De strijd om het Binnenhof: Johan Rudolph Thorbecke

Johan Rudolph Thorbecke op een schilderij van Johan Heinrich Neuman (Rijksmuseum, Amsterdam).

De vijfde aflevering van De strijd om het Binnenhof is gewijd aan Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872). Deze aflevering is misschien wel de beste in de reeks, en dat komt vooral door de historici die aan het woord komen: naast uiteraard Thorbecke-biograaf Remieg Aerts zijn dat Mathijs van de Waardt, de biograaf van Dirk Donker Curtius (1792-1864), en Dik van der Meulen, die een biografie over Koning Willem III schreef, het staatshoofd dat een grondige hekel aan Thorbecke had. Ook premier Mark Rutte mag als groot bewonderaar van Thorbecke in de aflevering commentaar leveren. Zoals we weten van diens coronatoespraken siert een portret van de grote staatsman Ruttes werkkamer in het Torentje. Hetzelfde Torentje waar Thorbecke als minister van Binnenlandse Zaken in 1849 zijn intrek nam. In feite was hij toen minister-president van Nederland, al bestond die functie formeel nog niet.

Vroege jaren

Johan Rudolph Thorbecke werd in de nacht van 14 op 15 januari 1798 geboren in Zwolle. Zijn ouders waren Frederik Willem Thorbecke en Christine Regina Thorbecke-Thorbecke, neef en nicht. De Thorbeckes waren van oorsprong Duitse immigranten, kooplieden in linnen die zich uit economische motieven in de Republiek hadden gevestigd. Thorbeckes grootvader Franz Heinrich was vanuit Borgholzhausen in Noordrijn-Westfalen naar Zwolle verhuisd en had zijn naam vernederlandst tot Frans Hendrik. De familie was bovendien luthers. Lutheranen waren weliswaar protestanten, maar stonden in de Republiek toch niet op hetzelfde niveau als leden van de onofficiële gereformeerde (calvinistische) staatskerk. Daarin verschilden ze niet van andere protestanten – zoals doopsgezinden en remonstranten – en katholieken en joden. De vergelijking dringt zich op met de familie van Rutger Jan Schimmelpenninck, die in de vorige aflevering aan de orde kwam en die een doopsgezinde vader had. Maar waar het gezin Schimmelpenninck het financieel redelijk goed had, groeide Johan Rudolph Thorbecke op in armoede.

Huis van Thorbecke aan de Garenmarkt in Leiden.

Vader Frederik Willem had na het verlaten van het familiebedrijf geen werk meer en moest gedwongen geld lenen. Daardoor had hij echter wel alle tijd van de wereld om zich aan zijn levensproject te wijden: zijn zoon. De jonge Johan Rudolph kreeg zo’n veertien uur per dag intensief thuisonderwijs in allerhande vakken. Het jongetje moest een geleerde worden en het maatschappelijke succes oogsten dat aan de neus van zijn vader voorbij was gegaan. Uiteindelijk kon Thorbecke gaan studeren en ook promoveren in Leiden. Na zijn promotie in 1820 kon hij met een beurs naar Duitsland waar hij zijn ideeën over politiek en staatsrecht vormde. Na een hoogleraarschap in Gent werd Thorbecke in 1831 hoogleraar in Leiden, waar hij zich vestigde in een nog steeds bestaand pand aan de Garenmarkt. In 1836 trouwde hij met de veel jongere Adelheid Solger (1817-1870), de dochter van een Duitse hoogleraar. De echtelieden hielden zielsveel van elkaar, zoals moge blijken uit de vertederende briefjes die in de aflevering worden voorgelezen.

De Grondwet

In zijn colleges besteedde Thorbecke veel aandacht aan de Grondwet. De toekomstige staatsman had scherpe kritiek op dit document uit 1815, kritiek die werd gebundeld in de publicatie “Aanteekening op de Grondwet” uit 1839. De kritiek richtte zich onder meer op de positie van de Koning, en dan vooral op financieel-economisch terrein. De Grondwet bepaalde namelijk dat het parlement voor gewone uitgaven slechts eens in de tien jaar toestemming moest geven.  Alleen voor buitengewone uitgaven werd de begroting jaarlijks vastgesteld. Op papier was dit al niet veel soeps, en in de praktijk ging Koning Willem I als verlicht despoot gewoon zijn eigen gang. Dat had tijdens de Belgische opstand tot rampzalige financiële gevolgen geleid. Na de Tiendaagse Veldtocht in 1831 had de Koning duizenden soldaten negen jaar lang onder de wapenen gehouden, wat veertig procent van het jaarlijkse staatsbudget opslokte. Thorbecke vond dus dat de positie van het parlement versterking behoefde, maar voor aanpassing van de Grondwet was wel medewerking van de Koning zelf nodig.

