Bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0.

Het leger van Ramses bestond uit vier divisies, die waren vernoemd naar de goden Amun, Re, Seth en Ptah. Hiermee rukte hij op richting Kadesh. Een tweede leger zou via de zee reizen. Dit was veel kleiner en bestond mogelijk uit Kanaänitische hulptroepen of huurlingen. Het doel was de Hittieten in een tangbeweging te nemen. Ramses liet zijn divisies echter verspreid oprukken, met zo’n tien kilometer tussen iedere divisie. De farao werd vervolgens ook op het verkeerde been gezet door twee gevangengenomen bedoeïenen, die later Hittitische spionnen bleken te zijn. Zij vertelden de Egyptenaren dat Muwatalli zich nog ver ten noorden van Kadesh bevond, wat volstrekt onjuist bleek te zijn. Ramses bevond zich helemaal vooraan bij de Amun-divisie en was de rivier de Orontes al overgestoken. Onwetend van de aanwezigheid van de vijand had hij ten noorden van Kadesh zijn kamp opgeslagen. Ook de Re-divisie was de rivier overgestoken, maar de andere twee divisies bevonden zich nog aan de andere kant. Toen sloeg Muwatalli genadeloos toe. Hij had zijn troepen ten noordoosten van Kadesh opgesteld en liet zo’n 1.000 strijdwagens, bemand door zo’n 4.000-5.000 strijders, op de geïsoleerde Re-divisie afstormen. Die was compleet verrast en werd volledig uit elkaar geslagen. De overlevenden vluchten naar het noorden, richting het kamp van Ramses.

De farao had nu een groot probleem. Zijn andere divisies bevonden zich op minstens 20 kilometer afstand en aan de andere kant van de Orontes, en van het tweede leger, dat over zee zou reizen, was nog geen spoor te bekennen. Ramses moest het met zijn ene divisie nu zien uit te houden tegen het hele Hittitische leger, dat volgens hemzelf uit 3.500 strijdwagens en 37.000 voetsoldaten bestond. De farao kreeg het zwaar te verduren, maar dankzij zijn persoonlijke moed en die van zijn lijfwachten wist hij de Hittieten terug te slaan. Uiteindelijk kwamen de andere twee divisies én het tweede leger net op tijd op het slagveld aan om de farao te redden. De Hittieten werden verdreven, maar toch kan de Slag bij Kadesh moeilijk als een Egyptische overwinning worden gezien. Kadesh werd niet veroverd, en Ramses had bijna een complete divisie verloren. Hij keerde dan ook spoorslags terug naar Egypte, waar hij zijn ‘overwinning’ op vijf plaatsen liet vereeuwigen. Dat gebeurde in zijn eigen dodentempel, het Ramesseum, maar ook in tempels in Karnak, Luxor, Abydos en Aboe Simbel. Zijn tempels op de laatstgenoemde locatie, in Nubië dicht bij de grens met het huidige Soedan, zijn wereldberoemd.

Ramses II offert aan zichzelf (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

Uiteindelijk haalde noch Egypte, noch het Hittitische Rijk enig voordeel uit de Slag bij Kadesh. Pas in 1259 BCE werd een vredesverdrag gesloten. Muwatalli II was kort na de slag al overleden en opgevolgd door zijn zoon Mursili III. Die werd echter opzijgeschoven door zijn oom Hattusili III, een broer van Muwatalli. Het was Hattusili die in het genoemde jaar een vredesovereenkomst sloot met Ramses, ook bekend als het ‘Zilveren Verdrag’, naar het materiaal waarop het werd opgeschreven. In feite waren er twee verdragen: een Hittitische versie en een Egyptische. De Hittitische versie was in het Akkadisch opgesteld en werd op een zilveren tablet aangebracht. Vertaald in het Egyptisch en opgeschreven in Egyptische hiërogliefen vinden we onderdelen van deze versie terug in het Ramesseum en in Karnak. De Egyptische versie bewandelde de omgekeerde weg. De vertaling in het Akkadisch, opgeschreven in spijkerschrift, is teruggevonden bij de opgraving van de Hittitische hoofdstad Hattusa. In 1246 BCE trouwde Ramses met de oudste dochter van Hattusili. Uiteraard was dit een puur verstandshuwelijk, ingegeven door diplomatieke motieven. Ramses trouwde meerdere malen tijdens zijn lange leven, maar zijn primaire koningin bleef altijd Nefertari, al stierf zij decennia voor haar echtgenoot.

