Michiel de Ruyter en de crisis in Salee (oktober 1655)

Praalgraf van Michiel de Ruyter in de Nieuwe Kerk te Amsterdam.

De Republiek der Verenigde Nederlanden had sinds 1651 een vredesverdrag met de Marokkaanse stad Salee (Rabat), een de facto onafhankelijk staatje waarvan de economie voor een groot deel dreef op de kaapvaart. Het verdrag moest voorkomen dat Nederlandse handelsschepen in Marokkaanse handen vielen. In 1654 kwam de vrede echter in gevaar toen schout-bij-nacht Cornelis Tromp bij Mehdya een fluitschip veroverde dat de naam Windhond droeg. Het was een kaperschip, maar zeer waarschijnlijk was het daarvoor een Nederlands schip geweest. De heerser van Salee – in Nederlandse bronnen Sidi (‘heer’) Abdalla genoemd – was in elk geval woedend over het Nederlandse optreden. Hij had zich daarover beklaagd bij de Nederlandse consul in Salee, David de Vries, en nam vervolgens uit wraak drie Amsterdamse schepen in de haven van Salee in beslag. De bemanning werd in de gevangenis gegooid en met slavernij bedreigd. In feite dienden ze als gijzelaars om het conflict op te lossen.[1]

De nogal heethoofdige Cornelis Tromp maakte het conflict alleen maar erger, en dus werd in 1654 besloten viceadmiraal Michiel de Ruyter naar Salee te sturen. Hij was tussen 1644 en 1651 meerdere malen in Marokko geweest, voornamelijk bij de emir van Iligh, en kende ’s lands gebruiken. In 1654 kon hij niet tot een vergelijk met de heerser van Salee komen, maar in oktober 1655 boekte hij wel succes. Gemakkelijk ging dat echter niet. De Ruyter arriveerde op 1 oktober 1655 op de rede voor Salee en pas op 24 oktober van dat jaar kwam het bericht van de wal “dat de paeijs [vrede] besloten was”. De Ruyter zelf bleef al die tijd aan boord; de onderhandelingen aan land werden gevoerd door de consul (die feitelijk ook gegijzeld werd) en twee mannen die De Ruyter op 9 oktober naar de wal had gestuurd. Dat waren de fiscaal van de vloot (een gerechtelijk ambtenaar) Gilbert de Vianen en een zekere monsieur Jacob van Meeuwen. De Ruyter bemoeide zich overigens wel degelijk met de onderhandelingen, want hij schreef Sidi Abdalla, de consul en de fiscaal regelmatig brieven, die met kleine barken of soms zelfs in drijvende kardoeskokers (een soort flessenpost) naar het land moesten worden gebracht.

De kapers van Salee

Koning Filips III van Spanje door Andrés López Polanco (Kunsthistorisches Museum Wien, Bilddatenbank).

De opkomst van het kapersnest Salee was nauw verbonden met een beslissing die de Spaanse koning Filips III in 1609 nam. Vanaf dat jaar werden namelijk alle moriscos uit Spanje verbannen. Moriscos waren moslims die zich na de Reconquista van het Iberisch schiereiland onder drang of dwang tot het christendom hadden bekeerd. Spaanse koningen verdachten hen ervan crypto-moslims te zijn en vanaf 1609 werden ze dus actief verdreven. Exacte aantallen zijn niet bekend, maar het moet om duizenden mensen zijn gegaan.[2] Zo’n 4.000 mensen uit het Zuid-Spaanse plaatsje Hornachos voeren per schip naar Marokko en vestigden zich op de linkeroever van de rivier de Bou Regreg. Daar lag de oude nederzetting Rabat, waarvan niet veel over was. De immigranten bliezen de nederzetting nieuw leven in en noemden haar Nieuw Salee, dat tegenover het oude Salee aan de andere zijde van de rivier lag.[3] Al snel begonnen de Hornacheros zich schuldig te maken aan piraterij. Die keuze was ingegeven door een aantal factoren: de behoefte om wraak te nemen op Spanje, maar ook economische noodzaak en simpel winstbejag. Zo werden er tussen 1609 en 1616 maar liefst 466 Engelse schepen buitgemaakt, terwijl de Engelse koning Salee en de Hornacheros niets misdaan had.

