Michiel de Ruyter en de laatste tocht naar Algiers (juni-juli 1664)

Prent van Cornelis Tromp.

Het voorlopige vredesverdrag dat Michiel de Ruyter in november 1662 met de stad Algiers had gesloten bleek al snel een wassen neus te zijn. De Algerijnen bleven Nederlandse schepen buitmaken en de bemanningen in slavernij afvoeren. Cornelis Tromp, die in maart 1663 De Ruyter was opgevolgd als opperbevelhebber in de Middellandse Zee, had daadkrachtig tegen de kapers opgetreden. Op 10 januari 1664 veroverde hij twee kaperschepen en arresteerde maar liefst 288 bemanningsleden. Ook werden er 25 christenslaven bevrijd.[1] In Algiers was men woedend over deze actie. Sowieso was het daar nog steeds onrustig, want de plaatselijke heerser Chabane Agha (‘Sjabanninga’) was begin 1664 overleden en opgevolgd door Ali Agha. Het was echter vooral de plaatselijke raad, de divan, die de Nederlanders slecht gezind was. Waar de Republiek als voorwaarde voor een vredesverdrag de eis van ‘vrij schip, vrij goed’ stelde, was dat voor de Algerijnen onaanvaardbaar. Ze wensten Nederlandse schepen te kunnen controleren op contrabande, dat wil zeggen op goederen uit landen waarmee ze in oorlog waren.

De Staten-Generaal realiseerden zich dat een vredesverdrag schier onmogelijk was. De (commerciële) belangen van de Republiek en Algiers lagen daarvoor te ver uiteen. Even werd geprobeerd een grote Europese coalitie tegen de Algerijnen te smeden, met naast de Republiek zelf ook Frankrijk, Engeland en Spanje. Hoewel al deze landen veel last hadden van de Noord-Afrikaanse kapers, liep de poging op niets uit. Uiteindelijk werd besloten viceadmiraal De Ruyter opnieuw met een vloot naar Algiers te sturen. Die vloot had uit 18 schepen moeten bestaan, maar wegens geldgebrek bij de admiraliteiten van Friesland en Zeeland konden er slechts 12 worden uitgerust.[2] Zelf voer De Ruyter op de Spiegel, een schip dat was uitgerust met 68 kanonnen en 315 manschappen aan boord had. Als onderhandelaars voeren de welbekende Gilbert de Vianen, die De Ruyter al vaak had vergezeld naar de Middellandse Zee, en een zekere Jean Bertrand de Mortaigne met de vloot mee. Op 19 juni 1664 verscheen deze vloot op de rede voor Algiers.

Traineren en nog meer traineren

Op 20 juni stuurde de De Ruyter een luitenant Hondius naar het land om contact te leggen met de divan en met de Nederlandse consul ter plaatse, Andries van den Burg, een legerkapitein uit Alkmaar. De consul was zeer slecht behandeld. Volledig in strijd met het ook toen al geldende internationaal recht was hij vijftien dagen lang gevangengezet. Met de komst van de Nederlandse vloot had hij huisarrest gekregen en hij kreeg geen toestemming om bij De Ruyter aan boord te gaan. In feite werd Van den Burg dus als gijzelaar gebruikt. De Algerijnen stelden voor hem vrij te laten, maar dan moest een Nederlandse kapitein van een van de schepen zijn plaats innemen. Dat was natuurlijk niet acceptabel. De volgende dagen zullen voor De Ruyter en de zijnen erg frustrerend zijn geweest. De Algerijnen bleven de onderhandelingen traineren. In feite wilden ze alleen over het lossen van Nederlandse christenslaven praten als de Nederlanders zouden instemmen met een vredesverdrag waarin het principe van ‘vrij schip, vrij goed’ werd losgelaten. Omdat intussen Algerijnse kaperschepen de haven kwamen binnenvaren, hield De Ruyter op 24 juni zelfs krijgsraad over de vraag of ze die niet beter gewoon aan konden vallen. De onderhandelingen leverden immers toch niets op. Uiteindelijk werd echter besloten te blijven inzetten op het lossen van de christenslaven.

Algiers, gelegen aan een strategische baai (kaart: Google Maps).