Tijdens de regering van Ramses vond heel misschien ook de uittocht (exodus) van de Israëlieten uit Egypte plaats, die jaarlijks tijden het Pesachfeest herdacht wordt.[2] De Bijbelse chronologie wijst eerder op 1450 BCE en dus op de regering van Thoetmosis III, maar of die chronologie juist is, valt te betwijfelen. Daarmee is niet gezegd dat de uittocht dus tijdens de regering van Ramses II plaatsvond. Het kan in elk geval nooit om 600.000 Israëlieten (exclusief vrouwen en kinderen) zijn gegaan, zoals in de Bijbel wordt beweerd.[3] Ook de verhalen over de beruchte Tien Plagen van Egypte[4] en de vernietiging van het leger van de farao in de Rode Zee kunnen we gerust terzijde schuiven. Het is echter wel mogelijk dat de Bijbelse Israëlieten zich onder de Semitische volkeren bevonden die zich vanaf het begin van de negentiende eeuw BCE vanuit Kanaän in Egypte vestigden. Uiteindelijk leidde deze migratie tot de overheersing van Egypte door de Heka-Khasut of Hyksos, de ‘heersers van vreemde landen’. Hoewel de Hyksos uiteindelijk verdreven werden, kunnen er zeker Semieten in Egypte zijn achtergebleven. Het is dus niet ondenkbaar dat een groep Semieten ten tijde van Ramses naar Kanaän trok en daar na diverse omzwervingen neerstreek. Misschien zijn ze de Hapiru (‘nomaden’, ‘rebellen’) die in Egyptische bronnen genoemd worden en waarin we met enig inlevingsvermogen het woord Hebreeën kunnen lezen.[5] Voorzichtigheid is bij dit soort theorieën echter geboden.

De ‘Zeevolken’

Tekening van de Sjerden door James Henry Breasted (1865-1935) (Wikimedia Commons).

Al vroeg tijdens zijn regering had Ramses II te maken gekregen met piraten die Egyptische handelsschepen aanvielen. Sinds de tweede helft van de negentiende eeuw wordt in dit verband van ‘Zeevolken’ gesproken.[6] In dit specifieke geval ging het om de Sjerden of Sjardana. Mogelijk waren ze afkomstig uit het Egeïsch gebied, maar hun naam suggereert een link met het eiland Sardinië. Daarmee is natuurlijk nog niet gezegd is dat ze daar ook vandaan kwamen. Het is evengoed mogelijk dat ze op een later moment naar dit eiland migreerden en het hun naam gaven. Waar dit volk ook vandaan kwam, Ramses slaagde erin de Sjerden te verslaan. Kennelijk wist hij vervolgens met de piraten tot een vergelijk te komen, want enkele jaren later vochten er Sjerden in het Egyptische leger dat bij Kadesh strijd leverde met de Hittieten (zie hierboven). Ramses had deze krijgshaftige soldaten blijkbaar liever als bondgenoten dan als vijanden. Wel liet de farao forten aan de kust bouwen die eventuele nieuwe aanvallen moesten tegengaan.

In 1207 BCE, tijdens de regering van Ramses’ zoon Merneptah (1213-1203 BCE), werd Egypte opnieuw aangevallen door de Zeevolken. Deze hadden hun krachten gebundeld met een Libische heerser, die misschien ook de leiding had over de expeditie. In een Egyptische inscriptie uit Heliopolis wordt hij ‘de ellendige hoofdman van Libië’ genoemd. Van de Zeevolken die met de Libiër meevochten, noemt deze inscriptie alleen de Sjekelesj bij naam. Mogelijk hebben zij een link met het eiland Sicilië. Een inscriptie uit Karnak maakt duidelijk welke andere Zeevolken aan de invasie deelnamen: de Sjardana, Eqwesj, Lukka en Teresj. De Sjardana zijn hierboven reeds genoemd. De Eqwesj worden nog wel eens gelijkgesteld aan de Achaaërs (i.e. de Myceners), de Lukka moeten iets met Lycië in Klein-Azië te maken hebben en de Teresj zijn volgens Eric H. Cline mogelijk te koppelen aan de Etrusken uit Italië.[7] Het was dus nogal een bonte coalitie van onbekende oorsprong die de Nijldelta binnenviel. Merneptah wist ze echter te verslaan en maakte enkele honderden gevangenen. Van de gedode vijanden liet hij een hand afhakken om te kunnen bewijzen hoeveel hij er had afgeslacht.

Merneptah voerde ook op andere plaatsen oorlog. Hij is beroemd vanwege een stele uit 1207 BCE ter ere van zijn overwinningen, waarin voor het eerst in de geschiedenis de naam Israël valt. De relevante passage luidt:

“Weggevoerd is Asjkelon; veroverd is Gezer;
Yanoam is gemaakt tot iets wat niet bestaat.
Israël is verwoest, zijn zaad is niet meer.”[8]

Mozes steekt de Rode Zee over, wandmozaïek in de Santa Maria Maggiore in Rome.

