Michiel de Ruyter en de Amsterdamse renegaat (november 1655)

Michiel de Ruyter op een prent uit 1673.

Na een waardevolle bijdrage te hebben geleverd aan het oplossen van de crisis in Salee voer Michiel de Ruyter begin november 1655 op de Tijdverdrijf terug richting de Straat van Gibraltar en het Iberisch schiereiland. Onderweg kwam de viceadmiraal diverse schepen tegen waarvan hij in zijn journaal melding maakte. Spaanse schepen en Duinkerkers zouden tot enkele jaren daarvoor nog legitieme doelwitten zijn geweest, maar aangezien in 1648 de vrede met Spanje was getekend was dat nu niet langer het geval. Oude vijanden waren weer min of meer vrienden, en op 6 november 1655 noteerde De Ruyter met spijt in zijn journaal dat hij een zeer zielig Spaans schip dat kampte met een groot gebrek aan water en eten helaas niet kon helpen omdat de voorraden op zijn eigen vloot niet toereikend waren. Op 10 november bereikte de vloot Cadiz in Zuid-Spanje. Het was nu tijd om de schepen schoon te maken, het geschut te repareren en nieuwe voorraden in te slaan.

In de dagen die volgden kwamen de nodige berichten binnen over hoe het de andere bevelhebbers op de vloot was vergaan. De Ruyter had begin oktober bij Salee immers besloten vijf van zijn schepen alvast terug te sturen naar de Straat. De Ruyter was een groot leider omdat hij op de juiste momenten taken delegeerde aan competente onderbevelhebbers en hun veel vrijheid van handelen gaf. Ook in dit geval bleek het terugsturen van de vijf schepen een goede beslissing te zijn geweest, want er waren veel successen in de strijd tegen de Noord-Afrikaanse kapers behaald.

Strijd tegen de Algerijnse kapers

Op 12 november 1655 meldde kapitein Willem van der Zaan zich bij De Ruyter met goed nieuws. Samen met kapitein Adriaan van den Bos en commandeur (een hogere rang dan kapitein) Gideon de Wildt had hij enkele dagen eerder jacht gemaakt op drie schepen uit Algiers. Een van de kaperschepen was ontkomen, maar de andere twee waren uitgeschakeld. Van den Bos had een fluitschip ten zuiden van de Marokkaanse stad Larache op het strand gejaagd en buitgemaakt. Bij nadere inspectie bleek het om een schip uit Lübeck in Duitsland te gaan dat eerder de Fortuin had geheten en door de Algerijnen was gekaapt. De Wildt had een Algerijns fregat eveneens bij Larache op het strand gejaagd. Het was bewapend met 30 kanonnen en had een bemanning van meer dan 200 koppen aan boord gehad. De meeste bemanningsleden waren naar land gevlucht, maar er waren zeven renegaten (afvallige christenen die zich tot de islam hadden bekeerd) achtergebleven. Daarnaast konden er 27 christenslaven worden bevrijd die zich nog op het schip bevonden.[1] Het fregat zelf kon niet geborgen worden en werd in brand gestoken.

Fragment uit het journaal van De Ruyter, 12 november 1655. Er staat: “[Dyt] was een Arsyersche [Algerijnse] roover gemonteert [uitgerust] met 30 gestucken, over de 200 man, daer de Turcken wt vluychte en cregen het schip in en vonden daer in 27 krystenen met 7 renygaden dye den comandeur kartyr [kwartier] [belooft heeft].”

Op 22 november noteerde De Ruyter een nog groter succes in zijn journaal. Op die dag brachten commandeur De Wildt en kapitein Pieter van Zalingen een groot Algerijns kaperschip op naar Cadiz. Het had 30 kanonnen en een bemanning van 300 man[2], ‘daer van ontrent … dooden’ aldus De Ruyter. Het precieze aantal vulde hij later niet meer in, maar het was duidelijk dat er fel gevochten was om dit schip, dat de Harderin (herderin) heette. Gerard Brandt, de biograaf van De Ruyter, meldt meer dan 120 doden aan de kant van de kapers.[3] Hun leider was nota bene een Nederlander, een Amsterdamse renegaat genaamd Jan Leendertszoon, “wiens ouders in de teertuinen by de stads herberg woonden, daar de zwarte raaf uithing”, aldus Brandt. De teertuinen heten nu de Prins Hendrikkade, en de (oude) stadsherberg stond sinds 1614 in de buurt van de huidige Droogbak en – hoe ironisch – de De Ruijterkade.[4] Renegaten hoefden in principe niet op genade te rekenen, dus het is begrijpelijk dat Jan Leendertszoon en een aantal andere kapers dapper doorvochten en zelfs dreigden de lont in het kruitvat te steken. Met de belofte van kwartier konden de Nederlanders hen uiteindelijk toch tot overgave brengen. Dat was maar goed ook, want er bleken nog vele christenslaven aan boord te zijn. De Ruyter tekende in zijn journaal op dat het er 52 waren; Brandt meldt dat onder hen 17 Nederlanders waren.[5] Namen zijn helaas niet bekend.