De Algerijnen waren wel zeer geïnteresseerd in de gevangengenomen kapers die zich aan boord van de Nederlandse schepen bevonden. Ze stelden voor dat voor elke 3 à 4 kapers één christenslaaf zou worden vrijgelaten. De Nederlandse onderhandelaars werden geïntimideerd om hiermee in te stemmen, maar deze konden zich er onderuit praten door af te spreken dat de grote vergadering van de divan die op 28 juni zou plaatsvinden zou worden afgewacht. De volgende dag overleed Gilbert de Vianen aan boord aan een ziekte. Normaal gesproken zou hij een zeemansgraf hebben gekregen, maar consul Van den Burg wist gedaan te krijgen dat hij aan land begraven mocht worden. De divan stelde zelfs soldaten beschikbaar om de uitvaart te begeleiden. Volgens Gerard Brandt, de biograaf van De Ruyter, werd het graf later wel geschonden door rovers die hoopten dat er goud en juwelen aan de overledene waren meegegeven. Toen dat niet het geval bleek, stalen ze de lijkwade. Volgens dezelfde Brandt traden de Algerijnse autoriteiten echter kordaat op tegen deze grafroof. De Vianen werd herbegraven en de plaatselijk schout werd opdracht gegeven de daders te vinden.[3]

Eindelijk schot in de zaak

In de week die volgde, kon er eindelijk werk worden gemaakt van het lossen van de christenslaven. Toen hij op 5 juli 1664 wegvoer bij Algiers, kon De Ruyter in zijn journaal noteren “wy hadden in alles [in totaal] verlost 60 Hollansche slaven”. Het journaal doorlezende kwam de viceadmiraal waarschijnlijk als volgt aan dit aantal:

  • Op 28 juni 1664 werden 16 kapers geruild tegen 6 Nederlanders van het schip Sint Bartholomeus. Dit schip uit Hoorn was eerder buitgemaakt, waarna de gevangengenomen kapitein een deal had gesloten met de Algerijnen over de vrijlating van hem en zijn 11 overige bemanningsleden. De kapitein zelf en vijf anderen waren echter in slavernij overleden. Hoe dat kwam, vermeldt het verhaal niet. Het is niet uitgesloten dat de slechte omstandigheden van de gevangenschap in combinatie met dwangarbeid hun tol hadden geëist. We hebben het tot nog toe vaak gehad over christenslaven die werden bevrijd, maar de trieste waarheid is dat de meesten van hen nooit vrijkwamen.[4]
  • Op 1 juli 1664 werden 11 Nederlandse christenslaven vrijgekocht voor ieder 225 stukken van acht (zilveren munten), “dat vry goede coop is” aldus De Ruyter in zijn journaal.
  • Op 2 juli 1664 werden er nog eens 14 Nederlanders vrijgekocht, nu voor ieder 250 stukken van acht, een bedrag waar De Ruyter al veel minder over te spreken was.
  • Op 3 juli 1664 herkregen 29 Nederlanders hun vrijheid. De kosten waren nu 309 stukken van acht per persoon, “dat seer veel is”.

Het journaal van Michiel de Ruyter, 5 juli 1664 (Nationaal Archief). Er staat: “Wy hadden in alles [in totaal] verlost 60 Hollansche slaven in onse handelyngen”.

Portret van viceadmiraal Jan Meppel.

Bij elkaar opgeteld leveren deze lossingen precies 60 bevrijde christenslaven op. Het lijkt er echter op dat De Ruyter iets te bescheiden was over zijn prestaties tijdens deze missie. Er werden namelijk ook nog 13 Nederlandse christenslaven vrijgelaten over wie Andries van den Burg een overeenkomst had gesloten, maar die pas daadwerkelijk vrijkwamen nadat De Ruyter bij aankomst voor Algiers het losgeld naar de wal had gestuurd.[5] Toen De Ruyter op 5 juli wegvoer, waagden bovendien 5 christenslaven aan de wal met succes de sprong naar de vrijheid: ze doken in het water en zwommen naar de schepen van viceadmiraal Jan Meppel en kapitein Isaac Sweers. Volgens De Ruyter zelf waren het 3 Nederlanders, een Venetiaan en een Spanjaard. Volgens Brandt waren het geen 3 Nederlanders, maar 2 Nederlanders en een ‘Noorman’ (Scandinaviër).[6]