Handelsschepen die door de Straat van Gibraltar voeren, waren een gemakkelijke prooi voor de kapers van Salee. Maar de tentakels van de kapers reikten verder, veel verder. In 1627 vielen kapersvloten uit Salee en Algiers zelfs IJsland aan, dat zo’n 3.000 kilometer ten noorden van Marokko ligt. Die aanval had ook een Nederlands tintje: de leiding van de vloot van Salee berustte waarschijnlijk bij de Nederlander Jan Janszoon van Haarlem, een zeeman die zich tot de islam had bekeerd en zich nu Moerad Reis noemde (‘kapitein Moerad’). Bij de raid op IJsland vielen 39 doden en werden ongeveer 400 mensen gevangen genomen en tot slaaf gemaakt. Een priester werd na aankomst in Noord-Afrika teruggestuurd naar het Deense Kopenhagen om over de vrijlating van zijn lotgenoten te onderhandelen. IJsland behoorde in die tijd namelijk tot het Koninkrijk Denemarken en Noorwegen. Eenmaal in Kopenhagen aangekomen bleek de Deense koning blut te zijn. In 1636 konden uiteindelijk slechts 34 IJslanders worden vrijgekocht. Een beperkt aantal kon later nog worden gelost, maar de meesten stierven in slavernij of verkregen hun vrijheid door zich tot de islam te bekeren. Moslims mochten immers – formeel – geen geloofsgenoten in slavernij houden. Van één IJslandse, een dienstmeid van de genoemde priester, is bekend dat ze velen keren doorverkocht werd en uiteindelijk in Jeruzalem terechtkwam.[4] Er is geen enkele reden om in de raid op IJsland géén misdaad tegen de menselijkheid te zien.

De Ruyter voor Salee

Zicht op de de rivier de Bou Regreg tussen Rabat en Salee (foto: Anass Sedrati, CC BY-SA 4.0).

Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de kapers van Salee geduchte tegenstanders waren. Stoere taal en Nederlands machtsvertoon met schepen zouden geen enkele indruk op hen maken. Na aankomst op de rede van Salee moest Michiel de Ruyter behoedzaam opereren. Op 5 oktober kwam een Nederlandse schipper genaamd Cornelis Claessen[5] aan boord met de ernstige mededeling “dat het aen lant seer slecht stont met de consel [consul David de Vries] en al de chrijstenen [de gegijzelde bemanningsleden]”. Dezelfde dag besloot De Ruyter vijf van zijn schepen naar de Straat van Gibraltar te sturen. Ze waren bij Salee niet nodig en konden zich elders nuttiger maken. De onderhandelingen konden nu beginnen. Blijkens het journaal van De Ruyter werden ze hoofdzakelijk in het Spaans gevoerd. Dat is ook niet vreemd gelet op de herkomst van veel van de kapers. Nu sprak De Ruyter wel zeemans-Spaans, maar daarmee beheerste hij nog niet de taal van de diplomatie. Op 6 oktober beklaagde hij zich in zijn journaal over in het Spaans opgestelde stukken waar hij weinig van begreep. Zijn beperkte beheersing van de taal zal er mede toe geleid hebben dat hij op 9 oktober de fiscaal Gilbert de Vianen uitkoos om voor de mondelinge onderhandelingen naar land te gaan. Op 14 oktober noemt hij hem in zijn journaal lovend ‘een goet man dye goet Spaens spreckt’.