Het gaat hier om een veldtocht in Kanaän. Asjkelon en Gezer zijn gemakkelijk te identificeren, over Yanoam wordt nog gespeculeerd. In dezelfde regio moeten we dus een volk of staat genaamd Israël plaatsen. Dit zal nog niet het koninkrijk Israël zijn waarover de Bijbel spreekt en waarvan Saul de eerste koning zou zijn geweest. Dat moet, als het daadwerkelijk heeft bestaan, later in de tijd (late elfde eeuw BCE) worden geplaatst. De chronologie van de Bijbel volgend zitten we ten tijde van Merneptah pas in periode dat de Israëlieten zich onder Jozua in Kanaän hebben gevestigd en wellicht al worden geleid door ‘rechters’ als Debora, Gideon en Simson.

Na de dood van Merneptah, die al een oude man was toen hij op de troon kwam, brak er feitelijk een burgeroorlog uit in Egypte. De farao werd opgevolgd door zijn zoon Seti II (1203-1197 BCE), wiens gezag niet werd geaccepteerd door een zekere Amenmose, die zich meester maakte van Opper-Egypte en Nubië. Seti wist hem uiteindelijk uit te schakelen, maar de chaos in Egypte bleef. Van Seti’s opvolger Siptah is niet eens bekend wie de vader was (de moeder natuurlijk wel: mater semper certa est). Deze Siptah regeerde zes jaar (1197-1191 BCE) en moest – waarschijnlijk vanwege zijn onduidelijke afkomst en zijn leeftijd – een regentes naast zich dulden: een vrouw genaamd Tawosret. Toen Siptah stierf, nam Tawosret de macht over. Ze regeerde nog zo’n twee jaar en verdween toen onder onduidelijke omstandigheden van het toneel. Mogelijk werd ze afgezet door Sethnacht, die de stichter van de Twintigste Dynastie werd, de rust terugbracht in Egypte en korte tijd op de troon zat (ca. 1189-1186 BCE). Al zijn opvolgers droegen de naam Ramses, waarmee een duidelijke verbinding werd gelegd met de voorgaande, Negentiende Dynastie. Een (verre) familieband met Ramses II is niet geheel uitgesloten, want deze grote farao had tientallen kinderen.

Ramses III verslaat de Zeevolken, reliëf uit Medinet Haboe (Wikimedia Commons).

Onder Ramses III (ca. 1186-1155 BCE) had Egypte opnieuw te leiden onder aanvallen van Zeevolken. Blijkens inscripties ging het ditmaal om een coalitie van zes volkeren. De Sjekelesj en Sjardana waren opnieuw van de partij. In de Danuna herkennen we misschien de Danaërs, dat wil zeggen de Myceense Grieken en dus wellicht de Eqwesj die dertig jaar eerder tegen Merneptah vochten. Verder namen deel de Peleset, die algemeen geïdentificeerd zijn als de Filistijnen, een ten slotte ook de Tjekker en de Wesjesj. Omstreeks het jaar 1177 BCE kwam het ergens in de Nijldelta tot een zeeslag tussen de vloot van Ramses III en die van de Zeevolken. Uiteindelijk behaalde de farao de zege, een zege die Ramses op de wanden van zijn graftempel te Medinet Haboe liet vereeuwigen. De wandreliëfs tonen ons chaotische gevechten op het water en uiteraard is weer te zien hoe gevangen genomen vijanden worden doodgeslagen. Een stapel afgehakte handen waarmee het aantal gedode vijanden kon worden vastgesteld  – al bekend uit het verslag van Merneptah – herinnert aan een latere veldtocht tegen de Libiërs, die ook weer problemen hadden veroorzaakt. Wie goed kijkt, ziet hier in de buurt een nog veel luguberder methode afgebeeld om gedode vijanden te tellen: afgesneden voorhuiden.[9] Men herinnert zich in dit verband het Bijbelse verhaal van David en Michal, een dochter van koning Saul. David kan haar krijgen voor 100 voorhuiden van Filistijnen.[10]

Het einde van de Twintigste Dynastie

Ramses IV (British Museum, Londen).