Fragment uit het journaal van De Ruyter, 22 november 1655. Er staat: “[Het was den heer] comandeur De Wylde met cap Van Salynge dije samen op bracht het schip De Harderin van Arsyers [Algiers], gemonteert [uitgerust] met 30 stucken en 300 man, daer van ontrent … dooden en 52 crijstenen.”

De vraag was nu wat er gedaan moest worden met de gevangengenomen renegaten en de andere kapers. De instructie die De Ruyter hierover had meegekregen was in principe hard en helder: ‘Christverzaakers’ verdienden de doodstraf. Er waren echter uitzonderingen mogelijk. Als bij renegaten sprake was van jeugdige onbezonnenheid of gedwongen bekering, en als ze de christenslaven goed behandeld hadden en berouw toonden, dan was gratie een optie. Dankzij de geredde christenslaven mocht Jan Leendertszoon, die zichzelf nu Suleiman Reis noemde, het leven behouden: hij had hen altijd goed behandeld en ze deden een goed woordje voor hem. Ook een Monnikendammer en een Pool (!) gingen om deze reden vrijuit. Jan Leendertszoon bleef nog enige tijd bij Michiel de Ruyter en zou hem volgens Brandt ook nog behulpzaam zijn geweest in de strijd tegen de kapers. Het is heel aannemelijk dat hij weer zijn oude geloof aannam en terugkeerde naar de Republiek. In zijn journaal van 1662 meldt De Ruyter, als hij in de buurt van Tunis is, dat hij een gelijknamige kapitein en stuurman naar de wal stuurt. De naam ‘Jan Leendertszoon’ was natuurlijk vrij gangbaar, maar het is helemaal niet ondenkbaar dat het dezelfde Jan Leendertszoon als in 1655 was.

Gevelsteen in Hoorn (Veermanskade 3).

Ook de andere renegaten werden, nu hun kwartier was beloofd, relatief mild behandeld. Zij werden tot dienst op de Spaanse galeien veroordeeld, onder het beding dat in de toekomst de Staten-Generaal of de admiraliteiten konden besluiten hun weer in vrijheid te stellen. Of dat later ook gebeurd is, is niet bekend. Er waren verschillende redenen waarom Europeanen zich bij de Noord-Afrikaanse kapers aansloten. Sommigen waren zelf christenslaven en bekeerden zich tot de islam om hun vrijheid te herwinnen, anderen gingen voor het avontuur of hadden wat op hun kerfstok. Velen van hen stonden met een voet in beide werelden en probeerden de mogelijkheid van terugkeer naar hun land van herkomst open te houden. De kaper Simon de Danser uit Dordrecht bleef bijvoorbeeld protestants en viel geen Nederlandse schepen aan. Ook Ivan de Veenboer uit Hoorn, die zich wel bekeerde, liet Nederlanders met rust. Jan Janszoon uit Haarlem, oftewel Moerad Reis, had een gezin in Nederland. Zo was er een grote variëteit aan renegaten onder de kapers, en zonder deze geloofsafvalligen zouden de ‘Barbarijse zeerovers’ nooit zoveel succes hebben gehad.[6]

De gevangengenomen kapers die uit Noord-Afrika zelf kwamen, waren een ander verhaal. Zij werden als criminelen gezien en de instructie schreef imperatief voor dat ze in het openbaar verkocht moesten worden en dat de opbrengsten naar de Republiek moesten worden overgemaakt. Waarschijnlijk werd uit het totaalbedrag een ‘buitgeld’ uitgekeerd aan de kapitein die het kaperschip had veroverd, terwijl ook de opperbevelhebber zijn deel kreeg. In zijn journaal noteerde De Ruyter met een wat cynische koopmansgeest wat de gevangenen opbrachten: 90 stukken van acht (zilveren munten) voor een kaper zonder kwetsuren, maar veel minder (40-70 stukken) voor een gewonde. De behandeling van de kapers is, ondanks het feit dat het om misdadigers ging, naar moderne maatstaven wreed te noemen. Ze was echter al een stuk beschaafder dan enkele decennia daarvoor. In 1618 had een Nederlandse vloot onder Mooy Lambert ook op kapers gekruist en gevangenen waren toen gewoon overboord gezet (‘voetspoeling’).[7]

De laatste successen

Kaart van het noorden van Marokko, met in kaders enkele belangrijke kuststeden. Rood: in Spaanse of Portugese handen. Groen: in Marokkaanse handen. Het Portugese Tanger was tussen 1661 en 1684 Engels. Larache bleef tot 1689 Spaans. Ceuta is dat nog steeds. Kaart: Google Maps.

