Filibuster in de Oudheid

Het Senaatsgebouw op het Forum Romanum.

De term ‘filibusteren’ verwijst naar politici die in het parlement eindeloze redevoeringen houden. Ze praten over allerhande onderwerp die eigenlijk niet ter zake doen, met als enige doel te voorkomen dat het debat kan worden gesloten en een stemming kan plaatsvinden. Voor zover ik weet, moeten we voor de oudste bekende voorbeelden van filibusters teruggaan naar het oude Rome. Deze bijdrage gaat over filibusters in de Romeinse Senaat ten tijde van de (Late) Republiek.

De Romeinse Senaat nader bekeken

De Senaat was het belangrijkste adviesorgaan in het Republikeinse Rome. Anders dan de andere Romeinse staatsinstellingen had de Senaat een zeker permanent karakter. De gekozen Romeinse magistraten hadden doorgaans een ambtstermijn van slechts een jaar en de volksvergaderingen konden alleen bijeenkomen wanneer ze waren samengeroepen door een magistraat. Dit kon weer alleen op bepaalde dagen, de dies fasti et comitiales, en vereiste het volgen van ingewikkelde procedures. Een vergadering van de Senaat was daarentegen zo geregeld. Dit orgaan kon op vrijwel iedere dag van de week bijeenkomen, zelfs op zogenaamde dies nefasti (‘verboden dagen’). Senatoren werden bovendien niet gekozen, maar benoemd door de censors, en doorgaans voor het leven. Bij slecht gedrag konden ze overigens wel weer uit de Senaat verwijderd worden. Tijdens de Late Republiek was dat ook bepaald niet ongebruikelijk: in 70 BCE werden maar liefst 64 van de 600 senatoren – meer dan 10 procent – van de lijst met senatoren geschrapt.

Niettemin was het verbannen van senatoren uit de Senaat de uitzondering en een levenslang lidmaatschap van het orgaan de regel. De korte ambtstermijnen van de magistraten, gecombineerd met het niet-permanente en massale karakter van de volksvergaderingen (waarin iedere volwassen mannelijke burger stemrecht had), maakte van de Senaat een zeer machtige speler in de steeds maar groeiende Romeinse Republiek. Als het onwenselijk was bepaalde taken bij de andere staatsinstellingen te beleggen, werden ze al snel aan de Senaat toegekend, formeel of informeel. Omdat de Romeinen geen geschreven grondwet kenden, noch een ander soort wet waarin de bevoegdheden van de Senaat waren opgesomd, werd het al snel moeilijk een onderscheid te maken tussen bevoegdheden die de Senaat de iure en de facto bezat. Het was echter zonneklaar dat de Senaat veel macht en gezag had. Bovendien hadden de senatoren alle tijd van de wereld voor hun politieke activiteiten, want leden van de Romeinse adel hoefden niet te werken. Senatoren leefden simpelweg van de opbrengsten van hun land en konden al hun tijd besteden aan de zorg voor de res publica.

Het Forum Romanum anno nu.

Zoals hierboven reeds werd uitgelegd, kon de Senaat in principe op iedere dag van de week bijeenkomen. Een Senaatsvergadering duurde van zonsopgang tot zonsondergang. Later beginnen was toegestaan, maar na zonsondergang doorvergaderen was verboden. Als de Senaat een besluit wilde nemen – een senatus consultum – dan moest de beraadslaging wel voor zonsondergang gesloten worden. Met de inzet van het instrument van de filibuster konden senatoren een stemming verhinderen. Er golden geen spreektijdbeperkingen en zelfs de eenvoudigste pedarius of backbencher mocht zo lang spreken als hij wilde. De Latijnse term voor filibusteren is diem consumere, wat letterlijk ‘de dag opmaken’ betekent. Afgaande op de antieke bronnen lijkt het erop dat senatoren pas ten tijde van de Late Republiek besef kregen van de mogelijkheden die het instrument van de filibuster bood. Misschien werden ze voor die tijd in toom gehouden door gebruiken in de Senaat of gentlemen’s agreements. Wellicht was het gewoon ‘not done’ om Senaatsprocedures te frustreren.

