Kanttekening bij een kanttekening: de Canon en Michiel de Ruyter

Michiel de Ruyter, portret door Ferdinand Bol (Westfries Museum, Hoorn).

In het oude Rome konden burgers die zich misdroegen van de censors een aantekening bij hun naam krijgen, een nota censoria. Dat kon dan weer leiden tot sancties. Sinds de publicatie van de nieuwe Canon van Nederland heeft ook Nederlands bekendste admiraal Michiel de Ruyter (1607-1676) een dergelijke aantekening bij zijn naam, of wellicht beter: een kanttekening bij zijn heldendaden. Zeker, de samenstellers van de nieuwe Canon benadrukken nu ook, veel meer dan in de oude Canon, dat De Ruyter een zeer belangrijke rol speelde tijdens het Rampjaar 1672, en in 1673 een briljante zege bij Kijkduin behaalde. Het venijn zit hem echter in de staart, want in de laatste alinea schrijven de canonisten:

“Hoewel De Ruyter nog altijd als bekendste admiraal in de Nederlandse geschiedenis geldt, staat zijn zeemanscarrière ook ter discussie. Er wordt dan gewezen op zijn rol in de verovering van de handelsforten aan de Afrikaanse westkust, waarmee Nederland zijn positie in de slavenhandel kon behouden.”

Dit is een vreemde passage. Waar de voorgaande alinea’s vol data, feiten en details zitten, die samen een chronologisch verhaal vormen, moeten we het hier opeens doen met vaagheden. Anonieme zegslieden wijzen op de ‘verovering’ van niet nader genoemde handelsforten op een ongespecificeerd moment. Maar we moeten kennelijk wel aannemen dat die verovering van cruciaal belang is geweest voor de Nederlandse slavenhandel. Gelukkig beweren de samenstellers niet, zoals onlangs nog Radio 1, dat De Ruyter zelf betrokken was bij slavenhandel. Daar is simpelweg geen bewijs voor. Ze maken het ook niet zo bont als een bekende hoogleraar, die recentelijk beweerde dat De Ruyter forten afnam van de Portugezen (het waren toch echt de Engelsen). Toch is de kanttekening onbevredigend. De canonisten gedragen zich hier als journalisten die weergeven dat er in de maatschappij een discussie is. Journalisten hoeven inderdaad alleen verslag te doen van gebeurtenissen. Ze hoeven niet te onderzoeken of die discussie terecht is. De canonisten zijn echter historici, en historici behoren uit bronnen feiten te destilleren op basis waarvan zij verbanden leggen en conclusies trekken. Ik doe hieronder een poging het beter te doen.

Achtergrond

Praalgraf van Michiel de Ruyter in de Nieuwe Kerk te Amsterdam.

In de jaren 1660 waren de verhoudingen tussen de handelsrivalen Engeland en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden slecht. De reden om Michiel de Ruyter naar West-Afrika te sturen waren de activiteiten van de Engelse kaper Robert Holmes (1622-1692) van de Company of Royal Adventurers of England trading to Africa. De naam van die compagnie klinkt misschien vrolijk, haar activiteiten waren dat beslist niet. Holmes voer begin 1664 naar het Afrikaanse eiland Goeree – tegenwoordig het île de Gorée voor de kust van Dakar, Senegal – en veroverde het op de Nederlandse bezetting. Daarna veroverde hij nog enkele WIC-forten aan de Goudkust, het huidige Ghana.[1] Enkele maanden later, in de zomer van 1664, veroverde een andere Engelse vloot ook de bloeiende kolonie Nieuw Amsterdam in Noord-Amerika, het huidige New York. Formeel was dit conflict een strijd van de ene particuliere compagnie tegen de andere, maar materieel lagen de zaken uiteraard anders. De Royal Adventurers stonden onder leiding van de Duke of York, de broer van de Engelse koning, en de politiek leider van de Republiek Johan de Witt kon de Engelse provocaties simpelweg niet negeren. Er moest een reactie komen.

