Boekbespreking: Schittering en schandaal

De hier besproken dubbelbiografie van Maerten en Cornelis Tromp, vader en zoon, is alweer meer dan vijftien jaar oud. Het boek, geschreven door maritiem historicus Ronald Prud’homme van Reine, kwam in 2001 uit en is waarschijnlijk alleen nog maar als tweedehands exemplaar verkrijgbaar. De vraag kan dan ook gesteld worden of een recensie zoals de onderstaande nog enig nut heeft. Ik denk dat dat het geval is. Er is bij mijn weten nog geen nieuwere, betere biografie van vader en zoon Tromp verschenen en ‘Schittering en schandaal’ is een buitengewoon gedetailleerd werk dat ons een fascinerend inkijkje in het leven van de beide Trompen, hun familieleden en hun tijd geeft.

Maerten Harpertszoon Tromp (1598-1653) komt in het boek naar voren als de kundige, bescheiden, rustige en zachtaardige vlootvoogd, geliefd bij zijn manschappen, die hem liefkozend Bestevaêr (‘grootvadertje’) noemen, een erenaam die sindsdien alleen nog aan Michiel de Ruyter is gegeven. Cornelis Tromp (1629-1691), de tweede zoon van Maerten, is daarentegen weliswaar kundig op het gebied van zeevaart en tactiek, dapper en strijdlustig, maar ook een ijdele, eigenwijze en roekeloze ruziezoeker die eigenlijk niet in de schaduw van zijn vader kan staan en uiteindelijk roemloos aan de wal sterft. Auteur Prud’homme van Reine neemt de lezer in ruim 400 pagina’s mee op een ontdekkingstocht door hun beider levens. Dat doet hij bijzonder vakkundig, al is het boek niet zonder tekortkomingen.

De vader

Prent van Maerten Tromp in 1639 (Eerste Kamer, Den Haag).

Over het vroege leven van Maerten Harpertszoon Tromp is niet bijzonder veel bekend. Geboren in Brielle, een brandpunt in de Opstand tegen de Spanjaarden, vertrok hij al op jonge leeftijd met zijn vader Harpert Tromp naar zee. In 1610 werd de koopvaarder van zijn vader veroverd door een Engelse kaper bij de Kaapverdische Eilanden. Harpert Tromp sneuvelde bij de confrontatie en de elf- of twaalfjarige Maerten werd door de kapers gevangen genomen. De daaropvolgende twee jaar moest hij als kajuitjongen gedwongen voor de kapers werken, ongetwijfeld een vormende periode in zijn leven. Maerten Tromp zou nog een tweede maal tot ‘slaaf’ gemaakt worden, namelijk in de jaren 1621 en 1622. Ditmaal waren het kapers uit Tunis – te rekenen tot de beruchte Barbarijse zeerovers – die zijn schip buitmaakten. Wederom is over deze periode nauwelijks iets bekend. Dwangarbeid ligt voor de hand, maar veel van de verhalen over Tromps standvastigheid in gevangenschap kunnen simpelweg niet geverifieerd worden. In elk geval was ook deze gevangenschap weer redelijk snel voorbij. Een jaar later kon Maerten Tromp, vele ervaringen rijker, weer als een vrij man naar de Republiek terugkeren.

Zijn eerste roem vergaarde vader Tromp vervolgens in 1629 onder Piet Hein (1577-1629), de man die (een deel van) de Spaanse Zilvervloot had veroverd. Admiraal Zilvervloot had Tromp als kapitein op de Groene Draeck, zijn vlaggenschip, aangesteld. Na de dood van Hein in een confrontatie met de Duinkerker kapers zette Tromp de strijd dapper voort. Hij zou nog diverse successen op de Groene Draeck boeken, waarbij de verovering van het schip van de gouverneur van Duinkerken in september 1629 eruit springt. Maar niet alles ging van een leien dakje. In 1631 ging de Groene Draeck verloren en de Hollandse luitenant-admiraal Philips van Dorp (1587-1652) bleek volstrekt incompetent om de strijd ter zee te leiden. In 1637 was de maat vol voor de Staten van Holland en stadhouder Frederik Hendrik. Van Dorp kreeg zijn congé en Tromp – nog geen veertig jaar oud – werd tot luitenant-admiraal benoemd. Zijn stadgenoot en rivaal Witte de With (1599-1658) werd viceadmiraal.