Voorbeelden van Romeinse politici die het instrument gebruikten zijn de volkstribuun en demagoog Publius Clodius Pulcher en de beroemde senator Marcus Porcius Cato. Vooral Cato’s gebruik van het instrument is erg interessant, want het toont overduidelijk aan dat andere politici machteloos stonden tegenover een collega die de hele dag wilde verbruiken met een redevoering.

Caesars landwet

Al in zijn eigen tijd stond Marcus Porcius Cato de Jongere bekend om zijn soberheid (al dronk hij stevig), zijn onkreukbaarheid, zijn directheid en zijn aartsconservatieve opvattingen over het wezen van de Romeinse Republiek. Cato had een gruwelijke hekel aan hervormingsgezinde politici als Gaius Julius Caesar. Hij geloofde – en daar had hij zeker een punt – dat hun plannen voor landhervormingen, die bestonden uit een herverdeling van staatsland onder arme Romeinen, politiek gemotiveerd waren en slechts waren bedoeld om de populariteit van de hervormers bij de gewone man te vergroten.

Buste van Caesar (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

In januari van het jaar 59 BCE, het jaar waarin hij als consul diende, verdedigde Caesar zijn voorstel voor een lex agraria in de Senaat. De felste kritiek op het voorstel zou van Cato komen. Aanvankelijk leek er echter geen vuiltje aan de lucht voor Caesar. De hoogste magistraten en voormalige magistraten hielden hun redevoeringen en lieten zich daarbij mild uit over het wetsvoorstel. Toen was het echter Cato’s beurt om de Senaat toe te spreken. Cato was slechts quaestor geweest, het laagste ambt van de cursus honorum, en daarna volkstribuun, maar hij slaagde erin de stemming over Caesars landwet te voorkomen door eindeloos over allerhande onderwerpen te oreren.

Nu bestonden er wel informele manieren om een senator te bewegen zijn rede te beëindigen. Collega-senatoren konden door middel van boegeroep, gesis en andere geluiden en gebaren hun afkeur duidelijk maken. De deuren van het Senaatsgebouw stonden tijdens de vergaderingen altijd open, dus ook de mensen buiten konden zich verbaal met het debat binnen bemoeien. Er was echter maar één formele manier waarop een spreker het zwijgen kon worden opgelegd: de magistraat die de vergadering voorzat – in dit geval de consul, dus Caesar – moest hem dan fysiek uit het Senaatsgebouw laten verwijderen. En dat was precies wat Caesar, gebruikmakend van zijn imperium, besloot te doen. Ook al was deze maatregel zonder meer rechtmatig, ze was ook buitengewoon controversieel en viel niet in goede aarde bij een groot deel van de andere senatoren. Volgens de overlevering zou een senator de Curia hebben verlaten met de mededeling dat hij liever in de gevangenis zat bij Cato dan in het Senaatsgebouw bij Caesar. Cato kon nu klagen dat hij het slachtoffer was van een tiran en Caesar leed met zijn actie een beschamende politieke nederlaag: de Senaat nam geen beslissing meer over zijn wetsvoorstel.

Ook al moet het voor magistraten als Caesar zeer frustrerend zijn geweest dat de Senaat niet tot stemming kon overgaan vanwege het handelen van senatoren als Cato, we moeten ons wel realiseren dat er grote verschillen zijn aan te wijzen tussen de taken en bevoegdheden van de Romeinse Senaat en die van – bijvoorbeeld – de Senaat van de Verenigde Staten. De Amerikaanse Senaat is onderdeel van de wetgevende macht en kan wetsvoorstellen aannemen of verwerpen. In het Republikeinse Rome lag die bevoegdheid bij de volksvergaderingen. De Romeinse Senaat gaf slechts advies over wetsvoorstellen, en hoewel zijn advies zeer gezaghebbend was, was het uiteindelijk aan het soevereine volk van Rome om te beslissen over het lot van een wetsvoorstel dat een Romeinse magistraat had ingediend. Cato’s filibuster kon niet verhinderen dat Caesar zijn landwet alsnog aan de volksvergadering voorlegde, waar het voorstel met grote meerderheid werd aangenomen. Dat ging overigens letterlijk niet zonder strijd. Vlak voor de stemming had iemand namelijk nog een emmer mest uitgestort over het hoofd van Caesars ambtsgenoot (en politieke tegenstander) Bibulus.