De Ruyter bleef als gezegd de heerser van Salee (door hem ‘Sant’ genoemd) wel brieven sturen. Mogelijk werden die vervolgens voor de Marokkaan vertaald. In het journaal van De Ruyter duikt regelmatig een Jood genaamd Benjamin Cohen op, en het is bekend dat Joden vaak een bemiddelende rol speelden in de contacten tussen moslims en christenen. Zij spraken vele talen en hadden een groot netwerk in verschillende landen. De onderhandelingen met Sidi Abdalla verliepen niettemin moeizaam. Dat kwam ook door verschillende externe factoren. Op 7 oktober overleed de gouverneur van het kasteel van Salee, door De Ruyter ‘Sydy Seyt Degemusse’ genoemd (‘heer Said’ en dan nog wat). Tijdens zijn begrafenis en de rouwperiode kon er natuurlijk niet onderhandeld worden. Vier dagen later noteerde De Ruyter in zijn journaal dat de moslims van Salee hun ‘groote Pascha’ vierden, waarmee hij in dit geval op het Offerfeest doelde. Dat duurt vier dagen en legde de onderhandelingen dus weer stil. Kennelijk ontstonden er op dat moment ook spanningen in Salee zelf, waarschijnlijk tussen de afstammelingen van de Hornacheros en de oorspronkelijke bevolking. Op 13 oktober schrijft De Ruyter namelijk in zijn journaal:

“Op dato syn alle de Andolosyers [Andalusiërs] van Suijdt Salee [Zuid-Salee, dus Nieuw Salee] gebannen in 24 uren daer wt [uit] te syn ofte dat se alle de over blyvende dye sy vynden comen sullen masack(a)reeren [uitmoorden] en doodt slaen.”

Het is een raadselachtige mededeling: de Andalusiërs moesten op straffe des doods binnen 24 uur vertrekken? Van wie kwam het dreigement? Het is niet ondenkbaar dat het te maken had met de opkomst van de zaouia van Dila, een religieuze broederschap die steeds machtiger werd in Marokko. In elk geval kreeg het dreigement geen vervolg, want dat zou De Ruyter zeker in zijn journaal hebben vermeld en dat deed hij niet.

Ontmoeting met de kapers

De Taag bij Lissabon.

Hoewel De Ruyter zich dus zeker met de onderhandelingen bemoeide, moet het leven aan boord van zijn vlaggenschip de Tijdverdrijf vaak erg saai zijn geweest. De bemanning hield zich bezig met het schoonmaken en teren van de schepen, maar er waren ook sterfgevallen aan boord. Al op 1 oktober noteerde De Ruyter dat de botteliersjongen was gestorven aan ‘roode loop’ (dysenterie) en op 13 oktober kwam een zekere Jurriaan Wouters van Stockem te overlijden. Terwijl de schepen op de rede voor Salee lagen, zullen de bemanningsleden reikhalzend hebben uitgekeken naar een beetje actie. Regelmatig kwamen er kaperschepen de haven binnenvaren, maar als die uit Salee zelf kwamen, mochten ze natuurlijk niet aangevallen worden. Op 11 oktober noteerde De Ruyter dat hij drie schepen had gespot. Het bleken twee Moorse schepen te zijn met een buitgemaakt schip. De viceadmiraal liet hen uiteraard ongemoeid. Op 22 oktober werden opnieuw drie schepen gespot en weer bleken het kapers uit Salee zelf te zijn, ditmaal met een Portugees prijsschip. Twee dagen later werd een Moors handelsschip gespot, dat een voormalige Duitse boot bleek te zijn. De aantekeningen in het journaal laten er geen misverstand over bestaan wat de voornaamste economische activiteiten van Salee waren.

Interessant is dat De Ruyter op 15 oktober melding maakt van een ontmoeting met een kaperkapitein die hij – als ik het goed lees – ‘Aly Reijs Koerte’ (Ali Reis en dan nog wat) noemt. Kennelijk was hij geen renegaat, anders had De Ruyter dat zeker opgemerkt. De kaper had een sloep naar het schip van De Ruyter gestuurd om nieuwtjes uit te wisselen. De Ruyter kwam zo niet alleen de naam van de man te weten, maar ook wat hij had uitgevoerd. De viceadmiraal noteerde dat de kaper naar de ‘Bocht by Byolyn’ was gevaren, maar daar geen schepen buit had kunnen maken. Nu had De Ruyter de gewoonte buitenlandse (plaats)namen zodanig te verhaspelen dat ze onherkenbaar werden, maar in dit geval kunnen we wellicht nog wel achterhalen wat hij met ‘Byolyn’ bedoelde. Ik denk dat het om Boulogne in Frankrijk gaat. Men denke in dit verband aan de Engelse koningin Anna Boleyn (1501-1536), van wie de naam zeker naar het Franse Boulogne verwijst. Bovendien noemt Gerard Brandt in zijn biografie van De Ruyter voor het jaar 1666 een Bocht van Boulogne.[6] Het behoeft echt geen verbazing te wekken dat een Noord-Afrikaanse kaper helemaal tot in het Kanaal opereerde. Zoals we hebben gezien vielen deze kapers zelfs IJsland aan.