Hoewel Ramses de aanvallen van de Zeevolken wist af te slaan, kon hij niet voorkomen dat de Peleset zich als de Filistijnen in Kanaän vestigden en hun naam gaven aan de regio: Palestina. Het staat wel vast dat de Zeevolken niet in hun eentje verantwoordelijk waren voor de zogenaamde Late Bronze Age collapse, het verval van de internationale wereld zoals die aan het einde van de Bronstijd bestond. Daar waren meerdere factoren verantwoordelijk voor. Niettemin verdween bijvoorbeeld het Hittitische Rijk geheel van het toneel en nam de macht van Egypte na de lange regering van Ramses III in rap tempo af. Het land raakte de controle over Kanaän kwijt en hield op een supermacht te zijn. Daarnaast nam de macht van de farao sterk af en werd die van de priesters juist versterkt. Dit was een proces dat al langere tijd in het Nieuwe Rijk gaande was en het kan voor de eerder besproken Amenhotep IV, c.q. Echnaton (1353-1336 BCE) een reden zijn geweest de traditionele culten op te heffen, daarmee de priesters buitenspel te zetten en alle religieuze macht naar zich toe te trekken. Zijn Amarna-revolutie was echter allesbehalve geslaagd, en ten tijde van de Twintigste Dynastie moest de farao concurreren met belangrijke hogepriesters als die van Ptah in Memphis en vooral die van Amun-Re in Thebe. Het is van belang op te merken dat de beheerders van de tempels niet alleen over de tempelschatten beschikten, maar ook uitgestrekte landerijen bezaten, waarop tienduizenden Egyptenaren werkten. De tempel van Amun-Re is wel “een soort staat in de staat” genoemd.[11]

Ramses III werd in 1155 BCE vermoord na een samenzwering in zijn harem. Onder zijn opvolgers waren zeker twee en misschien drie van zijn zonen (namelijk Ramses IV, Ramses VI en wellicht ook Ramses VIII). Het moge duidelijk dat deze opvolgers het in de hierboven geschetste omstandigheden moeilijk hadden, zowel vanwege de interne als de externe dreigingen. De elfde en laatste Ramses probeerde tijdens zijn regering, die van ca. 1107 tot 1077 BCE duurde, het tij te keren. De Egyptische onderkoning van Nubië, die sinds ca. 1500 BCE over het toen geannexeerde koninkrijk Kerma heerste, kwam in conflict met de hogepriester van Thebe. De achtergronden van het conflict zijn obscuur en de betrokkenheid van Ramses XI valt niet te bewijzen, maar onderkoning Pinehesi wist uiteindelijk hogepriester Amenhotep uit zijn ambt te zetten. Ramses lanceerde daarop zijn Whm Mswt of Renaissance, maar daar bleef na zijn dood in 1077 BCE (onder onduidelijke omstandigheden) weinig van over. Zijn opvolger Smendes stichtte de Eenentwintigste Dynastie. Hij regeerde vanuit Tanis in de Nijldelta, maar de controle over Opper-Egypte was stevig in handen van de nieuwe hogepriester Herihor in Thebe. Zo ging het verdeelde Egypte de Derde Tussenperiode in.

Bronnen

  • Dieter Kessler, ‘The Political History of the Eighteenth to Twentieth Dynasties’, in: Egypt. The World of the Pharaohs, p. 150-151;
  • E.Chr.L. van der Vliet, Een geschiedenis van de klassieke Oudheid, p. 89-90;
  • Eric H. Cline, 1177 v. Chr. Het Einde van de Beschaving, p. 17-30, 111-115 en 122-129;
  • Manfred Gutgesell, ‘The Military’, in: Egypt. The World of the Pharaohs, p. 368-369.

Noten

[1] Exodus 1:11 en Numeri 33:3.

[2] Hierover Cline, p. 122-129, de belangrijkste bron voor de navolgende passage.

[3] Exodus 12:37.

[4] Nijlwater in bloed veranderd, kikkerplaag, muggenplaag, steekvliegenplaag, pest onder het vee, ontstekingen en etterende puisten, een vernietigende hagelbui, een sprinkhanenplaag, een dichte duisternis en het doden van alle eerstgeborenen (zie Exodus 7-11). Doordat de Israëlieten hun deurposten met het bloed van een lam of bokje bestreken wist God waar zij woonden en ging hij aan hen voorbij (‘pasach’ = voorbijgaan, vandaar Pesach of ‘Passover’ in het Engels). Zie Exodus 12.

[5] Vgl. Kessler, p. 150.

[6] De term is afkomstig van Emmanuel de Rougé.

[7] Cline, p. 24-26. De koppeling aan de Etrusken is vreemd, want doorgaans wordt het begin van de Etruskische cultuur drie eeuwen later gedateerd. Het argument is wellicht dat de term Teresj etymologisch te koppelen is aan Tyrrheniërs, de Griekse naam van de Etrusken. Misschien waren de Teresj vertegenwoordigers van de Villanovacultuur, die aan de Etrusken voorafging.

[8] Geciteerd in Cline, p. 126 (vertaling: Corrie van den Berg en Carola Kloos).

[9] De inscriptie van Merneptah te Karnak vermeldt expliciet dat de Sjerden, Sjekelesj en Eqwesj geen voorhuid hadden. Ze waren dus besneden.

[10] 1 Samuël 18:25.

[11] Van der Vliet, p. 89.

One Comment:

  1. Pingback:A brief history of Ancient Egypt: the New Kingdom (part 3) – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.