Koning Willem I, verlicht despoot.

Koning Willem I bleek in 1840 nog bereid te zijn mee te werken aan de grondwetsherziening van dat jaar, maar die medewerking bleek bij nadere bestudering niet volledig te zijn. Drie artikelen over de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid, de invoering van het contraseign (de handtekening van een minister naast die van de koning) en de Hoge Raad als forum privilegiatum konden pas drie dagen na de abdicatie van Willem I in werking treden, toen zijn zoon en opvolger daartoe een apart koninklijk besluit vaststelde. Deze Willem II was een kunstminnende soldaat, die nog teerde op de roem die hij bij Waterloo in de strijd tegen Napoleon had verworven (al was zijn optreden tegen de Belgische opstandelingen op een faliekante mislukking uitgelopen). Voorstanders van meer bevoegdheden voor het parlement konden onmogelijk tevreden zijn met de grondwetsherziening van 1840. Onder deze malcontenten was uiteraard Thorbecke. In mei 1844 werd hij lid van de Tweede Kamer en samen met acht bondgenoten – gezamenlijk de Negenmannen – probeerde hij een verdergaande grondwetsherziening te initiëren. Dat mislukte, want de Tweede Kamer weigerde in 1845 hun voorstel in behandeling te nemen.

Het spook van de revolutie

Ondertussen was de economische malaise in Nederland groot. Er was sprake van mislukte oogsten, hongersnoden en ziektes. In de aflevering wordt dit geïllustreerd aan de hand van het weinig bekende aardappeloproer in Harlingen. Op 24 juni 1847 plunderde een menigte het Engelse stoomschip de Magnet dat in de haven van dit Friese plaatsje voor anker lag. Zulke verstoringen van de openbare orde waren voor de autoriteiten bijzonder lastig, maar tot een revolutie zouden de gebeurtenissen niet snel leiden. Daarvoor hadden de plunderaars onvoldoende organisatie en bovendien hadden ze ook geen politiek programma. De sociale onvrede moest dus gekoppeld worden aan de activiteiten van mensen die wel enige organisatie hadden, en dat waren over het algemeen de gegoede burgers met hun liberale denkbeelden. Zij hadden wel plannen voor hervormingen. Ze eisten een moderne grondwet en uitbreiding van het kiesrecht, maar moesten daarvoor weer de Koning zien mee te krijgen. Dat lukte toen in 1848 het spook van de revolutie door Europa waarde en bovendien Koning Willem II chantabel bleek vanwege zijn relaties met mannen. Op 13 maart 1848 was de Koning in één nacht van conservatief liberaal geworden.

Vergaderzaal van de Eerste Kamer, met aan de wand het portret van Koning Willem II.

De gewijzigde opstelling van Koning Willem II leidde op 17 maart 1848 tot de instelling van een staatscommissie onder leiding van Thorbecke. Op 12 april van hetzelfde jaar was haar rapport met een voorstel tot grondwetsherziening al klaar. De grondwetsherziening van 1848 zou vervolgens als de belangrijkste in de Nederlandse parlementaire geschiedenis de boeken ingaan. Zij bracht onder meer rechtstreekse verkiezing van de Tweede Kamer, de verkiezing van de Eerste Kamer door provinciale staten, de invoering van de politieke ministeriële verantwoordelijkheid, de invoering van de rechten van amendement, interpellatie en enquête[1], alsook het recht van de regering om de Kamers te ontbinden. Het parlement moest bovendien voortaan ieder jaar met de begroting instemmen. Ten slotte bracht de Grondwet van 1848 ook iets waar lutheranen, doopsgezinden, remonstranten, katholieken en joden, hoe zeer ze onderling ook van mening verschilden, altijd naar gesnakt hadden: vrijheid van godsdienst.

Thorbecke had stellig een hoofdrol gespeeld bij de totstandkoming van de nieuwe Grondwet, maar is het wel helemaal correct om deze als ‘de Grondwet van Thorbecke’ te kwalificeren? De aflevering ontrukt in dit verband terecht de advocaat Dirk Donker Curtius (1792-1864) aan de vergetelheid. Thorbecke was Tweede Kamerlid noch minister, dus het was aan minister van Justitie en lid van de staatscommissie Donker Curtius om de grondwetsvoorstellen door beide Kamers te loodsen. Dat kon hij ook veel beter dan Thorbecke, want die laatste was nogal rechtlijnig en had een behoorlijke eigendunk. Hij was “geen compromissenmachine”, aldus Mark Rutte. Donker Curtius was dat als pragmatisch politicus veel meer. Dankzij een briljant idee van een van zijn ambtenaren kon bovendien een patstelling rondom de Eerste Kamer worden doorbroken. De regering wenste de Senaat rechtstreeks te laten verkiezen, maar de conservatieve Tweede Kamer was voor handhaving van het benoemingsrecht van de Koning. Als compromis werd voor verkiezing door provinciale staten gekozen. Die hadden tot dan toe de Tweede Kamer gekozen en zouden voortaan in plaats daarvan de Eerste verkiezen. Dat doen ze vandaag de dag nog steeds.

