Het grafmonument van Viglius van Aytta

Het grafmonument van Viglius van Aytta.

Hoe kan het dat de vermaarde Friese jurist Viglius van Aytta (1507-1577) na zijn dood werd bijgezet in een kapel van de Sint-Baafskathedraal in Gent? Wie de in 2018 verschenen publieksbiografie van Viglius, geschreven door Kees Sluys, erbij pakt, hoeft niet verder dan de omslag te lezen om het antwoord te vinden. Sluys omschrijft daar Viglius als een ‘Friese Europeaan avant la lettre’. Dat is inderdaad een treffende omschrijving van de man die op 19 oktober 1507 werd geboren in de buurt van het Friese gehucht Swichum, even ten zuiden van Leeuwarden. Het jongetje kreeg de naam Wigle, wat in het Latijn Viglius werd. De talenten van Wigle werden al snel opgemerkt door zijn invloedrijke oom Bernard Bucho van Aytta (1464-1528), een man die in Leuven had gestudeerd en contact onderhield met de grote Erasmus.

Universitaire carrière

Het was Bernard Bucho die zijn neef op pad stuurde om ook te gaan studeren. Die studie zou de jongeman door grote delen van Europa voeren. Het traject begon in 1522 in Leuven, waar Viglius zich vanaf 1524 specifiek zou gaan toeleggen op de rechtenstudie. Omdat het onderwijs in Leuven vrij ouderwets was, maakte hij in 1526 de overstap naar de universiteit van Dôle in de Franche-Comté. Aangezien Viglius graag wilde studeren bij de beroemde humanistische rechtsgeleerde Andreas Alciatus (1492-1550) reisde hij naar Avignon. Daar bleef hij niet lang, want Alciatus had inmiddels een betrekking aanvaard aan de universiteit van Bourges. Viglius promoveerde vervolgens eerst op 8 mei 1529 tot doctor in de rechtsgeleerdheid in Valence, om daarna door te reizen naar Bourges en enige tijd de zeer gewaardeerde assistent van Alciatus te zijn. In die hoedanigheid gaf hij ook colleges, die uitermate populair bij de studenten waren.

Na een bezoek aan Erasmus in Freiburg kwam Viglius eind 1531 aan in Padova, waar hij verder studeerde en ook doceerde aan de beroemde, al in 1222 gestichte universiteit. In oktober 1533 verliet hij Padova en leek hij zich op te maken voor een carrière in de échte wereld. Viglius werd benoemd als kerkrechter voor de bisschop van Münster en werd later door keizer Karel V benoemd in het Rijkskamergerecht, zodat hij zich in juli 1535 in het Duitse Spiers vestigde. Spoedig lonkte de universitaire wereld echter weer, want eind 1537 kon Viglius op 30-jarige leeftijd aan de slag als hoogleraar aan de universiteit van Ingolstadt.

Bestuurder en diplomaat

Viglius, in het rood met witte baard, op de Viglius-triptiek. Links van hem Karel V en Filips II.

In deze jaren voerde keizer Karel V, tevens landsheer van de Nederlanden, een centralistische politiek, bedoeld om de zeventien Nederlandse gewesten een uniform, centraal bestuur te geven. Daarbij bediende hij zich van verschillende bestuursorganen en rechterlijke colleges, namelijk de Raad van State, de Geheime Raad, de Raad van Financiën en de Grote Raad van Mechelen. Het was de vurige wens van Viglius om in de laatste Raad benoemd te worden, het hoogste rechtscollege in de Nederlanden. Het lidmaatschap van de Grote Raad zou hem namelijk niet alleen aanzien opleveren, maar ook voldoende tijd om zich te wijden aan studie, filosofie en poëzie. Het zou anders lopen, want keizer Karel wenst hem elders in te zetten. De keizer – die eerder nog de opvoeding van zijn zoon, de toekomstige Filips II, aan Viglius had willen opdragen – benoemde de Friese jurist in april 1542 tot lid van de Geheime Raad. De naam van dit college is wellicht wat misleidend: de Geheime Raad hield zich niet bezig met geheime operaties, maar met algemene regelgeving en rechtspraak. De Raad bestond uit beroepsambtenaren. Velen van hen hadden, net als Viglius, een juridische achtergrond.