Het idee om Michiel de Ruyter op de Engelsen in West-Afrika af te sturen, kwam van David de Wildt, secretaris van de Amsterdamse admiraliteit. De Wit vond het meteen een uitstekend plan. De Staten-Generaal konden namelijk wel een geheel nieuw vloot uitrusten, maar dat zou veel te veel tijd kosten. De Ruyter bevond zich al op de Middellandse Zee in verband met een missie tegen de Algerijnse kapers. Eind juni 1664 had hij daar een overeenkomst weten te sluiten, met als gevolg dat de Nederlandse gezant en bijna 80 Europese slaven werden vrijgelaten. Het geeft een idee van wat men daar in Algiers uitvoerde. De Ruyter was nu dus beschikbaar, en De Witt slaagde er in augustus 1664 in de Britse spionnen en sympathisanten in de Staten-Generaal voldoende af te leiden om dit college in het geniep een resolutie aan te laten nemen waarmee De Ruyter werd belast met het heroveren van de West-Afrikaanse forten.[2] Wie Michiel de Ruyter wil bekritiseren om zijn rol in de West-Afrikaanse expeditie zal dus ook Johan de Witt, David de Wildt en de leden van de Staten-Generaal als bedenkers en opdrachtgevers in de kritiek moeten betrekken, alsmede de Engelsen, zonder wier provocaties de hele tocht niet nodig geweest zou zijn.

NRC Handelsblad beweerde in 2017 dat De Ruyter Elmina heroverde. Quod non. De vergelijking met Coen en Van Heutsz is ronduit belachelijk.

De missie moest uiteraard geheim blijven. De Engelsen die in de buurt van Spanje kruisten, mochten er onder geen beding lucht van krijgen. Op 5 oktober 1664 vertrok de Nederlandse vloot uit Cádiz en pas twee dagen later kregen de kapiteins van De Ruyter te horen wat het doel zou zijn. Het is goed hier te benadrukken dat het doel van de missie zeker níet was om het beruchte Nederlandse slavenfort Elmina te heroveren. São Jorge da Mina was van oorsprong een Portugees fort, eind vijftiende eeuw gebouwd met het oog op de handel in goud. ‘El Mina’ betekent dan ook ‘de mijn’ en de betreffende kust werd met een reden de Goudkust genoemd, zoals men ook een Peperkust (in Liberia), een Tandkust (of Ivoorkust) en een Slavenkust kende. De Portugezen ontdekten al snel dat de leiders van het plaatselijke Akan-volk goud wilden ruilen tegen slaven. Die kochten de Portugezen elders in Afrika in en zo werd Elmina op den duur een slavenfort.[3] In 1637 werd Elmina door de Nederlanders veroverd, die het onder meer gebruikten om slaven naar hun eveneens op de Portugezen veroverde kolonie in Brazilië (1630-1654) te vervoeren.[4] Vaste leveranciers van slaven waren de machtige Ashanti, een subgroep van de Akan, die inmiddels ook een plek in de Canon hebben gekregen. Rondom het fort lag verder een inheemse nederzetting van Elminezen die aan de kant van de Nederlanders stonden en bereid waren voor hen te vechten. Voor het gebruik van het fort betaalden de Nederlandse gebruikers overigens gewoon huur aan de lokale heersers.

Het moet benadrukt worden dat Holmes er niet in geslaagd was Elmina te veroveren. Waarschijnlijk was het fort simpelweg te goed verdedigd. De Ruyters biograaf Gerard Brandt (1626-1685) meldt dat de admiraal begin 1665 een brief kreeg van Jan Valkenburgh, de gouverneur van Elmina. Die suggereerde dat de Engelse schepen voor Elmina gevlucht waren zodra ze hadden gehoord van De Ruyters komst.[5] Dat kan natuurlijk best grootspraak zijn geweest. Valkenburgh stuurde De Ruyter ook 1.000 man aan inheemse troepen. De beschikbaarheid van zoveel troepen was wellicht de echte reden dat de Engelsen het beruchte slavenfort nooit in handen hadden weten te krijgen. Toch lees je regelmatig dat De Ruyter Elmina ‘heroverde’ of ‘verdedigde’ tegen de Engelsen, ook in kwaliteitskranten (zie kader hierboven). Deze onjuistheid wordt wellicht veroorzaakt door het feit dat Holmes wél het fort Cabo Corso of Carolusburg had veroverd. Dit van oorsprong Zweedse fort lag slechts een kilometer of twaalf ten oosten van Elmina. De Zweden hadden zich hier in 1650 gevestigd onder leiding van Henrich Carlof, een Duitser die tot 1649 voor de WIC had gewerkt. Zijn opvolger, de Zwitser Isaac Mivilla, bouwde er een fort dat naar de Zweedse koning Karel X Carolusburg werd genoemd. Carlof was inmiddels in Deense dienst getreden, en toen er oorlog uitbrak tussen Zweden en Denemarken veroverde hij Carolusburg voor zijn nieuwe werkgever. In 1660 kwam het fort weer in Zweedse handen en daarna in 1663 in handen van de WIC. Die raakte het een jaar later weer kwijt aan Holmes.[6]