Sint Catharijnekerk te Brielle.

Het bleek een gouden greep te zijn. Onder Tromp ging de Nederlandse vloot stelselmatig in kiellinie varen (p. 64), iets wat onder Piet Hein al incidenteel was uitgeprobeerd. Hierdoor konden de schepen veel meer als eenheid opereren en elkaar steunen in plaats van individuele gevechten met vijandelijke oorlogsbodems te leveren. In 1639 behaalde Tromp twee klinkende overwinningen. In de zeeslag bij Duinkerken op 18 februari bracht hij met een veel kleinere vloot de Duinkerker kapers onder Miguel graaf de Horna een zware nederlaag toe. Tussen 15 september en 21 oktober van datzelfde jaar boekte de Nederlandse vloot vervolgens een nog veel grotere overwinning. In de lang uitgesponnen zeeslag bij Duins kreeg een Spaanse vloot geleid door admiraal Antonio de Oquendo flinke klappen. Het zou Tromps fraaiste overwinning uit zijn hele carrière worden. Zeven jaar later, op 11 oktober 1646, later kon hij vanaf zijn vlaggenschip met genoegen waarnemen hoe Franse troepen het kapersnest Duinkerken innamen en daarmee een einde maakten aan een grote bedreiging voor de handels- en visserijvloot van de Republiek.

In 1647 stierf stadhouder Frederik Hendrik, met wie Tromp een goede band had. Zijn opvolger was zijn zoon Willem II, die echter al in november 1650 stierf aan de pokken (en niet aan de waterpokken, zoals de auteur abusievelijk op p. 130 stelt). In 1652 brak een zeeoorlog met Engeland uit, en toen die op een mislukking voor de Republiek dreigde uit te draaien, werd Tromp ontslagen en vervangen door Witte de With. Die was echter gehaat bij het scheepsvolk en bleek tevens ongeschikt als opperbevelhebber. In oktober leed zijn vloot bij De Hoofden een gevoelige nederlaag tegen de Engelsen, die ook veel grotere en betere schepen hadden. Er zat nu voor de Staten-Generaal niets anders op dan Tromp zijn commando terug te geven, hetgeen nog in december 1652 leidde tot een overwinning van de vloot van de Republiek op de Engelsen bij Dungeness. In het jaar daarna volgden echter de ‘roemrijke nederlaag’ in de Driedaagse Zeeslag (28 februari-2 maart 1653), de bijna-vernietiging van de Nederlandse vloot bij Nieuwpoort (12-13 juni 1653) en verlies in de zeeslag bij Ter Heide (8-10 augustus 1653) elkaar in rap tempo op.

Munt geslagen ter nagedachtenis aan de zeeslag bij Ter Heide (Historisch museum Den Briel).

Het treffen bij Ter Heide kon nog als strategische overwinning worden verkocht omdat de Engelse blokkade van de Nederlandse kust werd opgeheven. De prijs was echter hoog. Aan Nederlandse zijde waren veel meer schepen verloren gegaan en veel meer manschappen gesneuveld, gewond of gevangen genomen. Onder de gesneuvelden bevond zich er één die onvervangbaar was: Maerten Tromp zelf. De luitenant-admiraal was op zijn vlaggenschip de Brederode dodelijk getroffen door een musketkogel. Het moet een zachte dood geweest zijn: menig collega van Tromp werd aan gruzelementen geschoten. Tromp kreeg – met de nodige vertraging – een schitterend grafmonument in de Oude Kerk te Delft, waar ook zijn oude opperbevelhebber Piet Hein was bijgezet. De Republiek was echter zijn beste vlootvoogd, zijn Bestevaêr kwijt, en het zou nog twaalf jaar duren voordat er een waardige opvolger was.