Zicht op het Binnenhof, met uiterst links het Torentje.

De facto premier

Portret van Koning Willem III (Museum Prinsenhof, Delft).

Na de grondwetsherziening van 1848 werd Thorbecke driemaal tot minister van Binnenlandse Zaken benoemd. Hij bekleedde het ambt tussen 1849 en 1853, tussen 1862 en 1866 en van 1871 tot aan zijn dood in 1872. Het ‘moederdepartement’ van Binnenlandse Zaken hield zich met werkelijk alle binnenlandse aangelegenheden bezig. Pas later zijn terreinen zoals onderwijs, kunst, infrastructuur en werkgelegenheid ervan afgesplitst en bij aparte ministeries ondergebracht. Als minister van Binnenlandse Zaken was Thorbecke de facto premier van Nederland. Daarvoor moest hij wel kunnen samenwerken met Koning Willem III, die zijn begin 1849 overleden vader was opgevolgd en tot 1890 op de troon zou zitten. Willem III was een kindse, moeilijke man. Hij moest niets van de hervormingen van 1848 weten en was het liefst een groot veldheer geworden, iets waarvoor hij ieder talent ontbeerde (de ‘Waterheld van ’t Loo’ in plaats van de ‘Held van Waterloo’). Hoewel Thorbecke ook geen gemakkelijk karakter had, kon hij de Koning goed aan. Thorbecke was intellectueel superieur aan de vorst en was bijzonder dominant. Niet voor niets noemde Remieg Aerts zijn Thorbecke-biografie Thorbecke wil het.

De aflevering staat ten slotte stil bij de prestaties die Thorbecke als minister leverde. Staatsrechtgeleerden en politicologen kennen hem wellicht vooral van belangrijke wetgeving als de Kieswet, de Provinciale wet, de Gemeentewet en de Onteigeningswet, maar de aflevering richt zich op zijn inzet voor collectieve voorzieningen als spoorwegen. Thorbecke speelde een cruciale rol bij de keuze van een locatie voor het Centraal Station in Amsterdam. In plaats van aan de zuidzijde van de stad kwam dit uiteindelijk tegen het IJ aan het te liggen. De daadwerkelijke bouw van het station begon overigens pas na Thorbeckes dood. In 1889 werd het station geopend, compleet met koninklijke wachtkamer. Koning Willem III, nog altijd in leven, weigerde er gebruik van te maken. Hij had niet alleen een hekel aan Thorbecke, maar ook aan de katholieke architect van het Centraal Station, Pierre Cuypers. Heel kort staat de aflevering nog stil bij de Hogere Burgerschool of HBS, in 1863 op instigatie van Thorbecke ingevoerd. De beperkte aandacht is jammer, maar een aflevering van de IJzeren Eeuw ging er gelukkig eerder al op in.

Amsterdam Centraal.

Noot

[1] Beide Kamers bezitten het recht van interpellatie. Het recht van amendement komt daarentegen alleen aan de Tweede Kamer toe. De Eerste Kamer verwierf in 1887 het recht van enquête, maar heeft hier nog nooit gebruik van gemaakt.

2 Comments:

  1. Kees van Essen

    Kleinigheid. Tot twee keer toe staat in uw artikel dat Provinciale Staten de leden der Eerste Kamer kiezen.
    Tegenwoordig is zo dat de leden van PS de leden van de Eerste Kamer kiezen. Leden van PS of PS, het maakt echt uit!

  2. Het maakt inderdaad uit. Verkiezing van de Eerste Kamer door de leden van provinciale staten dateert van 1922 en is tegelijk met de evenredige vertegenwoordiging ingevoerd. De zinnen die u citeert, slaan op de grondwetswijziging van 1848, die verkiezing van de Senaat door provinciale staten als orgaan introduceerden. Het gebruik van ‘provinciale staten’ is in die context dus juist, al is het “Dat doen ze vandaag de dag nog steeds” niet helemaal correct.

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.