De West-Afrikaanse expeditie

Locatie van Goeree voor de kust van Dakar (Google Maps).

Op 22 oktober 1664 bereikte de vloot van de Ruyter Goeree. Het eiland bij Cabo Verde – de ‘Groene Kaap’ – was sinds 1617 in Nederlandse handen. In dat jaar was het veroverd of gekocht van een lokale heerser. Dit gebeurde vier jaar voor de oprichting van de WIC en ruim voor het begin van de Nederlandse slavenhandel, zo’n twintig jaar later. De achtergrond van de verovering of aankoop was dan ook veeleer het embargo dat de toenmalige Spaanse koning had ingesteld voor handel op het Iberisch schiereiland: Nederlandse schepen waren niet langer welkom in Spaanse en Portugese havens – Spanje en Portugal vielen tussen 1580 en 1640 onder dezelfde kroon – en weken daarom uit naar Zuid-Amerika en West-Afrika.[7] Vanaf Goeree kon men doorvaren naar de Goudkust en Angola voor de handel in onder meer goud, ivoor, huiden, peper en gom. Op het eiland werden twee forten gebouwd, Fort Nassau en Fort Oranje. Die waren bij aankomst van De Ruyter bezet door 130 Engelse soldaten. Bij het eiland lagen verder acht Engelse koopvaarders en een oorlogsschip.

Hoewel een gewelddadige confrontatie dreigde, werd de zaak uiteindelijk zonder bloedvergieten opgelost. De Ruyter was met 12 schepen, 500 stuks geschut en meer dan 2.000 matrozen en soldaten duidelijk in de meerderheid.[8] Met de koopvaarders werd een deal gesloten en de gouverneur gaf het eiland op 24 oktober 1664 over.[9] Daarmee was Goeree weer in handen van de WIC. Het was dus eerder heroverd dan veroverd, zoals de samenstellers van de Canon beweren. De vraag is bovendien of die herovering veel bijdroeg aan het behoud van de Nederlandse positie in de slavenhandel. Goeree lijkt daarin geen rol van betekenis te hebben gespeeld. Als we bijvoorbeeld kijken naar de slaven die naar Nederlands-Brazilië (1630-1654) werden gebracht, dan kwam 40 procent van de Goudkust (het gebied rond Elmina dus) en 60 procent uit Angola, waar de Nederlanders tussen 1641 en 1648 Luanda beheersten.[10] Goeree komt in dit hele verhaal niet voor. Belangrijker nog is dat de WIC het eiland in 1677 alweer kwijtraakte aan de Fransen. Die bleven er, op vijf Britse jaren na, tot 1960 de baas. Over de vraag of Goeree een grote rol speelde in de Franse Trans-Atlantische slavenhandel woedt sinds de jaren 90 van de vorige eeuw een fel debat, dat hier verder niet van belang is. Wat telt is dat er niet veel aanwijzingen voor een rol van Goeree in de Nederlandse slavenhandel zijn en dat het succes van De Ruyter uiteindelijk maar tijdelijk was.

Jan Valkenburgh, gouverneur van Elmina (Rijksmuseum, Amsterdam).