De zoon

Die waardige opvolger zou in elk geval niet Maertens tweede zoon Cornelis worden, al heeft die laatste er wel zijn hele leven naar gestreefd. Daarbij zat Cornelis Tromp voortdurend zichzelf in de weg. Capaciteiten had hij genoeg, maar tact en geduld waren eigenschappen die hij node miste. Als zoon van een beroemde vader had hij wellicht ook last van het gegeven dat de verwachtingen van hem ongekend hoog waren, maar erkend moet worden dat Tromp junior er gewoon erg vaak in slaagde zichzelf met eigengereid, arrogant en roekeloos optreden in de problemen te brengen. Twee voorbeelden uit zijn vroege carrière op zee tonen dat al aan.

Prent van Cornelis Tromp (Eerste Kamer, Den Haag).

In november 1652 organiseerde zoon Tromp in de haven van Livorno in Toscane een drinkgelag aan boord van een veroverd Engels schip, de Phoenix. Prompt slaagden de Engelsen erin het schip te heroveren, waarbij de meestal stomdronken Nederlanders geen effectieve tegenstand konden bieden. Cornelis Tromp kwam bij deze gebeurtenis nog goed weg. Zeven jaar later, op 27 januari 1660, werd hij echter wegens een reeks overtredingen, waaronder het niet opvolgen van orders, flink gestraft door het admiraliteitsbestuur. Niet alleen werd hem een boete opgelegd, ook moest hij de proceskosten betalen en zijn verdiensten uit een zilvertransport inleveren. Een nieuw commando op zee kon hij voorlopig vergeten. Tromp gaf iedereen de schuld, behalve zichzelf.

Vijf jaar later leek alles echter weer vergeven en vergeten. Cornelis Tromp was bevorderd tot viceadmiraal en commandeerde in de openingsfase van een tweede zeeoorlog met Engeland een eskader in de vloot die onder bevel stond van Jacob van Wassenaer Obdam (1610-1665). Obdam, een oud cavalerieofficier, was de opvolger van Tromp senior als opperbevelhebber van de vloot en had bij gebrek aan echt talent al jaren met meer geluk dan wijsheid leiding gegeven. Aan dat geluk kwam bij Lowestoft op 13 juni 1665 een einde. Tromp vocht dapper, maar Obdams schip de Eendracht vloog tijdens de strijd de lucht in. Weer sneuvelde een opperbevelhebber en de vloot van de Republiek leed een zware nederlaag. Op 23 juli werd Tromp tijdelijk tot opperbevelhebber van de vloot benoemd, maar al gauw moest hij het commando weer afstaan aan de veel oudere en capabelere Michiel de Ruyter (1607-1676). Die zou vervolgens met de vooral dankzij raadspensionaris Johan de Witt flink versterkte en gemoderniseerde vloot een grote Nederlandse overwinning in de Vierdaagse Zeeslag binnenslepen (11-14 juni 1666).

Michiel de Ruyter door Ferdinand Bol (Mauritshuis, Den Haag).

Twee maanden later, op 4-5 augustus 1666, leed De Ruyter echter een nederlaag in de Tweedaagse Zeeslag. Die weet hij grotendeels aan het optreden van Tromp, die in plaats van de hoofdmacht te hulp te schieten ervoor koos de Engelse achterhoede te achtervolgen. Het gevolg was een knallende ruzie met de opperbevelhebber, het onvermijdelijke ontslag van Tromp en een zeer vileine pamflettenstrijd. Cornelis Tromp zou jarenlang aan de kant staan. Lichtpuntje was zijn huwelijk met de vermogende Margaretha van Raephorst (1625-1690) in 1667, een huwelijk dat overigens kinderloos bleef, want de beide echtelieden waren al respectievelijk eind dertig en begin veertig. Het waren evenwel zware jaren voor de aan zee verknochte Cornelis, duistere jaren ook waarin hij actief was in een schimmig clubje – de ‘kabaal’ van Tromp – en uiteindelijk zelfs betrokken raakte bij de moord op raadspensionaris Johan de Witt op 20 augustus 1672. Prud’homme van Reine schreef daarover later nog een gedetailleerde reconstructie.