Christen- en moslimslaven

De Taag bij Lissabon, met de Torre de Belém.

Een dag na de ontmoeting met Ali Reis was het eindelijk tijd voor actie. Er waren drie schepen gespot en kennelijk had De Ruyter een sterk vermoeden dat die niet van Salee afkomstig waren en dus legitieme doelwitten vormden. Volgens Gerard Brandt waren het kapers uit Algiers en dat kan heel goed kloppen.[7] De Ruyter had waarschijnlijk zelf nog maar twee schepen op de rede liggen, zijn eigen Tijdverdrijf met 215 bemanningsleden en 52 kanonnen, en het schip van commandeur Jan Adelaar, waarvan we de naam niet kennen, maar dat over 125 manschappen en 30 kanonnen beschikte. De schepen van de kapers waren waarschijnlijk veel kleiner, want De Ruyter besloot ze met Adelaar te onderscheppen en te achtervolgen. In de avond raakten de vijandelijke schepen even uit het zicht, maar omstreeks elf uur kregen de Nederlanders ze weer in het vizier. Een schip werd buitgemaakt, de twee andere ontsnapten. Het buitgemaakte schip bleek Portugees te zijn. Het was op weg geweest naar Brazilië, maar het was ter hoogte van Madeira door de Algerijnen gekaapt.

De kapers hadden het schip bij de aanval verlaten en waren gevlucht, vermoedelijk naar de andere twee schepen. Ze hadden de meeste Portugese bemanningsleden meegenomen, maar toen De Ruyter een sloep naar het schip stuurde om te kijken of er nog mensen aan boord waren, bleken twee Portugese christenslaven zich daar verstopt te hebben. Ze vertelden de viceadmiraal dat ze uit Lissabon kwamen. In de vroege ochtend van 17 oktober maakte De Ruyter nog even jacht op de andere twee schepen, maar die wisten te ontkomen. Nu besloten de Nederlanders eens grondig te bekijken wat voor schip ze hadden veroverd. Samen met Adelaar, Jacob van Meeuwen en de schrijver (klerk) Pouwels ging De Ruyter aan boord. Nauwkeurig werd geregistreerd wat voor ‘schone stuckgoederen’ aan boord waren, onder meer bouwmaterialen als kalk en ‘huijspannen’ (naar ik aanneem dakpannen), maar ook een partij suiker. De twee Portugese christenslaven zullen later hun vrijheid hebben teruggekregen, conform de instructie die aan De Ruyter was verstrekt. Het schip en de inhoud daarvan waren echter voor de Nederlanders. Op de 20e bracht Adelaar alles naar Cadiz om te verkopen. Of dit nog iets te maken had met het feit dat Portugal slechts een jaar eerder geheel Nederlands Brazilië (1630-1654) op de WIC had heroverd, durf ik niet te zeggen. Van enige rancune jegens de Portugezen is in het journaal van De Ruyter in elk geval geen sprake.

Inlas in het journaal van Michiel de Ruyter, 16 oktober 1655 (Nationaal Archief). Er staat: “Wy sonden onse saloepe [sloep] daer naer om te vernemen ofte noch menschen daer in [i.e. in het buitgemaakte schip] waren en bevonden twee crystenen Portegysen van Lijsbone [Portugezen uit Lissabon] dye den 2 ockt(obe)r op de hochte van Madera genomen waren maer de reste waren gevluycht. Voort jaechde wy de twee andere met roeygen en seylen tot den 17 ocktober”.