De Ruyter voer na de geweldloze herovering van Goeree verder naar een baai in Sierra Leone, waar hij in het binnenland een Nederlander en zijn dochter bevrijdde uit Engelse gevangenschap en alle goederen in een Engelse handelsnederzetting in beslag liet nemen, overigens zonder de Engelsen zelf een haar te krenken. De buit bestond voornamelijk uit ivoor.[11] Op 4 januari 1665 had de vloot van De Ruyter de Goudkust bereikt en contact gelegd met een commies van de WIC. Het volgende doelwit zou Fort Witsen (of Takoradi) zijn, dat door Holmes en zijn kapers was veroverd. Ook hier betrof het dus een herovering. Witsen bleek zwak bezet. Er waren maar elf of dertien Engelse soldaten en ze waren bijna allemaal ziek. De Engelsen lieten de strijd over aan hun Afrikaanse bondgenoten, die na een kort maar hevig gevecht op de vlucht werden gejaagd. Aan Nederlandse zijde waren slechts zes gewonden te betreuren. Niet lang na de herovering van het fort kwamen de 1.000 Elminezen aan die gouverneur Valkenburgh had gestuurd en die hierboven reeds genoemd zijn. De Ruyter kreeg toen ook per brief te horen dat Elmina niet langer door Engelse schepen bedreigd werd: die waren drie weken daarvoor al gevlucht.[12] Fort Witsen werd vervolgens op advies van Valkenburgh opgeblazen omdat het voor de WIC van onvoldoende belang was en de omgeving te vijandig.[13] In de Nederlandse slavenhandel heeft het dus verder geen rol meer gespeeld.

Het logische volgende doelwit zou Cabo Corso of Carolusburg zijn geweest, dat immers vlak bij Elmina lag. Valkenburgh raadde een aanval echter af: het fort was te sterk en de plaatselijke bevolking was anti-Nederlands. Bij een aanval zou De Ruyter grote verliezen lijden.[14] Een beter doelwit was daarom Fort Cormantijn, een van oorsprong Engels fort dat zo’n 30 kilometer ten oosten van Elmina lag, bij het plaatsje Abandze. De landingsdivisie van zo’n 1.000 Nederlandse soldaten en matrozen werd versterkt met een ongeveer even groot contingent Elminezen en inwoners van Mauré or Moree, een nederzetting rondom het Nederlandse Fort Nassau (zie kaart hieronder). Anders dan bij Goeree en Fort Witsen zou het bij Cormantijn tot bloederige gevechten komen. De aanval begon in februari 1665 bij Fort Annemabo of Anomabu. De Engelsen lieten het fort opblazen en trokken zich terug richting het grotere Cormantijn, zo’n 3,5 kilometer verder naar het oosten. Daar weigerde gouverneur Francis Selwyn zich over te geven, waarna het tot zware gevechten kwam tussen de Nederlanders en hun inheemse bondgenoten en de Fante of Fantijnen die de Engelsen steunden. Zij stonden onder leiding van een vorst die ‘Jan Kabesse’ wordt genoemd in de biografie van Brandt. Pas toen hij zichzelf van het leven beroofde, luwde de strijd. Cormantijn, verdedigd door 58 Engelsen, was nu in Nederlandse handen.

Forten aan de Goudkust, situatie begin 1665 (Google Maps).

Half februari 1665 eindigde de Afrikaanse expeditie van De Ruyter. Hoewel in correspondentie van de Staten-Generaal werd aangedrongen op een aanval op Cabo Corso, besloot De Ruyter in overleg met Valkenburgh daarvan af te zien.[15] Het fort bleef dus in Engelse handen en zou als Cape Coast Castle de geschiedenis van de Trans-Atlantische slavenhandel ingaan. Fort Cormantijn bleef in Nederlandse handen en werd herdoopt tot Fort Amsterdam. Per saldo was de positie van Elmina er derhalve op achteruit gegaan: in plaats van een concurrent op dertig kilometer afstand had het hoofdfort van de WIC in West-Afrika er nu een op slechts twaalf kilometer. Het Fort Annemabo werd bovendien niet veel later (1672-1673) door de Engelsen herbouwd en ging toen als Fort Charles en later Fort William door het leven. Ook Fort Amsterdam had dus een thorn in the side.

Evaluatie

Praalgraf van Jacob van Wassenaer Obdam door Bartholomeus Eggers (Grote Kerk, Den Haag).