Het Rampjaar van 1672 en de gelijktijdige oorlog tegen Engeland, Frankrijk, Munster en Keulen maakten een terugkeer van Cornelis Tromp naar de vloot mogelijk. Hierbij speelde ook een rol dat zijn belangrijkste concurrent, Willem Joseph van Ghent, inmiddels in de slag bij Solebay (7 juni 1672) was gesneuveld. Bovendien was de jonge prins Willem III, de postuum geboren zoon van de in 1650 gestorven stadhouder Willem II, de Oranjeklant Tromp bijzonder goed gezind. De Ruyter en Tromp verzoenden zich en behaalden in juni 1673 twee overwinningen op de Engelsen en Fransen bij het Schooneveld. Tromp zou Tromp echter niet zijn als hij niet weer in een ruzie verzeild raakte, ditmaal met zijn collega’s Isaac Sweers en Johan de Liefde. Beide viceadmiraals sneuvelden echter in het volgende treffen, de zeeslag bij Kijkduin (21 augustus 1673), waarmee het conflict als ‘opgelost’ kon worden beschouwd. Na het sneuvelen van De Ruyter nabij Sicilië in 1676 en een grotendeels mislukt avontuur in Deense dienst in de periode 1676-1678 kreeg Cornelis Tromp op 6 februari 1679 eindelijk de door hem zo fel begeerde rang van luitenant-admiraal-generaal. Nu had hij echt zijn vader geëvenaard.

Praalgraaf van Maerten Tromp door Rombout Verhulst (Oude Kerk, Delft).

Tromp was nu bijna vijftig jaar oud en had in theorie nog heel wat jaren als opperbevelhebber van de vloot de Republiek kunnen dienen. In de praktijk zou hij echter wegkwijnen in zijn nieuwe rang. In 1678 was vrede gesloten met Frankrijk, dus aan zijn diensten was voorlopig geen behoefte. Tromp slaagde er verder in zichzelf onmogelijk te maken bij zijn beschermheer prins Willem, en die had in 1683 schoon genoeg van hem. Tromp werd vervangen door Willem Bastiaenszoon Schepers (1619-1704) . Het was ook deze Schepers, een man met een groot organisatietalent, die voor Willem III een vloot samenstelde voor zijn invasie van Engeland in 1688. Tromp kon de pot op.

En zo eindigde de carrière van een man die tijdens zijn vele gevechten op zee slechts tweemaal lichtgewond raakte: in de Vierdaagse Zeeslag in 1666 door een splinter in zijn been (p. 255) en in 1677 door een ongelukje bij het afvuren van saluutschoten (p. 370). Tromp had daarmee in tegenstelling tot veel van zijn collega’s buitengewoon veel geluk gehad. Dit geluk werd echter tevens zijn ongeluk: omdat hij niet sneuvelde in de strijd, werd er na zijn dood in 1691 geen grafmonument op staatskosten voor hem opgericht. In theorie hadden vermogende burgers zo’n monument voor hem kunnen betalen. Dat niemand daartoe bereid was, is tamelijk veelzeggend. Cornelis Tromp werd anoniem begraven in het familiegraf.

Beoordeling

Buste van Johan de Witt (Eerste Kamer, Den Haag).

‘Schittering en schandaal’ is niet alleen een fraaie dubbelbiografie over twee interessante historische figuren, het is tevens een uitstekende schets van de maritieme belangen van de Republiek in de zeventiende eeuw. Iedereen kent natuurlijk de handel op Oost- en West-Indië en de naar hedendaagse maatstaven zeer dubieuze activiteiten van de VOC en de WIC. In het boek passeren echter nog zeer veel andere Nederlandse activiteiten op zee de revue. De vissersvloot bijvoorbeeld, die veel te lijden had van de Duinkerker kapers, maar ook de koopvaart op Franse, Portugese en Spaanse havens. Natuurlijk wordt de immens belangrijke Oostzeehandel – de zogenaamde ‘Moedernegotie’ – niet vergeten en tevens wordt aandacht besteed aan de commercieel uiterst aantrekkelijk handel op Italië en de Levant. Juist de koopvaarders die bij deze handel betrokken waren en dus door de Straat van Gibraltar moesten varen, waren aantrekkelijke doelwitten voor Marokkaanse, Algerijnse of Tunesische kapers. Het boek noemt enkele malen de Directie van de Levantse Handel en Navigatie op de Middellandse Zee, een vrijwel onbekend handelscollege dat nota bene langer heeft bestaan dan de VOC!