Het aantal bevrijde Nederlandse christenslaven had nog veel hoger kunnen liggen, maar de eisen die de Algerijnen stelden, kwamen ook steeds hoger te liggen. Consul Van den Burg was formeel dan wel geen slaaf, maar hij werd samen met zijn schrijver en 3 man personeel (ook ex-christenslaven) pas vrijgelaten nadat 37 gevangengenomen kapers naar land waren gestuurd. Begrijpelijkerwijs klaagde De Ruyter in zijn journaal in dit verband over “eerloose turckxsche schelmen” [schurken]. Hij was echter wel genoodzaakt met de Algerijnse eis akkoord te gaan, want de Engelse consul in Algiers was al zwaar vernederd en mishandeld en voor Van den Burg dreigde hetzelfde lot. De onderhandelingen over het vrijkopen van Nederlanders liepen uiteindelijk spaak toen de divan op 3 juli eiste dat De Ruyter vier slaven tegen een zeer hoge prijs zou vrijkopen. Na Nederlandse klachten werd de eis gewijzigd in het verplicht vrijkopen van drie vreemdelingen, volgens Brandt afkomstig uit Lübeck.[7]Als de Nederlanders hen niet zouden lossen, zou het ook over en uit zijn met het lossen van Nederlandse christenslaven. In de krijgsraad werd besloten hier niet verder op in te gaan en de onderhandelingen af te breken. Daarbij speelde mee dat de prijs voor een Nederlandse christenslaaf zou oplopen tot 350 stukken van acht, en dat was echt te veel.

Slot

Waag en Kaasmarkt in Alkmaar.

Het aantal door De Ruyter en de zijnen bevrijde christenslaven lag uiteindelijk dus op rond de 78. Onder hen was een man die maar liefst 24 jaar en twee manden in slavernij had moeten leven.[8] Curieus was het geval van Evert Gerritszoon, een Alkmaarder van 23 jaar. Nadat hij was losgekocht weigerde hij aan boord van een Nederlandse sloep te gaan om naar de vloot te worden geroeid. In plaats daarvan verdween hij weer in de stad. Ook nadat hij was teruggevonden weigerde hij mee te gaan. Het was duidelijk dat Evert Gerritszoon, om wat voor reden dan ook, een renegaat was geworden. Hij had zijn geloof afgezworen en was moslim geworden. Ondanks dit opmerkelijke voorval was de missie van De Ruyter behoorlijk succesvol geweest. Er was weliswaar, vanwege onenigheid over ‘vrij schip, vrij goed’, geen vredesverdrag tot stand gekomen, maar dat negatieve resultaat was ingecalculeerd. Het aantal bevrijde christenslaven was bevredigend te noemen. De Ruyter was nu weer beschikbaar voor nieuwe expedities en Johan de Witt en de Staten-Generaal hadden er wel een in gedachten. De Ruyter werd uiteindelijk naar West-Afrika gestuurd, een missie waarover – vooral aan de borreltafel – ook heden ten dage nog veel gepraat wordt.

Dit is deel 9 van de serie ‘Michiel de Ruyter en de christenslaven’. De volledige serie vindt u hier.

Noten

[1] Gerard Brandt, Het leven en bedryf van den Heere Michiel de Ruiter (1687), p. 269.

[2] Ronald Prud’homme van Reine, Rechterhand van Nederland, p. 123.

[3] Het leven en bedryf van den Heere Michiel de Ruiter (1687), p. 281.

[4] Dick Harrison, De geschiedenis van de slavernij, p. 159.

[5] Het leven en bedryf van den Heere Michiel de Ruiter (1687), p. 284. Op 20 juni 1664 vermeldt De Ruyter inderdaad in zijn journaal dat hij zijn gezanten met 1625 stukken van acht naar land stuurt in verband met het lossen van christenslaven. Dit komt neer op 125 stukken van acht de man.

[6] Het leven en bedryf van den Heere Michiel de Ruiter (1687), p. 285.

[7] Het leven en bedryf van den Heere Michiel de Ruiter (1687), p. 284.

[8] Rechterhand van Nederland, p. 127.

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.