Op bevel van de Staten-Generaal zette De Ruyter zijn strafexpeditie vervolgens voort in het Caribisch gebied. Eind april 1665 viel hij zonder succes het eiland Barbados aan, waarna hij zijn schepen moest laten herstellen op het Franse eiland Martinique. Omdat sinds begin maart van dat jaar de Republiek en Engeland formeel in oorlog waren, waren Engelse handelsschepen nu een legitiem doelwit. Bij Monserrat en Nevis werden negen kleine koopvaardijschepen veroverd, waarvan een deel op 12 mei verkocht werd op Saint Kitts, destijds in Franse handen. Via Sint Eustatius en Sint Maarten voer De Ruyter naar Bermuda. Van daaruit had een aanval op het bezette Nieuw Amsterdam kunnen worden gelanceerd, maar de krijgsraad achtte die weinig kansrijk en dus werd besloten ervan af te zien. Via Newfoundland voer de vloot naar de Faeroër, ten noorden van Schotland, en van daaruit bereikte ze op 6 augustus 1665 Delfzijl. De expeditie was als reactie op de Engelse provocaties zeker een succes geweest: er was geen schip verloren en er was behoorlijk wat buit behaald, zowel in West-Afrika als in het Caribisch gebied. De Republiek had laten zien dat er niet met haar gesold kon worden. Het succes van expeditie was ook een morele opsteker. Op 13 juni 1665 had de Republiek namelijk bij Lowestoft een vreselijke nederlaag tegen een Engelse vloot geleden. Opperbevelhebber Jacob van Wassenaer Obdam was gesneuveld, net als Egbert Kortenaer en Auke Stellingwerf. De Ruyter werd geëerd als een grote held, een echte zeeheld.

De vraag is echter of ‘de verovering van de handelsforten aan de Afrikaanse westkust’ er werkelijk toe leidde dat ‘Nederland zijn positie in de slavenhandel kon behouden’, zoals de samenstellers van de Canon beweren. Daar zijn op grond van het voorgaande de nodige vraagtekens bij te plaatsen. Goeree en Fort Witsen werden niet veroverd, maar heroverd, en die herovering was voor de slavenhandel verder niet van belang. Fort Witsen werd zelfs opgeblazen. Fort Cormantijn werd weliswaar op de Engelsen veroverd, maar het veel dichter bij Elmina gelegen Cabo Corso of Carolusburg bleef tot aan de onafhankelijkheid van Ghana in 1957 in Engelse handen. In zoverre was de West-Afrikaanse expeditie van De Ruyter dus geen compleet succes. Nog belangrijker is dat Elmina zelf, hét centrum van de Nederlandse slavenhandel aan de Goudkust, nooit in Engelse handen geweest en dus niet heroverd hoefde te worden. Het lijkt mij veel beter de expeditie van De Ruyter te zien als een strafexpeditie met beperkte en tijdelijke effecten dan als een missie die een groot effect op een duister hoofdstuk in de Nederlandse geschiedenis heeft gehad.

Standbeeld van Michiel de Ruyter uit 1841 in Vlissingen.

Daarbij is ook het volgende van belang. De Trans-Atlantische slavenhandel was een complex fenomeen dat van vele factoren afhankelijk was. Wat bijvoorbeeld écht invloed op de Nederlandse slavenhandel heeft gehad, is de verovering door Abraham Crijnssen in 1667 van Suriname, dat door het Verdrag van Breda van datzelfde jaar aan de Republiek werd toegewezen. Van Suriname kon een tweede Brazilië worden gemaakt, nadat het eerste in 1654 aan de Portugezen was verloren. Dat betekende uiteraard plantages die werden gerund met slavenarbeid. De Sociëteit van Suriname was van 1683 tot 1795 met het beheer van de kolonie belast. Michiel de Ruyter had met dit alles niets te maken, en evenmin met het asiento-contract dat de Spanjaarden in 1662 sloten met twee Genuese handelaren. Op grond van het Verdrag van Tordesillas uit 1494 mocht Spanje geen activiteiten in Afrika ontplooien, maar het koninkrijk had wel slaven nodig voor zijn koloniën in Zuid-Amerika. De opdracht die te leveren werd uitbesteed (asentar) aan derden, in 1662 dus aan de Genuezen. Die waren op hun beurt afhankelijk van de WIC, waardoor de slavenhandel via Willemstad op Curaçao tot bloei kon komen.[16]