Al in mei 1543 werd Viglius conform zijn grote wens alsnog benoemd in de Grote Raad van Mechelen. Die toezegging had landvoogdes Maria van Hongarije, de zuster van Karel V, hem nu eenmaal gedaan. Al snel bleek echter hoe onmisbaar Viglius in de Geheime Raad was, en eind 1543 was hij alweer terug op zijn post. Per 1 januari 1549 fungeerde hij als voorzitter van de Raad. Vijf jaar later werd hij ook nog eens lid en voorzitter van de Raad van State, het orgaan dat over het politieke beleid adviseerde. In de Raad van State zou Viglius spoedig te maken krijgen met een jonge Duitse edelman genaamd Willem van Oranje. Waar Viglius de centralistische koers van Karel V en – vanaf 1555 – Filips II steunde, behartigden Willem en zijn bondgenoten de graven van Egmond en Horn juist de belangen van de plaatselijke adel. Politieke botsingen tussen deze grote mannen bleven dan ook niet uit.

Viglius was de trouwe, maar geenszins kritiekloze adviseur van vele belangrijke personen. Hij diende met zijn scherpzinnige juridische intellect Karel V, diens zuster Maria van Hongarije, diens zoon Filips II en dochter Margaretha van Parma (door Karel verwekt bij het Vlaamse dienstmeisje Johanna van der Gheynst). Viglius stond op goede voet met vader Nicolas en zoon Antoine Perrenot de Granvelle, beiden vooraanstaande adviseurs van Karel en Filips. Als diplomaat verrichtte hij veel belangrijke activiteiten. Zo had hij verreweg het meeste voorbereidende werk gedaan voor het in 1548 getekende verdrag van Augsburg, bedoeld om de Nederlanden los te weken uit het verband van het Heilige Roomse Rijk (waartoe de meeste gewesten formeel nog behoorden). Ook bij het vredesverdrag tussen Spanje en Frankrijk van 1559 speelde hij een voorname rol.

Sint-Baafs

Sint-Baafskathedraal in Gent.

Viglius trouwde in 1543 met Jacquelina Damant, dochter van de schatbewaarder van Karel V. Aan het huwelijk kwam in 1552 met haar dood een einde. Het stel had geen kinderen gekregen en Viglius besloot niet te hertrouwen. Naarmate hij ouder werd gaf hij steeds vaker bij zijn politieke bazen aan dat hij terug wilde treden, maar altijd hielden ze hem weer een wortel voor waardoor hij besloot te blijven in de Geheime Raad en Raad van State. De vetste kluif volgde in 1563, toen Viglius werd benoemd als gemijterde proost (praepositus mitratus) van de Sint Baafsabdij in Gent. De abdij zelf bestond overigens niet meer: na een opstand van de Gentenaren tegen zijn bewind (en belastingheffing) had keizer Karel in 1540 de abdij laten afbreken en vervangen door een dwangburcht. De proost en zijn kapittel van kanunniken waren verplaatst naar de Sint-Janskerk in het centrum van de rijke Vlaamse stad. Deze werd omgedoopt tot Sint-Baafs en verkreeg in 1559 de status van kathedraal. Door zijn benoeming tot proost – waarvoor hij tot priester moest worden gewijd – kreeg Viglius er dus veel status en een extra bron van inkomsten bij. In 1564 werd hij ook nog eens benoemd tot kanselier van de Orde van het Gulden Vlies, de in 1430 door hertog Filips de Goede opgerichte ridderorde.

De komst van de hertog van Alva in 1567 kondigde de langzame aftocht van Viglius aan. De IJzeren Hertog was door Filips II gezonden om de ketters en beeldenstormers hard aan te pakken. Viglius was overtuigd katholiek en onvoorwaardelijk regeringsgezind, maar geen voorstander van een harde aanpak van ketters en andere wetsovertreders. Daarvoor was hij te zeer humanistisch gevormd. Bovendien moest hij de protestanten toegeven dat er sprake was van vele misstanden binnen de katholieke kerk, variërend van priesters zonder enige opleiding tot monniken die alle kloosterregels aan hun laars lapten. Dat gegeven leidde echter niet meteen tot sympathie voor de protestantse zaak, want veel protestanten waren hem veel te rechtlijnig en intolerant. Meer en meer verdween Viglius naar de achtergrond. In 1569 werd hij ontheven van het voorzitterschap van de Geheime Raad, om vervolgens tussen april 1573 en september 1575 weer in de functie hersteld te worden. Tanende invloed of niet, men kon niet om Viglius van Aytta heen. Al die tijd bleef Viglius ook voorzitter van de Raad van State. In 1576 plaatsten aanhangers van Willem van Oranje hem zelfs enige tijd onder huisarrest.