Als gezegd is het boek vermoedelijk enkel nog tweedehands verkrijgbaar. In zijn korte recensie op bol.com schrijft historicus Nick Bos dat de sterk aangezette tegenstelling tussen de gedragingen van vader en zoon bij hem herinneringen oproept aan een hagiografie. Hij meent dat dit zelfs enigszins afbreuk doet aan de wetenschappelijke overtuigingskracht van de dubbelbiografie. Persoonlijk vind ik die kritiek een tikje overdreven. Zeker, Maerten Tromp komt er vele malen beter vanaf dan zijn zoon Cornelis, maar dat wordt steeds zorgvuldig onderbouwd. Prud’homme van Reine laat bovendien enerzijds zeker niet na de kwaliteiten van Cornelis Tromp te noemen en neemt anderzijds ook niet elke beschuldiging aan het adres van zoon Tromp serieus. Kwade trouw van Tromp tijdens de Tweedaagse Zeeslag (zie hierboven) acht hij bijvoorbeeld niet aannemelijk. Verder concludeert de auteur dat er geen bewijs is dat Tromp achter een ‘aanslag’ door een bootsgezel op De Ruyter in november 1669 zat, en evenmin achter een aanval op diens huis in november 1672 (p. 294-296). Tegelijkertijd laat hij wel de mogelijkheid open dat Tromp een aandeel in beide gebeurtenissen had, aangezien hij op korte afstand van De Ruyter in Amsterdam woonde. Zulke speculatie lijkt me niet ongeoorloofd.

Mijn eigen kritiek richt zich op twee punten. In de eerste plaats bevat het boek wel erg veel citaten, en dan ook nog eens bijzonder lange citaten. Die zijn vrijwel allemaal in zeventiende-eeuws Nederlands en daarom wat lastiger te lezen. Zeker waar zulke citaten een halve pagina beslaan – en dat komt nogal eens voor – wordt behoorlijk de vaart uit het verhaal gehaald. En dat is hinderlijk. Gelukkig is de auteur de lezer wel behulpzaam door regelmatig tussen blokhaken een wat archaïsch woord te ‘vertalen’.

Fraai houtsnijwerk voorstellende Cornelis Tromp (Oudezijds Voorburgwal 136 te Amsterdam).

In de tweede plaats bevat het boek een aantal slordigheidjes die te vermijden waren geweest. Hierboven is al vermeld dat met betrekking tot stadhouder Willem II twee ziektes door elkaar zijn gehaald. Op p. 21 wordt gesproken over Maerten Tromp en “de twee jaar jongere Witte de With”, terwijl beide heren nog niet eens een jaar scheelden (23 april 1598 vs. 28 of 29 maart 1599[1]). Op p. 52 staat het weer wel goed. Echt fout gaat het dan weer in hoofdstuk 7 over de Tweede Engelse Oorlog. Eerst wordt gesproken van de “rijke volksplanting Nieuw-Nederland in Noord-Afrika”, waar toch echt Amerika bedoeld zal zijn (p. 236). Vervolgens wordt gesteld dat de slag bij Lowestoft van 13 juni 1665 “precies twaalf jaar na de beslissende dag van de Driedaagse Zeeslag” begon (p. 242). Die laatste slag vond echter plaats in februari en maart 1653. Bedoeld is de zeeslag bij Nieuwpoort. De foutenreeks eindigt dan met de mededeling dat de Engelsen bij Lowestoft “een grote kans op vernietiging van de Engelse vloot” lieten liggen (p. 244). Ik hoef niet uit te leggen welke vloot hier wel bedoeld is.

Uiteindelijk is het waarschijnlijk onvermijdelijk dat dit soort foutjes voorkomen in een boek dat in totaal 490 pagina’s (inclusief registers, noten, stambomen e.d.) beslaat. Aan het leesplezier doen ze gelukkig ook niet al te veel af. ‘Schittering en schandaal’ blijft een schitterend boek.

Noot

[1] In zijn minibiografie uit 2008 noemt historicus Anne Doedens de laatstgenoemde datum. De eerstgenoemde datum is op internet te vinden.

One Comment:

  1. Pingback: Boekbespreking: Rechterhand van Nederland – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.