Interessant is dat De Ruyter in dit journaal ruimte openliet om de naam van het schip te noteren. Daarna wilde hij ook de naam van de kapitein en van de twee christenslaven optekenen. Uiteindelijk heeft hij in de rechtermarge een # geschreven en in de linker daartegenover de naam van de kapitein: ‘Francsyko Bones’. De man heette dus in elk geval Francisco en misschien was zijn achternaam wel Borges. Ook de naam van het schip is kennelijk later achterhaald, want we lezen dat het ‘Synyor Presa’ heette, en dat zal wel zoiets als Senhor Prezado (‘lieve Heer’) geweest zijn. De namen van de christenslaven zijn helaas niet meer ingevuld. Ondertussen begon de tijd wel te dringen. Er werd al bijna drie weken onderhandeld en op 20 oktober schreef De Ruyter dat dit een ‘preykeleuse cust’ (gevaarlijke kust) was om zo laat in het jaar nog op de rede te liggen. Drie dagen later was er echter sprake van een mooie opsteker. Er werd een schip met de prinsenvlag gesignaleerd, dat van Isaac Sweers bleek te zijn. Hij meldde dat hij bij Asilah een kapersfluit tegen het strand had gejaagd. Bovendien bracht hij verschillende brieven mee, waaronder een van De Ruyters vrouw Anna van Gelder en een van zijn zwager. Een dag later kwam de voorlopige vredesovereenkomst met de heerser van Salee tot stand.

Hindeloopen.

In het verdrag was van alles geregeld. De consul werd vrijgelaten, twee Amsterdamse schepen – de Tijger en (heel toepasselijk) de Ruiter – werden inclusief bemanning teruggegeven en twee christenslaven van het schip Wapen van Hindeloopen herkregen hun vrijheid. Een van hen was een Nederlander: Simon Janssen uit Groningen. De ander was een Fransman uit Bordeaux genaamd Steven. De heerser van Salee kreeg de goederen van de Windhond terug; het schip zelf was vergaan. Als compensatie mocht hij een Nederlands fluitschip met de naam Witte Valk houden. Wederzijdse schadeclaims werden tegen elkaar weggestreept. Mede door de onstuimige zee duurde het echter nog tot 30 oktober voor De Ruyter het verdrag op papier aan boord had. Op 2 november kon hij koers zetten richting Cadiz. Ondertussen was er nog iets bijzonders gebeurd. Tot nu toe heb ik het voornamelijk over christenslaven gehad, maar er waren natuurlijk ook moslimslaven: Noord-Afrikanen die gevangen waren genomen en door Europeanen tot slaaf waren gemaakt. Op 28 oktober zag Michiel de Ruyter zeven van hen die met een klein schip uit Spanje waren gevlucht.

De Ruyter had het kleine schip al op de avond van de 27e gesignaleerd. In de ochtend van de volgende dag stuurde hij zijn luitenant er met een sloep op af. Die constateerde dat het om een Spaanse sloep met zeven Moren ging. Zij waren weggelopen uit ‘Sijvijlyen’ (Sevilla) en hadden de boot gestolen bij ‘Haeygemonte’ (Ayamonte), een plaats aan de Spaanse zuidkust op de grens met Portugal. Na een tocht van vijf dagen op zee hadden ze Salee bereikt. De Ruyter had geen reden iets tegen ze te ondernemen. Deze moslimslaven hadden hun vrijheid herwonnen.

Dit is deel 4 van de serie ‘Michiel de Ruyter en de christenslaven’. De volledige serie vindt u hier.

Noten

[1] Ronald Prud’homme van Reine, Rechterhand van Nederland, p. 90-91; Ronald Prud’homme van Reine, Schittering en schandaal, p. 218; Gerard Brandt, Het leven en bedryf van den Heere Michiel de Ruiter (1687), p. 72.

[2] Dick Harrison, De geschiedenis van de slavernij, p. 158;

[3] Giles Milton, White Gold, p. 12-13.

[4] De geschiedenis van de slavernij, p. 167-168.

[5] De Ruyter schreef aanvankelijk ‘Jansen’, maar kraste die naam weer door en schreef er ‘Claessen’ boven.

[6] Het leven en bedryf van den Heere Michiel de Ruiter, p. 540.

[7] Het leven en bedryf van den Heere Michiel de Ruiter, p. 87.

One Comment:

  1. Pingback:Michiel de Ruyter en de Amsterdamse renegaat (november 1655) – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.