Kandidaat of triomftocht

Gnaeus Pompeius (Museo Archeologico Nazionale di Venezia).

Cato bediende zich vaker van het instrument van de filibuster, bijvoorbeeld in de jaren 60 BCE. In 62 BCE stuurde de proconsul Pompeius vanuit Asia Minor een verzoek aan de Senaat om de verkiezingen voor de consuls voor het jaar 61 uit te stellen. Hij wilde namelijk persoonlijk naar Rome kunnen afreizen om zijn bondgenoot Piso te steunen, die kandidaat was voor het consulaat. De bevoegdheid om de verkiezingen te verplaatsen berustte bij de zittende consuls, om precies te zijn bij de consul die als voorzitter bij deze verkiezingen zou optreden. Deze zou echter nooit een zo verstrekkende beslissing als het uitstellen van een verkiezing nemen zonder eerst advies te vragen aan het belangrijkste adviesorgaan in het oude Rome: de Senaat. Door middel van een filibuster voorkwam Cato echter dat de Senaat zijn advies kon geven. Daarmee blokkeerde hij tevens dat de verkiezingen naar een latere datum werden verplaatst, want de consul die als voorzitter moest optreden wilde duidelijk geen beslissing hierover nemen zonder steun van de Senaat. Voor Piso maakte dit overigens niet zoveel uit: hij werd ook zonder dat Pompeius fysiek aanwezig was tot consul gekozen.

In 60 BCE behaalde Cato een klinkende politieke zege op Caesar, een zege die de toch al problematische relatie tussen de twee rivalen verder verslechterde. In het voorafgaande jaar was Caesar propraetor in een van de Spaanse provincies geweest. Hij had enkele overwinningen op de Spaanse stammen behaald, was door zijn manschappen als imperator (zegevierende generaal) toegejuicht en kon op grond daarvan een triomftocht vragen als hij terug was in Rome. Een triomftocht was de hoogste eer die een Romeinse generaal ten deel kon vallen: op de dag van de triumphus reed hij in zijn strijdwagen door de straten van Rome, in de kledij van de oppergod Jupiter Optimus Maximus en met roodbeschilderd gezicht. Nooit kwam hij dichter in de buurt van goddelijkheid dan op die dag.

De Tempel van Jupiter Optimus Maximus op de Capitolijn (Capitolijnse Musea, Rome).

Caesar had echter een probleem. Hij wilde zich namelijk kandidaat stellen voor het consulaat van het volgende jaar en volgens de wet moest hij die kandidaatstelling in persoon aankondigen op het Forum. Dat betekende echter ook dat Caesar de symbolische heilige grens van de stad Rome moest overschrijden, het pomerium. Het imperium van generaals die het pomerium overschreden, kwam automatisch te vervallen, met als gevolg dat zij niet meer aan het hoofd van hun troepen aan een triomftocht deel konden nemen. Daarmee was de triomftocht zelf ook van de baan. De enige oplossing voor het probleem was dat de kandidaatstelling in absentia plaatsvond. Hiervoor had een kandidaat toestemming nodig van een van de zittende consuls, maar wederom moge het duidelijk zijn dat een consul die toestemming nooit zou geven zonder steun van de Senaat. Met een eindeloze speech wist Cato te voorkomen dat de Senaat in dit geval die steun uitsprak. Caesar verkoos vervolgens het consulaat boven een triomftocht en stak het pomerium over om zich in persoon te kandideren. Een jaar later, toen Caesar consul was, zou hij opnieuw met Cato botsen, hetgeen hierboven reeds besproken is.

Conclusie

Hoewel het in de Romeinse politiek maar zelden mogelijk was om formeel beslissingen te blokkeren, bleef de filibuster een machtig politiek wapens in de handen van een bekwame redenaar. Naarmate de Republiek instabieler werd, werd het instrument vaker en vaker ingezet, zo lijkt het. In de Keizertijd speelde het echter geen rol van betekenis meer. Hoewel de Senaat onder de eerste keizers nog wel het nodige gezag had, verwerd hij later tot een soort stempelmachine die simpelweg zijn goedkeuring hechtte aan voorgekookte beslissingen.

Bronnen

  • Adrian Goldsworthy, Caesar;
  • Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic.

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.