Op 25 november 1655 druppelden er nieuwe berichten binnen. Schout-bij-nacht Dirck Verveen had pech gehad: zijn mannen stonden klaar een kaperschip te enteren, maar net op dat moment werd zijn grote steng afgeschoten en kon de kaper ontsnappen. De kapiteins Adriaan van den Bos en Willem van der Zaan hadden het beter gedaan. Zij hadden een groot kaperschip bij Asilah in Marokko op het strand gejaagd. De Ruyter noemt het schip in zijn journaal de Zwarte Arend, maar uit het vervolg en het relaas van Brandt blijkt dat de juiste naam de Vergulde Arend was. Van den Bos en Van der Zaan meenden dat de kaper was uitgeschakeld, maar daarin vergisten ze zich. Al op 26 november arriveerde namelijk een schip in Cadiz dat kon melden dat de Arend ‘gans gerenywert’ (helemaal hersteld) was.

Op 27 november was de vloot gereed voor een nieuwe expeditie. De taken werden daarop verdeeld. Isaac Sweers en Adriaan van den Bos kregen de opdracht de consul David de Vries en een Joodse gezant genaamd Benjamin Cohen terug naar Salee te brengen. De bevelhebbers Verveen en Van der Zaan moesten op hun beurt koopvaarders escorteren. De Ruyter zelf nam Gideon de Wildt, Pieter van Zalingen en Jan Adelaar mee om in de Straat van Gibraltar te kruisen. De kleine vloot signaleerde op de avond van de 29e twee vijandelijke schepen bij het Marokkaanse Asilah en raakte daar een dag later mee in gevecht. Volgens Brandt waren de schepen herkend door de voormalige renegaat Jan Leendertszoon. Het ene was de inmiddels herstelde Vergulde Arend, het andere heet in het journaal van De Ruyter ‘Synte Katelijnne’, dus dat zal in modern Nederlands de Sint Catharina geweest zijn. Het waren behoorlijk grote schepen met respectievelijk 26 en 20 kanonnen en 250 en 200 bemanningsleden. Bovendien bemoeide de verdediging van Asilah zich ermee en nam de vier Nederlandse schepen onder vuur. Daarop liet De Ruyter ‘vyer [vuur] van onder ende boven’ geven, dus van beide rijen kanonnen. Het daverende salvo had effect, want niet veel later liet de verdediging een witte vlag waaieren ten teken dat ze zich terugtrok uit de strijd. De Nederlanders konden zich nu volledig op de kapers richten. Aanvankelijk waaide het hard, maar op het juiste moment werd het windstil. De zeer gelovige De Ruyter zag hierin een interventie van God.

Na een felle strijd werd de Sint Catharina tot zinken gebracht, terwijl de Vergulde Arend na compleet lekgeschoten te zijn werd geënterd en buitgemaakt. Aan boord vond men veel dode kapers, maar de Franse renegaat die als kapitein had gediend was naar land ontsnapt. Goed nieuws was dat een aantal christenslaven kon worden gered, al waren de meeste naar de wal gebracht. De Ruyter noemt in zijn journaal de redding, maar geen aantallen; volgens Brandt waren het er 20. Daarnaast werden er 50 kapers gevangengenomen. Vier renegaten kregen genade vanwege hun goede behandeling van de christenen, de Noord-Afrikaanse gevangenen werden, conform instructie, in Malaga verkocht. De provisorisch herstelde Vergulde Arend werd als prijsschip meegenomen, maar ging naar verluidt later als gevolg van slecht beheer alsnog verloren. Dit was het laatste grote succes van Michiel de Ruyter en zijn vloot. Op 3 mei 1656 keerden de schepen terug in de Republiek en was een buitengewoon geslaagde expeditie ten einde. In de periode 1661-1664 zou de viceadmiraal opnieuw op de Noord-Afrikaanse kapers af worden gestuurd.

Dit is deel 5 van de serie ‘Michiel de Ruyter en de christenslaven’. De volledige serie vindt u hier.

Noten

[1] De Ruyter noemt in zijn journaal op 12 november 1655 het aantal van 27 christenen. In Gerard Brandt, Het leven en bedryf van den Heere Michiel de Ruiter (1687), is op p. 88 sprake van 25 christenen. Ik volg hier het journaal.

[2] 31 kanonnen en 296 bemanningsleden volgens Brandt.

[3] Het leven en bedryf van den Heere Michiel de Ruiter (1687), p. 89.

[4] Michiel de Ruyter woonde zelf op het Nieuwe Waalseiland, op het adres dat nu Prins Hendrikkade 131 is.

[5] Het leven en bedryf van den Heere Michiel de Ruiter, p. 89.

[6] Dick Harrison, De geschiedenis van de slavernij, p. 162.

[7] Ronald Prud’homme van Reine, Schittering en schandaal, p. 27.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.