Het belang van het bezit van forten mag bovendien wel enigszins gerelativeerd worden. Goede diplomatie was van groter belang. Zo mochten de Nederlanders ook na het verlies van Luanda 1648 op basis van een verdrag met Portugal slaven blijven kopen in Angola.[17] De bereidwilligheid van volkeren als de Ashanti in Ghana of koningen in de Congo om mensen te verkopen aan de Nederlanders was uiteraard ook belangrijker dan het bezit van een paar forten. Er kon immers ook slavenhandel gedreven worden zónder forten, gewoon door voor de kusten te varen waar slaven werden aangeboden. Als Nederlandse handelaren slaven nodig hadden, konden ze die echt wel ergens krijgen, fort of geen fort. Al met al concludeer ik dat de samenstellers van de Canon met hun kanttekening bij Michiel de Ruyter hem een veel te grote rol toekennen. De context ontbreekt, andere betrokkenen worden weggelaten, de term ‘verovering’ is in twee van de drie gevallen onjuist en het causaal verband tussen de expeditie in West-Afrika en de Nederlandse positie in de slavenhandel wordt wel gelegd, maar niet onderbouwd. Dit had beter gekund. Over tien jaar een herkansing.

Noten

[1] Luc Panhuysen, De Ware Vrijheid, p. 302-305.

[2] Ronald Prud’homme van Reine, Rechterhand van Nederland, p. 127-130.

[3] Dick Harrison, De geschiedenis van de slavernij, p. 233. In het begin verkochten de Portugezen dus slaven aan de Afrikanen in plaats van andersom.

[4] Dick Harrison, De geschiedenis van de slavernij, p. 250.

[5] Gerard Brandt, Het leven van Michiel de Ruyter (gekozen, hertaald en ingeleid door Vibeke Roeper en Remmelt Daalder), p. 102.

[6] Dick Harrison, De geschiedenis van de slavernij, p. 286-288. De grote man achter de Zweedse Afrika Compagnie was overigens de Waals-Nederlandse Zweed Louis de Geer (ca. 1587-1652). Hij is eerder op deze website aan de orde gekomen.

[7] Piet Emmer en Jos Gommans, Rijk aan de rand van de wereld, p. 34.

[8] Ronald Prud’homme van Reine, Rechterhand van Nederland, p. 123.

[9] Ronald Prud’homme van Reine, Rechterhand van Nederland, p. 133-135; Gerard Brandt, Het leven van Michiel de Ruyter (gekozen, hertaald en ingeleid door Vibeke Roeper en Remmelt Daalder), p. 89-92.

[10] Piet Emmer en Jos Gommans, Rijk aan de rand van de wereld, p. 168 en 218.

[11] Ronald Prud’homme van Reine, Rechterhand van Nederland, p. 137; Gerard Brandt, Het leven van Michiel de Ruyter (gekozen, hertaald en ingeleid door Vibeke Roeper en Remmelt Daalder), p. 96-99.

[12] Gerard Brandt, Het leven van Michiel de Ruyter (gekozen, hertaald en ingeleid door Vibeke Roeper en Remmelt Daalder), p. 102.

[13] Ronald Prud’homme van Reine, Rechterhand van Nederland, p. 140.

[14] Ronald Prud’homme van Reine, Rechterhand van Nederland, p. 141.

[15] Ronald Prud’homme van Reine, Rechterhand van Nederland, p. 144.

[16] Dick Harrison, De geschiedenis van de slavernij, p. 250-251. Hierbij was ook Paulus Godin (1615-1690) betrokken. Hij liet het pand aan de Herengracht 502 in Amsterdam bouwen. Tegenwoordig is dit de ambtswoning van de burgemeester van Amsterdam.

[17] Piet Emmer en Jos Gommans, Rijk aan de rand van de wereld, p. 168.

One Comment:

  1. Pingback:De Canon van Nederland: over meerstemmigheid en selectieve verontwaardiging – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.