Tekst op het grafmonument van Viglius van Aytta.

Monument

Viglius van Aytta uit het Friese Swichum overleed op 8 mei 1577, 69 jaar oud. Zijn grafmonument bevindt zich in de aan de heilige Nicolaas gewijde kapel van de Sint-Baafskathedraal, zijnde de eerste kapel van het koor aan de rechterzijde. Het grafmonument, waarvan ik de maker niet heb kunnen achterhalen, is tamelijk eenvoudig. Een gisant of liggende gestalte van de overledene ontbreekt; we zien alleen een sarcofaag in een door zuilen gedragen nis. Op het middelste van de drie op het monument aangebrachte wapenschilden herkennen we de mijter van de proost en de korenschoof, het vaste symbool van Viglius. Een lange Latijnse tekst bezingt zijn wapenfeiten en trouwe dienst aan keizer Karel V en zijn zoon, koning Filips II. Helemaal onderaan vinden we de drie Latijnse woord die de wapenspreuk van Viglius vormden: VITA MORTALIVM VIGILIA, “het leven van stervelingen is een nachtwake”. Het zijn mooie, maar raadselachtige woorden. Ze worden veel geciteerd, maar zelden toegelicht. De spreuk lijkt ontleend te zijn aan Plinius de Oudere, die in het voorwoord van zijn Naturalis Historia de woorden “vita vigilia est” schreef. De betekenis van beide spreuken lijkt te zijn dat het leven kort is, zodat het zaak is er het meeste uit te halen, bijvoorbeeld door ’s nachts door te werken en geen tijd te verspillen aan nodeloze slaap.

Viglius-triptiek – Frans Pourbus.

Tegenover het grafmonument hangt de Viglius-triptiek. Het betreft een drieluik geschilderd door de jong gestorven Frans Pourbus (1545-1581) uit Brugge. Tussen de besnijdenis en doop van Christus (de zijpanelen) zien we een centrale voorstelling van Christus die discussieert met de Schriftgeleerden. Onder hen herkennen we veel belangrijke figuren uit de zestiende eeuw, zowel katholieken als protestanten. Zowel aan de linker, overwegend katholieke zijde als aan de rechter, overwegend protestantse zijde is een man in een rood gewaad met een witte baard geschilderd. Volgens velen is het Viglius zelf (detailafbeelding hierboven).

De Viglius-triptiek is beroemd, maar natuurlijk niet zo beroemd als dat andere werk dat in de Sint-Baafskathedraal te bewonderen is: het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck. Tijdens de Beeldenstorm in 1566 kon dit meesterwerk gelukkig op tijd verborgen worden. Vermoedelijk was dit niet direct een verdienste van Viglius. De eer lijkt in dit geval eerder naar de secretaris van het kapittel te moeten gaan, Cornelis Breydel[1], al zijn er ook auteurs die Viglius wel degelijk als een van de redders zien.[2] Er is in elk geval ook nog een andere connectie tussen het Lam Gods en Viglius van Aytta: ooit is in de Sint-Nicolaaskapel gezocht naar het in 1934 gestolen paneel van de Rechtvaardigde Rechters. Een afperser die geld had geëist voor de terugkeer van het paneel had zijn brieven ondertekend met D.U.A. Amateurspeurder Gaston De Roeck (1937-2005) meende dat die letters ook op het grafmonument van Viglius voorkwamen. Daarop stond immers D. VIGLIO AYTTA te lezen, waarbij in het Latijn de letter V ook een U is. Er werd gezocht in de kapel, maar niets gevonden. Het paneel is nog steeds zoek.

Het Lam Gods.

Dit is deel 17 in de serie ‘Grafmonumenten’.

[1] Aldus Kees Sluys, Viglius van Aytta. Friese Europeaan avant la lettre, p. 87.

[2] Tom de Smet & Wannes Roelant, Verkocht, gestolen en bijna vernietigd. De turbulente geschiedenis van het Lam Gods, p. 178.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.